16-06-2021
Tussen 1809 en 1811 werkte Ludwig van Beethoven (1770-1827) aan zijn 5e en laatste pianoconcert. Hij droeg het op aan zijn mecenas, aartshertog Rudolf van Oostenrijk. Mede door hem was Beethoven in staat te blijven wonen en werken in Wenen omdat Rudolf, samen met een aantal andere vermogenden, Beethoven een vast minimaal inkomen garandeerde.
Beethoven was ten tijde van de première al te doof om zelf de solopartij voor zijn rekening te nemen, iets wat hij wel deed bij zijn andere pianoconcerten. Het werk werd in 1811 in Leipzig in het Gewandhaus voor het eerst uitgevoerd met Friedrich Schneider (wie kent hem niet) als solist. De bijnaam “Keizersconcert” heeft Beethoven vermoedelijk niet zelf bedacht. Ook is het de vraag of de bijnaam slaat op Keizer Napoleon Bonaparte of op het keizerlijk karakter van het werk.
Na een eerste accoord door het orkest begint de pianist meteen met een lange inleiding, af en toe onderbroken door een accoord van het orkest. Dit was voor die tijd erg ongebruikelijk. Beethoven had iets dergelijks ook in zijn 4e pianoconcert gedaan, maar daar was de inleiding van de pianist slechts een paar maten. Na de introductie van de piano start een lang orkestgedeelte voordat de solist zich weer meldt. Het eerste deel kent een sonatevorm met een voor die tijd ongebruikelijk lange duur van 20 minuten. Het langzame tweede deel heeft een bijna mijmerende pianosolo met een gedempte orkestbegeleiding. Dat deel gaat naadloos over in een afsluitend spetterend rondo.
De uitvoering is door Alfred Brendel, begeleid door de Wiener Philharmoniker o.l.v. Sir Simon Rattle.