Johann Sebastian Bach. Brandenburger concert nr. 4

15-01-2020

Volgens mij hebben we allevier in onze jeugd één of meer jaar blokfluitles gehad. Van Olaf weet ik het zeker, van Stefan en Guliël niet. Wij waren daarin niet alleen. Tot op de dag van vandaag is de blokfluit het meest laagdrempelige instrument om de eerste muziekervaringen mee op te doen: eenvoudig aan te leren en voor een paar tientjes heb je al een behoorlijk instrument. Dat heeft echter ook tot gevolg dat de blokfluit één van de meest onderschatte instrumenten is wat betreft moeilijkheidsgraad als je de ambitie hebt om verder te komen dan het beginnersniveau. Het is bijvoorbeeld uitermate lastig om een groep blokfluiten zuiver te laten klinken (iets wat ouders die uitvoeringen in de muziekschool bijwonen waarbij hun kroost optrad zullen beamen). In de barok en de perioden daarvoor was de blokfluit echter een volwaardig muziekinstrument waarvoor veel is geschreven door componisten toen.

Tegenwoordig wordt de blokfluit nauwelijks nog gebruikt bij het uitvoeren van een soloconcert. In plaats daarvan wordt de dwarsfluit gebruikt, vaak ook bij het uitvoeren van soloconcerten die uit de barok of perioden daarvoor stammen en die oorspronkelijk voor blokfluit is geschreven. De dwarsfluit is echter een fundamenteel ander instrument: het maakt gebruik van kleppen om tonen te vormen waar dat bij de meeste blokfluiten gebeurt door het geheel of gedeeltelijk afdekken van gaten in het instrument door middel van combinaties van vingers.

Een bekend voorbeeld van soloconcert uit de barok zijn de Brandenburger concerten van Johann Sebastian Bach (1685-1750). In totaal bestaan de Brandenburger concerten uit 6 werken, voor verschillende solo-instrumenten, begeleid door strijkers. Bach droeg deze werken in 1721 op aan Christian Ludwig, markgraaf van Brandenburg (wat de naam van de concerten verklaart). De meeste van die concerten zijn geschreven voor meer dan één solo instrument. Ze kennen allemaal eenzelfde opbouw: drie delen (snel-langzaam-snel). Het concert dat ik wil laten horen is het 4e, geschreven voor twee blokfluiten en een viool als solo instrument. De blokfluiten hebben echter de meest prominente solopartijen.

Ik heb geen uitvoering kunnen vinden waarbij Erik Bosgraaf, momenteel met afstand de beste blokfluitspeler van Nederland, als solist optreedt. Wel heb ik een oude opname gevonden met legende Frans Brüggen als een van de solisten. Brüggen is één van de muzikanten geweest die veel heeft gedaan voor uitvoeringen van barokwerken op authentieke instrumenten. Hij is uiteindelijk jarenlang dirigent geweest van het door hemzelf opgerichte Orkest van de 18 eeuw. Enkele jaren geleden heb ik op Brava TV (een concertzender) opnamen van dat orkest gezien met uitvoering van alle symfonieën van Beethoven, op authentieke instrumenten. Geweldige opnamen!

Naast Brüggen is ook Ricardo Kanji te horen op de blokfluit. Wie de vioolsolist is en door welk ensemble ze begeleid worden is onbekend.

Er bestaat een documentaire Nine steps into paradise over de uitvoering van alle Beethoven symfonieën door het Orkest van de 18e eeuw in 2011, met een toen al heel fragiele Brüggen (hij is in 2014 overleden). Die heb ik ook bijgevoegd.

Documentaire Nine Steps Into Paradise

Johann Sebastian Bach. Cello suites, BWV 1007-1012

16-10-2019

In de periode 1717-1723 componeerde Johann Sebastian Bach (1685-1750) 6 suites voor cello. Het zijn voor dit instrument de meest bekende solowerken en een must voor cellospelers om ze uit te voeren. Van een cellist heb ik geleerd dat professionele cellisten tegelijkertijd ook vrees hebben deze werken in het openbaar uit te voeren, juist omdat ze zo bekend zijn en tegelijk ook uitnodigen tot eigen interpretaties ervan (zoals variëren met snelheid, sterkte en plaatsen van accenten).

Van de suites zijn ook bewerkingen gemaakt voor andere instrumenten, waaronder de fagot. Dat laatste ligt erg voor de hand, want qua toonomvang zijn fagot en cello vergelijkbaar en in de suites komt vaak een motief voor waarbij van een heel lage toon naar een hoge toon wordt gesprongen; iets wat ook kenmerkend is voor fagotpartijen.

Iedere suite duurt 20-30 minuten. Ik heb gekozen voor de uitvoering van de Hongaarse cellist István Várdai. Misschien moet je de muziek doseren en niet in één keer alle suites afluisteren, omdat dat wel een oefening in uithoudingsvermogen is. Bekijk in Youtube de tracklist die onder de video is afgebeeld. Daarin staan de links naar ieder afzonderlijk deel van de suites genoteerd zodat je er rechtstreeks naar kunt springen.

Johann Sebastian Bach. Johannes Passion, Chorus Ruht wohl, ihr heiligen Gebeine, BWV 245

17-04-2019

In deze week van bezinning voorafgaande aan het Paasfeest kom je niet om Johann Sebastian Bach (1685-1750) heen. Overal in het land worden momenteel uitvoeringen gegeven van de Mattheus Passion, een meesterwerk van ruim 2 uur. Bach heeft echter passiemuziek geschreven gebaseerd op ieder van de vier evangelisten. Na de Mattheus Passion is de Johannes Passion daarvan de meest uitgevoerde.

Het werk is in drie maanden tijd geschreven, enkele jaren voordat Bach “de Mattheus” schreef. Het is minder omvangrijk dan “de Mattheus”, zowel in bezetting als in omvang. Net als bij de Mattheus wordt het verhaal verteld in recitatieven, waarna koor of solo zangstukken het verhaal illustreren.

Ik heb gekozen voor het koor Ruht wohl, ihr heiligen Gebeine, bijna aan het slot van de Johannes Passion. De uitvoering is door de Nederlandse Bachvereniging o.l.v. Jos van Veldhoven.

De uitvoering van het hele werk is door hetzelfde ensemble en dirigent.

Johann Sebastian Bach. Das Wohltemperierte Klavier

27-02-2019

Muziek en wiskunde hebben veel met elkaar te maken. Samenklanken (accoorden) die wij aangenaam vinden (harmonisch) voldoen aan wiskundige principes die al door Pythagoras zijn geformuleerd. Een eerste principe gaat over toonhoogtes. De toonhoogte wordt bepaald door de frequentie van een geluidsgolf (gemeten in Herz (Hz)). Neem de toonladder do-re-mi-fa-sol-la-si-do. De afstand tussen de beide “do’s” noemen we een octaaf. Pythagoras vond dat de frequentie van de tweede do het dubbele van die van de eerste do moet zijn om voor ons harmonisch te klinken. Een tweede principe gaat over de toonsafstand tussen de do en de sol. Deze toonsafstand noemen we een kwint. Volgens Pythagoras moet de frequentie van de sol 1,5x zo groot zijn als die van de do om voor ons harmonisch te klinken.

Deze twee principes leiden echter tot een probleem op een piano. Een artikel in de NRC uit 2017 (waarom een piano altijd vals klinkt) illustreerde dit. Bij een piano liggen er in een octaaf 7 witte toetsen (de do-re-…-si) en 5 zwarte toetsen (dat zijn halve tonen tussen do-re, re-mi, fa-sol, sol-la en la-si). Een beetje piano heeft een omvang van 7 octaven. Dat betekent dat de frequentie van de meest hoge do 2x2x2x2x2x2x2 keer die van de meest lage do moet zijn, ofwel 128x de frequentie van de meest lage do. Er liggen echter ook 12 kwinten tussen de meest lage en meest hoge do. Volgens Pythagoras zou de frequentie van de meest hoge do daarmee 1,5×1,5x…x1,5 die van de meest lage do moeten zijn, ofwel ongeveer 129,7x. Dus dezelfde toets op de piano (de meest hoge do) moet daarmee 2 frequenties hebben, hetgeen onmogelijk is. Dat wordt opgelost door dat verschil in frequenties zo gelijkelijk als mogelijk te verdelen over de omvang van 7 octaven.

Een piano die op een dergelijke wijze is gestemd noemen onze Oosterburen een wohltemperiertes Klavier. Deze lange inleiding is bedoeld als achtergrond voor mijn keuze voor deze week: het Wohltemperierte Klavier van Johann Sebastian Bach (1685-1750. Bach heeft twee werken met die naam gemaakt, die worden aangeduid met “boek 1” en “boek 2”. Ieder van die boeken is een verzameling van 24 preludes en fuga’s, steeds in tweetallen, ieder met een geheel eigen sfeer. Ieder boek duurt totaal ruim 2 uur en je raakt er eigenlijk nooit op uitgeluisterd. Iedere keer als je het hoort ontdek je weer wat anders. Uitstekende muziek om wat op weg te mijmeren en je erin te verliezen. Je kunt het in delen luisteren, ergens middenin beginnen, wat je maar wilt.

Nog even wat wiskunde als achtergrond. Naast octaaf en kwint is ook een terts een belangrijke toonafstand in de muziek. Een terts is bijvoorbeeld de afstand tussen de do en de mi. Deze afstand noemen we grote terts. Je kunt echter ook de toonafstand nemen tussen de do en de toon die precies tussen de re en de mi inligt (op de piano is dat de zwarte toets tussen de re en de mi). Die afstand heet een kleine terts. Muziekstukken die uitgaan van een grote terts hebben veelal een vrolijk karakter, terwijl die in kleine terts wat beschouwelijker en melancholieker klinken. Met twaalf toetsen in een octaaf geeft dat 24 verschillende toonsoorten en Bach heeft ieder van die toonsoorten gebruikt.

De uitvoering is van de pianist Sviatoslav Richter.

En wil je meer weten over de natuurkunde en de wiskunde achter muziek: lees dit Wikipedia artikel.

Johann Sebastian Bach. Weihnachtsoratorium, BWV 248

19-12-2018

De laatste zaagplaat vóór Kerstmis kan eigenlijk maar één werk zijn: het wonderschone Weihnachtsoratorium (BWV 248) van Johann Sebastian Bach (1685-1750). Dit werk bestaat uit totaal 6 cantates. Ieder van die cantates beschrijft een deel van het Kerstverhaal:

  1. De geboorte van Jezus
  2. Bekendmaking aan de herders
  3. Aanbidding door de herders
  4. Besnijdenis en naamgeving van Jezus
  5. Reis van de Drie Koningen
  6. Aanbidding door de Drie Koningen

Iedere cantate bestaat uit delen voor orkest, voor koor, voor solozang en met recitatieven. Koor en solozang worden begeleid door een orkest (met wisselende samenstelling per cantate); een recitatief wordt af en toe begeleid door een basso continuo. Een recitatief is bedoeld om de afzonderlijke onderdelen aan elkaar te praten.

Het oratorium was in de tijd van Bach bedoeld om te worden uitgevoerd op 6 dagen, vanaf 1e Kerstdag (cantate 1) tot en met Driekoningen (cantate 6). De cantates hoeven dus niet per se in één keer in zijn totaliteit beluisterd te worden; iedere cantate vormt een eigen eenheid die geen samenhang heeft met de andere cantates.

Cantate 6 eindigt met de vlucht van de Heilige Familie naar Egypte, in het koor Nun seid ihr wohl gerochen. Dat koor heeft de melodie van O Haupt voll Blut und Wunden, die Bach in meerdere passies heeft gebruikt. Daarover rond Pasen meer.

Het totale werk duurt ongeveer 2,5 uur. Ideaal dus als achtergrondmuziek bij een Kerstdiner (hoewel het eigenlijk niet als behangmuziek gebruikt zou moeten worden), of om je in een meditatieve sfeer eraan over te geven, ergens in de komende periode waarin we toch vrijaf zijn. Ik vind het erg lastig om een stuk eruit te kiezen, maar na lang wikken en wegen heb ik gekozen voor het begin van cantate 2, de Sinfonia. De uitvoering is door het Concentus Musicus Wien onder leiding van Nikolaus Harnoncourt.

Veel luisterplezier en met dit werk komt het met Zalige Feestdagen wel goed! Dat wens ik jullie dus ook toe.