Robert Schumann. Symfonie nr. 1 in Bes, op. 38, Frühlingssinfonie

17-03-2021

Ter ere van de lente die over vier dagen begint heb ik deze week gekozen voor de 1e symfonie van Robert Schumann (1810-1856), bijgenaamd de Frühlingssinfonie (Lentesymfonie). Schumann begon als jonge jongen met piano spelen en componeerde zijn eerste werken toen hij 12 jaar was. Hij ging later studeren bij Friedrich Wieck in Leipzig en woonde ook bij hem in. Wieck had een dochter, Clara, die hij daar ontmoette en waarmee hij in 1840 trouwde. Door een verrekking aan zijn vingers moest hij zijn carrière als pianist opgeven en wijdde hij zich volledig aan het componeren. Zijn vrouw Clara ontwikkelde zich echter tot een begenadigd concertpianiste. Hij bekleedde met wisselend succes diverse posities als dirigent in Dresden en Düsseldorf. De laatste jaren van zijn leven waren tragisch. Hij kreeg last van depressies en angstvisioenen en dat leidde in 1854 tot een poging tot zelfdoding door in de Rijn te springen. Hij werd gered, maar werd daarna opgenomen in een inrichting voor geesteszieken waar hij in 1856 overleed, na twee jaar in totale isolatie te hebben geleefd.

Schumann was een uiterst productieve componist van veel muziek voor piano, strijkkwartetten en –kwintetten, liederen, koorwerken, twee opera’s, solo concerten voor o.a. piano en vier symfonieën.

De Lentesymfonie schreef hij in 1841 in slechts vier dagen. Het werk bestaat uit vier delen, waarbij het tweede en het derde deel naadloos in elkaar overgaan. Het werk dankt zijn bijnaam aan een uitspraak die hij gaf over het ontstaan van de symfonie: “Ich schrieb die Sinfonie, wenn ich sagen darf, in jenem Frühlingsdrang, der den Menschen wohl bis in das höchste Alter hinreißt und in jedem Jahr von neuem überfällt. Schildern, malen wollte ich nicht; dass aber eben die Zeit, in der die Sinfonie entstand, auf ihre Gestaltung, und dass sie grade so geworden, wie sie ist, eingewirkt hat, glaube ich wohl.“ En “Gleich den ersten Trompeteneinsatz, möcht’ ich, daß er wie aus der Höhe klänge, wie ein Ruf zum Erwachen – in das Folgende könnte ich dann hineinlegen, wie es überall zu grüneln anfängt, wohl gar ein Schmetterling aufsteigt, wie nach und nach alles zusammenkommt, was zum Frühling etwa gehört.

Het eerste deel kent een thema dat neergezet wordt door de strijkers en doorgegeven wordt aan de andere instrumentgroepen. Dat snelle thema is voor een fagottist een uitdaging. De Duitse fagottist en componist Julius Weissenborn (1837-1888) heeft daarom in zijn (voor fagottisten in opleiding bijna verplichte) 50 Etuden (Opus 8), de 11e etude uit deel 2 geschreven als voorbereidende oefening voor het thema.

De uitvoering is door de Philharmonie Südwestfalen o.l.v. Gerard Oskamp

De etude van Weissenborn wordt uitgevoerd door Terry Ewell (fragment)