OER13 congres Nottingham

Op 26 en 27 maart werd in Nottingham het OER13 congres gehouden. Deze editie telde 220 deelnemers, waarvan het leeuwendeel uit de UK afkomstig was. Het congres is voor Britse OER-onderzoekers hét congres om aan elkaar onderzoeksresultaten te presenteren en van gedachten te wisselen over allerlei issues.
De organisatie was erg verrast door het grote aantal deelnemers. In 2012 eindigde de financiering van twee grote OER-initiatieven in de UK. Het HEA/JISC OER programma, met meer dan 13M GBP aan subsidie, liep van 2009 tot 2012 en leverde een groot aantal OERs op. SCORE (Support Centre for Open Resources in Education) leverde ondersteuning aan OER-gerelateerde activiteiten, events en services. Dit project eindigde eveneens in 2012.
Waar tegenwoordig over OER gesproken wordt, ontbreekt de aandacht voor MOOC’s niet. Dit congres was daarop geen uitzondering, maar ik vond het wel een verademing dat het niet alle aandacht opslokte van de deelnemers en dat ook steeds is gestreefd naar het beschouwen van een MOOC in het bredere kader van open education in plaats van als een geïsoleerd fenomeen. Over het in december 2012 door de OU-UK gelanceerde MOOC-platform Futurelearn is overigens niet veel meer bekend dan dat er zich momenteel 22 Engelse universiteiten hebben aangesloten bij dit platform. In de wandelgangen vernam ik dat de OU-UK (de initiatiefnemer van dit platform) ernaar streeft de leermaterialen in de MOOC’s die zij via Futurelearn willen aanbieden, onder een open licentie te publiceren. Of dat een voorwaarde wordt voor alle deelnemers en of de andere deelnemers dit ook zullen doen is nog niet bekend.
Dit congres bood een grote diversiteit aan onderwerpen. Een kleine greep:

  • Making OER available on multiple platforms (U-Now, IBook, eBooks),
  • What do teachers need for sharing and creating knowledge about OER?,
  • Learning lessons of innovation from MOOC’s, OER and crowdsourcing environments,
  • New Approaches to Describing and Discovering Open Educational Resources.

Beleidsonderwerpen kwamen met name aan bod in presentaties over resultaten van EU-gefinancierde projecten.
De openingskeynote was van Toni Pearce, de Vice-President van de National Union of Students HE. Ze presenteerde resultaten van een onderzoek dat door hun organisatie is uitgevoerd onder studenten. Enkele resultaten uit dat onderzoek:

  • Studenten gebruiken veelal alleen OER wanneer dit onderdeel van de cursus is of wanneer dit specifiek door de docent wordt aangegeven.
  • Slechts een minderheid van de studenten heeft m.b.v. OER een betere indruk gekregen van de opleiding voordat ze zich aanmeldden.
  • Aanbrengen van digitale vaardigheden in een vroeg stadium vinden ze belangrijk
  • Studenten beschouwen zichzelf niet als de doelgroep van OER, maar zien het veeleer een rol spelen in een leven lang leren traject
  • Ze vragen zich af of aanbod van OER gratis kan blijven.

Ming Nie presenteerde de eerste resultaten van het door de EU gefinancierde POERUP project. POERUP staat voor “Policies for OER Uptake”. Doel is tot aanbevelingen te komen voor hoe overheden de groei in gebruiken van OER kan stimuleren. O.a. de Open Universiteit is partner in dit project. Een eerste tussenresultaat bestaat uit 24 reports waarin initiatieven op nationaal, regionaal en (grotere) instituties beschreven zijn. Van de onderzochte landen en regio’s waren Nederland, USA, Roemenië en Zuid-Afrika de landen met een aanpak op nationaal niveau. Maar landen als Australië, Nieuw-Zeeland, Spanje en Canada zijn ook erg actief, zonder de aanwezigheid van een nationale aanpak.
Op het congres waren er ook diverse workshops voor het Communicate OER project. Dit project heeft tot doel om OER-gerelateerde artikelen in de Wikipedia te schrijven of te actualiseren. In de komende maanden zullen op gezette tijden online sessies worden georganiseerd voor groepen belangstellenden om gezamenlijk een artikel onder de loep te nemen en (indien nodig) te verbeteren. De workshops tijdens dit congres gaf een introductie in het schrijven van Wikipedia artikelen.
Samenvattingen van de meeste congresbijdragen zijn te lezen op de conference blog. Daar zijn ook links naar de slides opgenomen.

Twee OER-onderzoeken

Deze week verscheen een tweetal onderzoeken op het gebied van OER.
Het eerste betreft het proefschrift van TJ Bliss. Hij promoveerde aan de Brigham Young University in Utah, USA op een model voor het bij ontwerp bepalen van de kwaliteit van een (open) digitaal textbook vanuit studentperspectief.
Uit het onderzoek kwamen de volgende kwaliteitskenmerken voor een textbook als belangrijkste naar voren:

  • navigation features
  • access features
  • technical performance
  • relevance
  • interaction features
  • presentation features
  • educational impact
  • sensitivity to diversity

Het bijzondere aan dit proefschrift is het mede in ogenschouw nemen van het digitale aspect, itt veel literatuur over kwaliteit van textbooks. Het onderzoek levert ook een aantal evaluatie-instrumenten op dat bij ontwerp en validatie van textbooks gebruikt kan worden.
Het tweede onderzoek betreft een (draft) paper over motieven om OER te gaan publiceren en de spanningen die daarbij ondervonden worden. Het onderzoek gebruikt het JISC UKOER-programma als object van onderzoek.
Er worden vijf motieven onderscheiden om OER te publiceren:

  • Reputation building,
  • Efficiency/income generation,
  • Open access to knowledge,
  • Enhancing pedagogy
  • Technological momentum.

Daadwerkelijk publiceren van OER wordt met name beïnvloed door “regels” van de instellingen:

  • intellectual property rights (IPR),
  • institutional quality processes,
  • disciplinary ways of working
  • pedagogic cultures
Met name regels rondom correct toepassen van IPR waren vaak op gespannen voet met de motieven die een instelling heeft om OER te publiceren of OER te hergebruiken. Reputatie was een veelgebruikt motief, maar gaf ook veel spanningen. Zo wordt hergebruik van OER van elders door hoge kwaliteitseisen beperkt. Ofwel:
The oft-articulated benefits of OER in terms of institutional showcasing and attracting potential students, which may prove attractive to institutional managers and gain institutional support for OER, place inherent limitations on the development of more open practices which are ultimately founded on a commitment to academic commons.

Wanneer is een OOC een MOOC?

Via Twitter kreeg ik de vraag “Bij welk deelnemersaantal kun je in Nederland eigenlijk van een MOOC spreken?”. Omdat “Massive” een fuzzy begrip is, is daar geen eenduidig antwoord op te geven.
De Engelse Wikipedia geeft als omschrijving van een MOOC “A massive open online course (MOOC) is an online course aiming at large-scale participation and open access via the web” (bold aangebracht door mij). Uit deze omschrijving haal ik dat wanneer de intentie bestaat een online cursus open aan te bieden, niet op voorhand gelimiteerd wat betreft het aantal deelnemers, het een MOOC genoemd kan worden. Maar eind januari startte op EdX de cursus HLS1x: Copyright. De docent hanteerde daar een limiet van 500 deelnemers:

When admitting participants, the course organizers sought to create a group that is diverse along many dimensions, including country of residence, age, occupation, educational background, and gender. Applicants had to be at least 13 years old, have a good grasp of the English language, and be willing to devote eight hours per week to learning and discussing the material.

Wanneer 500 deelnemers niet als “Massive” beschouwd mag worden, zou deze cursus geen MOOC genoemd mogen worden.
Om toch tot een grensgetal te komen de volgende redenering. Honderdduizend deelnemers bij een MOOC betekent nog geen 0,015 promille van de wereldbevolking. “Hoe groot is Massive in Nederland”:

  • 76,7% van de wereldbevolking woont in Europa, Azië en Noord-Amerika (bron).
  • Nederland telt ongeveer 16.8M inwoners (bron)
  • Onder de aanname dat de deelnemers aan een MOOC voornamelijk uit de genoemde continenten komen, komt honderdduizend deelnemers op NL-schaal overeen met 175 deelnemers.

Volgens mij kunnen statistici deze berekening lekschieten. Bijvoorbeeld: wanneer je 10000 deelnemers al Massive noemt zou volgens deze redenering 18 deelnemers op de NL-schaal Massive genoemd kunnen worden. Een dergelijk aantal zal echter niemand willen aanmerken als zodanig.
Ik zou daarom het begrip “Massive” willen relateren aan de beoogde leerprocessen die je als docent wil bereiken. Een xMOOC telt veelal tienduizenden tot meer dan honderdduizend deelnemers. Essentieel daarbij is dat deelnemers met vragen deze onderling kunnen oplossen in een community, want bij dergelijke aantallen is het ondoenlijk voor de docent om met deelnemers te interacteren. Gegeven de 1-9-90 regel die bij communities geldt is een groot aantal deelnemers, dat in cohorten start, dus nodig om dit onderdeel van het leerproces tot stand te kunnen brengen. Deelnemers die op andere wijzen hun vragen beantwoord kunnen krijgen (via vrienden, collega’s of zoeken op internet) zullen dat Massive karakter niet meekrijgen.
Bij een cMOOC is de didactiek er juist op gericht dat lerenden hun eigen leervragen in samenwerking met mede-lerenden beantwoorden, gebruikmakend van een palet aan media (blog, discussieforums, twitter). Ook hierbij is een cohort-aanpak nodig, maar de 1-9-90 regel zal hier niet opgaan: actieve participatie is essentieel om een leerproces op gang te brengen. cMOOC’s hebben veelal 2000-3000 deelnemers. Zeker Massive, maar niet vergelijkbaar met de xMOOC’s.
Voor mij leidt dat tot de conclusie dat, wanneer je een MOOC aanbiedt alleen voor de Nederlandse markt en je de community een rol wil geven in het leerproces, je er bijna niet onderuit komt om een didactiek te kiezen waarbij die community een expliciete plek krijgt in de leerprocessen (bijvoorbeeld door opdrachten te geven waarbij moet worden samengewerkt met mede-lerenden).

Update

Via Twitter reageerde Willem van Valkenburg. Hij hanteert de volgende regel: een OOC is Massive te noemen als het aantal deelnemers meer is dan een docent kan hanteren. Taal/land is dan irrelevant.
Wilfred Rubens wees me op een blogpost van Steven Downes. Hij hanteert bij cMOOC’s een ondergrens van 150 deelnemers, zijnde het Dunbar-getal: het maximum aantal personen waarmee een persoon nog zinnig kan interacteren. Deze omschrijving is vergelijkbaar met die van Willem van Valkenburg.

Ik vind dat een goede praktische regel. Het geeft ook aan dat bij ontwerp van een cursus je je moet afvragen hoe je met dergelijke aantallen wilt omgaan. Dat kan door de keuze van de didactiek (zoals hierboven genoemd) en door de keuze van goede ondersteunende tooling. Hier is te lezen dat het onder andere aan het laatste heeft ontbroken bij de vorige week gecancelde MOOC van Coursera.

OER vraagstukken

De afgelopen dagen reflecteerde ik op de vele artikelen en blogposts waar ik de afgelopen maanden op ben gewezen of die ik zelf ontdekt heb. Het overgrote deel daarvan gingen over Massive Open Online Courses (MOOC’s). Een MOOC is echter slechts één van de verschijningsvormen van een proces “Opening up education” waar ik hier al eerder over blogde. Het grootste onderscheid met Open Educational Resources is daarbij dat de content van een MOOC (in ieder geval die van een xMOOC) niet open is in de zin van vrij bewerkbaar en herbruikbaar onder voorwaarden.
Door alle aandacht voor MOOCs zou je bijna denken dat OER zelf in Nederland al zodanig mainstream is dat er geen aandacht meer voor nodig is. Niets is echter minder waar en in deze blogpost wil ik een aantal nog steeds bestaande vraagstukken over OER bespreken.
Een eerste vraagstuk betreft de kwaliteit van OER. Voor de repositories met open leermateriaal die vanuit het hoger onderwijs in Nederland worden aangeboden (OU, Delft en Leiden) is “men” het er wel over eens dat de kwaliteit van de content erin hoog is. De vraag daarbij is wel wat dan precies onder kwaliteit wordt verstaan. Tevens is het een vraagstuk hoe en waar een docent die op zoek is naar OER om te kunnen hergebruiken moet zoeken en, indien gevonden, hoe dan op een efficiënte en effectieve wijze de toepasbaarheid in de eigen context (een kwaliteitsaspect!) kan worden bepaald. Momenteel verricht ik een studie hiernaar die o.a. de vraagstukken over kwaliteit van OER voor het hoger onderwijs in Nederland in kaart moet brengen. Later dit jaar meer hierover.
Vindbaarheid van OER is een tweede vraagstuk. De meeste docenten en studenten die op zoek zijn naar open leermateriaal zullen Google gebruiken. In de zoekresultaten zullen veelal potentieel geschikte leermaterialen “verstopt” zitten tussen allerlei bronnen die ofwel niet voldoen aan de behoeften van de zoeker ofwel niet open zijn. Er zijn zoekmachines beschikbaar voor zoeken naar OER, maar zelfs ingewijden in OER kennen die zoekmachines niet. Daarbij zijn ze ook veelal beperkt tot zoeken in een gering aantal repositories. Zie bijvoorbeeld de op Google Custom Search gebaseerde zoekmachine bij Wikiwijs, die een 60-tal repositories doorzoekt.
Mede gerelateerd aan het eerstgenoemde vraagstuk van kwaliteit is het feit dat het zoeken naar materiaal waarbij ook door de context bepaalde factoren als didactiek en doelgroep meegenomen kan worden momenteel niet breed ondersteund wordt. Op kleine schaal zijn er wel oplossingen waarbij deze factoren in metadata elementen worden beschreven, maar het is nog geen wereldwijde standaard. De vraag is daarbij ook of metadata daarvoor een oplossing zal zijn: wie gaat al die metadata toevoegen? Ik geloof meer in ontwikkelingen waarbij dergelijke contextinformatie op de een of andere wijze automatisch wordt afgeleid uit bv. gegevens van logbestanden van repositories en koppelingen met gebruiksprofielen van eerdere gebruikers.
Het vraagstuk van businessmodellen voor OER en meer in het bijzonder de verdienmodellen is er ook nog steeds. De aandacht voor businessmodellen is met de recente opkomst van MOOC’s weer actueel geworden. Zelf aanbieden van MOOC’s of inzetten voor eigen onderwijs? Maar ook: levert hergebruik van OER bewezen voordeel op? Welke extra inkomsten kunnen de gederfde kosten van aanbieden van vrij beschikbaar materiaal compenseren? Is het alleen duurzaam te krijgen met overheidssubsidies of zijn er ook andere vormen van financiering mogelijk? Nauw gerelateerd aan dit vraagstuk is ook het ter beschikking krijgen van door data ondersteunde bewijzen van claims die aan OER worden toegeschreven zoals hogere kwaliteit leermaterialen en efficiëntere productie. De Evidence Hub van OLNet is een mooie aanpak hiervoor.
Een vierde en wellicht het grootste vraagstuk is dat van de human factors rondom gebruik en delen van open leermaterialen en, breder, gebruik van digitale leermaterialen. Ik leer hier veel over van mijn collega’s bij de Open Universiteit Karel Kreijns, Marjan Vermeulen, Frederick Van Acker en Hans van Buuren. Ze willen inzicht krijgen in wat docenten beweegt digitale leermaterialen te maken, delen en gebruiken, de door hen uitgesproken intentie hiervoor en het daadwerkelijk gedrag hierin. Hierbij gebruiken ze het Integrative Model of Behavior Prediction (IMBP) van Fishbein. De eerste resultaten van hun onderzoek leert dat er een waarneembaar verschil is tussen de uitgesproken intentie en het werkelijk gedrag. Deze resultaten zijn gepubliceerd in Pedagogische Studiën (oktober 2012) en Computers in Human Behavior (januari 2013). Paul Kirschner heeft een mooi commentaar op die eerste resultaten gegeven. Hun vervolgonderzoek moet onder meer zicht geven op welke variabelen dat verschil nu kunnen verklaren.
Misschien tijd voor een OER onderzoeksagenda?

MOOC en de NRC

Afgelopen zaterdag stond er in de Opinie & Debat bijlage van de NRC een artikel van prof. José van Dijck (UvA) getiteld “Dat gratis online Harvard komt ook hier concurreren“. Door diverse personen is er al over geblogd, zoals Ria Jacobi (HvA) en Marco Derksen.
In het artikel werd de opkomst van de MOOCs geschetst, met name die van Udacity, Coursera en EdX. Onder andere werd gewezen op het gebruik (potentieel misbruik?) van de enorme hoeveelheden data die deze systemen over lerenden verzamelen en de mogelijkheid dat deze vormen van online leren binnenkort omgeven zouden worden door reclameboodschappen. Het Nederlandse hoger onderwijs zou op deze ontwikkelingen moeten reageren, bijvoorbeeld:

“Nederland zou voorop kunnen lopen in manieren om online educatieve middelen in het publieke domein beschikbaar te maken en te houden, om zinvolle elementen in te zetten in onderwijspraktijken en uit te vinden wat werkt en wat niet. Dat is een heel andere missie dan de goldrush van Udacity en Coursera of de zoektocht naar diamantjes in datamijnen, zoals EdX voorstaat. Als we niet willen dat studenten voor onderwijs gaan betalen door de ontvangst van commerciële boodschappen of door het vrijgeven van hun persoonlijke data, moeten we manieren vinden om online educatie in te passen in de publieke sector. “

Fred Mulder, Ben Janssen en ondergetekende hebben een reactie op dit artikel geschreven en deze naar de NRC gestuurd. Van de NRC ontvingen we zojuist bericht dat ze die helaas niet konden plaatsen. Daarom op deze plek onze reactie.
———————-
2012 wordt al het jaar van de Massive Open Online Courses (MOOCs) genoemd vanwege de onstuitbare opmars van deze gratis online cursussen. Het feit dat ze primair afkomstig waren van de Ivy League universiteiten maakte de aandacht ervoor des te groter. Terecht dat José van Dijck hier een punt van maakt. Maar er is veel meer gaande dan zij signaleert …
1 De MOOCs zijn een speciale tak in de grotere familie van het creëren van meer openheid in het onderwijs. Open universiteiten zijn al lang belangrijke spelers in deze wereld van Open Education, maar in 2001 kwam er een digitale revolutie langszij toen MIT startte met het open (online) publiceren van haar digitaal beschikbare cursussen. We spreken van OpenCourseWare (OCW) of Open Educational Resources (OER), in Nederland open leermaterialen genoemd. Dit heeft geleid tot een krachtige wereldwijde OER-beweging. In ons land werden de eerste open leermaterialen in 2006 door de Open Universiteit gepubliceerd, in 2007 gevolgd door de TU Delft en in 2010 door de Universiteit Leiden.
2 Toenmalig minister van onderwijs Ronald Plasterk lanceerde eind 2008 een nationaal programma Wikiwijs met als doel het gebruik van open leermaterialen in alle onderwijssectoren leidend te laten worden. Daarmee was Nederland het eerste land ter wereld dat de relevantie van OER voor het onderwijs in het publieke domein vertaalde in een nationale aanpak. De veronderstelling daarbij is dat open leermaterialen bijdragen aan een betere invulling van de verantwoordelijkheid van de overheid, namelijk het bevorderen en garanderen van de toegankelijkheid, de kwaliteit en de doelmatigheid van het onderwijs.
3 Belangrijke internationale organisaties hebben, de een na de ander, de enorme potentie van OER erkend, verwoord in rapporten en omgezet in actie. Om te beginnen UNESCO vanaf 2002, de OECD vanaf 2007, en meer recent de Europese Unie. Deze week (9-11 december) is er een conferentie van de ministers van Onderwijs van de EU-landen in Oslo met als thema ‘Opening up education through technologies’, als finale in de voorbereiding op een omvangrijk en ambitieus Europees initiatief in 2013. Dit bestrijkt alle onderwijs maar wordt primair ingestoken vanuit het publieke domein. En natuurlijk krijgen MOOCs daar hun eigen plek in.
4 Terug dan naar de MOOCs … In de Open Education en OER wereld is er de nodige kritiek op de MOOCs. Ze zijn niet écht ‘open’, want niet beschikbaar voor hergebruik, aanpassing of verdere verspreiding. Ze zijn veelal gebaseerd op een video-duplicering van het traditionele ‘hoorcollegemodel’, waar kennisoverdracht van de docent centraal staat in plaats van het leerproces van de student of leerling. En het is bekend dat de reputatie van de Amerikaanse elite universiteiten niet zozeer is verworven op hun onderwijskwaliteit maar veel meer vanwege hun excellente onderzoek. Wij delen die kritiek grotendeels maar zien de MOOCs als een belangrijke change agent in een proces dat nog maar een jaar op gang is. Er valt nog veel te verwachten en dan is het maar beter dat je ‘meespeelt in het spel’. In die zin zijn we het van harte eens met José van Dijck.
5 Maar, zoals hiervoor betoogd, de ontwikkeling is veel breder en loopt al langer en het is verstandig om MOOCs in dat perspectief te plaatsen. Dan zien we niet alleen bedreigingen, zoals de in het artikel genoemde vercommercialisering van het onderwijs of misbruik van verzamelde data, maar ook kansen. In het voorjaar van 2012 is door de Open Universiteit, in opdracht van SURF en Wikiwijs, een onderzoek gedaan naar de stand van zaken met betrekking tot visie en beleid op open leermaterialen bij instellingen van hoger onderwijs in Nederland. Dit onderzoek leert dat er nog veel te winnen is als we in staat zijn om genoemde andere dominante prioriteiten, zoals hoe om te gaan met de bezuinigingen en het opstellen van prestatieafspraken met het ministerie, te flankeren met het adopteren van de nieuwe mogelijkheden die OER en MOOCs bieden. En het is prima dat de opkomst van MOOCs ons allen prikkelt om in beweging te komen in het opener maken van ons onderwijs, zowel in de publieke sector als in het private domein!

Dé Onderwijsdagen 2012

Van 13 t/m 15 november werden in Rotterdam de jaarlijkse Onderwijsdagen gehouden, georganiseerd door SURF en Kennisnet. Dit jaar was afwijkend van de voorgaande jaren, zowel qua plaats (was Utrecht) als qua organisatie (HBO en WO op 13 en 14 november, PO, VO en MBO op 15 november).
De Open Universiteit was vertegenwoordigd door Wilfred Rubens, Jaap Walhout en ondergetekende. Jaap moest helaas afzeggen vanwege ziekte. Wilfred was actief als blogger en gaf ook een tweetal presentaties, waaronder eentje samen met Willem van Valkenburg (TU Delft) en Marja Verstelle (RU Leiden) over “Zes jaar Open Courseware in Nederland”.
Zelf gaf ik twee presentaties. Eén presentatie ging over Wikiwijs en kansen voor het hoger onderwijs. Raymond Snijders heeft hier een verslag over geschreven. De andere presentatie ging over MOOC’s. Hierin gaf ik een overzicht van de ontwikkelingen van dit jaar en de vraagstukken die dit oplevert voor instellingen voor hoger onderwijs in Nederland.
De twee dagen werden afgesloten met een keynote van André Kuijpers. Hij slaagde erin de toehoorders 1,5 uur ademloos te laten luisteren naar zijn verhaal over zijn ruimteverblijf en te kijken naar prachtige foto’s en beelden die vanuit het ruimtestation van de aarde zijn gemaakt. Eén grote reclame voor wetenschap en techniek. Of, zoals hij opmerkte “als ik door deze verhalen 1% van de jeugd weet te interesseren voor techniek heb je de kosten van de vlucht er al uit”.
De slides van mijn presentaties:
Wikiwijs en kansen voor hoger onderwijs
MOOC’s: trends en kansen voor het hoger onderwijs
De opnamen van de presentaties:
MOOC’s:

Wikiwijs:

OER: over boomklevers en pragmatici

De afgelopen dagen was ik in Vancouver aanwezig bij de jaarlijkse Open Education Conference. Ik bezoek dat congres nu vanaf 2007 en heb het qua inhoud en opzet zien veranderen. Aanvankelijk was het een bijeenkomst waar ervaringen werden uitgewisseld over OER projecten (die veelal in de startfase zaten) en ook al presentaties over voorzichtige pogingen met OER onderwijsvernieuwingen door te voeren. De congresdeelnemers kenden elkaar goed.
Dit jaar viel het me op dat er veel nieuwelingen waren die besloten hadden met OER te gaan starten en die bij het congres hoopten te leren hoe ze dat konden aanpakken. Uiteraard werd in presentaties ook over MOOCs gepraat (ik heb er samen met Fred Mulder ook een presentatie over gegeven). Opvallend daarbij vond ik hoe geringschattend, ja zelfs af en toe neerbuigend, over deze ontwikkeling gepraat werd in presentaties. Ja, het klopt: zeker de MOOCs die nu zo in de belangstelling staan (van de Ivy League universiteiten, via de platforms Coursera, Udacity of EdX) zijn gebaseerd op een traditioneel onderwijsmodel en zijn daarom vanuit didactisch oogpunt niet vernieuwend (hoewel ik het op basis van zo’n model bereiken van tienduizenden lerenden die in een beperkte tijd een cursus online doen een prestatie vind), de content zelf is niet open in de betekenis van “open voor aanpassing en hergebruik”. Maar door de MOOCs is er in grote kring, ook buiten het onderwijs, veel bewustzijn ontstaan over de mogelijkheden die het internet hier kan bieden. Dat is ook een vorm van innovatie die een dergelijke neerbuigende houding niet verdient.
Hester Jelgerhuis van SURF, ook aanwezig op het congres, kwam in gesprek met een vertegenwoordiger van de Universiteit van Texas, nieuw in deze wereld en hopend antwoorden te krijgen op hele praktische vragen als “we willen iets met OER. Hoe pak ik dat nu aan? Waar moet ik beginnen? Waar moet ik op letten?”. Hij was teleurgesteld in wat hij te horen kreeg in de presentaties. Geen antwoorden op zijn vragen, wel standpunten over wat wel en niet open genoemd mag worden. Hij maakte een treffende vergelijking met ontwikkelingen op het gebied van duurzaamheid. Duurzaamheid is, net als OER, ook een onderwerp waarvan ieder weldenkend mens zal vinden: daar kun je niet tegen zijn. In die wereld zijn twee typen te onderscheiden. Het ene type is recht in de leer. Ze voeren actie om bewustzijn te kweken voor dit onderwerp en bij tijd en wijle gaan ze verder en ketenen ze zich bijvoorbeeld vast aan bomen die omgehakt dreigen te worden of gaan voor treinen liggen die kernafval vervoeren. Dat zijn de “boomklevers”. Het andere type zoekt naar praktische oplossingen om een eigen bijdrage te kunnen leveren. Ze plaatsen zonnepanelen, kiezen voor milieuvriendelijker vormen van vervoer (maar vliegen ook naar de overkant van de wereld als dat nodig is) en doen bewuster hun boodschappen. Dat zijn de pragmatici.
Beide typen zijn nodig om een beweging verder te brengen. Maar heeft de OER-wereld nu niet veel meer de pragmatische typen nodig? En is het, om uiteindelijk een ideale open wereld te kunnen bereiken (whatever that may be), dan ook niet nodig om iets minder recht in de leer te zijn waar het gaat om aanbieden van open leermaterialen? De opdracht aan de open wereld is deze pragmatische aanpakken te ontwikkelen en bij beoordeling ervan wat minder streng in de leer te zijn. Tom Caswell van Western Govern University formuleerde dit als “we should be more open about open“. Naar mijn mening zal dan echt voortgang gemaakt worden bij het bereiken van een wereld waarin openheid van educatie een default is geworden.
In deze ontwikkeling kunnen we misschien wel leren van de duurzaamheidsbeweging. Kijk dertig jaar terug in de tijd en bedenk welke ontwikkelingen er zich sindsdien hebben voorgedaan op dat terrein. Eén leerpunt is al snel gemaakt: deze ontwikkelingen hebben die tijd nodig.
Boomklevers of pragmatici: zeg het maar!

MOOC en businessmodellen

Op 17 juli publiceerde de New York Times een artikel waarin werd aangekondigd dat 14 universiteiten zich bij het bedrijf Coursera hadden aangesloten om Massive Open Online Courses (MOOC) aan te bieden. Het aantal beschikbare cursussen steeg daardoor naar meer dan 100. Twee van de aangesloten universiteiten komen uit Europa, de University of Edinburgh en EPF Lausanne, een technische universiteit. Evenals de aankondiging van de samenwerking tussen MIT en Harcard in EDx een maand eerder leidde deze publicatie ook weer tot veel reacties. Enkele van die reacties geven inzicht in de businessmodellen die achter deze MOOCs schuil gaan en de drijfveren van universiteiten om zich hierbij aan te sluiten.

Business modellen

The Chronicle of Higher Education publiceerde details over contracten die de universiteiten met Coursera hebben afgesloten. In het artikel wordt de vraag gesteld hoe Coursera en de deelnemende universiteiten geld kunnen verdienen aan iets wat gratis wordt aangeboden. Uit dat artikel blijkt dat nog veel onduidelijk is. Ofwel: “Coursera is following an approach popular among Silicon Valley start-ups: Build fast and worry about money later.”. In het contract staan 8 mogelijke verdienopties genoemd:

  • Certificering aanbieden tegen betaling
  • Assessments in een gecontroleerde omgeving aanbieden
  • Queries kunnen uitvoeren op studentgegevens, bijvoorbeeld voor recruiting. Dit moet wel de toestemming hebben van studenten
  • Screening van werknemers of toekomstige studenten op geleverde prestaties, bijvoorbeeld wanneer er vrijstellingen worden gevraagd
  • Tutoring of niet-automatische beoordelingen mogelijk maken
  • Corporate/University enterprise model. Hierbij worden contracten met bedrijven afgesloten waardoor werknemers op een enterprise-versie van het platform terecht kunnen met meer mogelijkheden (zoals het kunnen volgen van de vorderingen van werknemers en kunnen aanpassen van de content met bv. eigen bedrijfscases). Dit zou ook kunnen met bv. community colleges, waardoor studenten van community colleges aangepaste versies van de cursussen kunnen gebruiken.
  • Mogelijk maken van sponsors bij cursussen, inclusief afbeelding van logo’s van sponsoren
  • Delen van cursussen alleen tegen betaling aanbieden.

Motiveringen

In het artikel No such thing as a free MOOC geeft Jeff Haywood van de University of Edinburgh enkele redenen waarom ze besloten hebben zich aan te sluiten bij Coursera. Enkele van de overwegingen:

  • Ze zijn al bezig met een open aanbod en een MOOC past in hun denken
  • Door aan te sluiten hoeven ze hun energie niet meer te steken in ontwikkelen van een platform maar kunnen ze zich concentreren op de pedagogiek en cursusontwerp
  • Vooralsnog zullen ze zich concentreren op cursussen op het eerste jaar en een omvang van 5 weken
  • Inkomsten zullen komen uit betaalde certificering. Maar ze merken ook op ” On the other hand, no knowledge is free and as we wish to explore this space, we feel the return will be worthwhile to us, and to those who take our MOOCs.”. Dus een beetje een sprong in het diepe lijkt het wel te zijn.
  • En toch ook wat idealisme: “enabling those in less privileged HE settings to access courses in subjects that they cannot take, individuals with weak formal qualifications who might demonstrate competences at advanced levels as part of portfolios for recognition of prior learning.”

Op dit artikel is een reactie geschreven waarin vraagtekens worden gezet bij de duurzaamheid en business modellen van een MOOC. De boodschap: “But because they (MOOCs, Robert) are unlikely to incorporate a high level of learner support and rigorous assessment, they will not be appropriate for all students in all contexts. They may used to provide a ‘taster’ as a marketing exercise, but this involves applying a business model which may not be appropriate. It’s essential to find a model of resourcing their development and delivery which is sustainable and which enhances rather than undermines the institution’s existing programmes.”

En Nederland?

Op de Linkedin groep van de Special Interest Group OER van SURF ontstond een discussie naar aanleiding van het artikel, waarbij ook meningen werden gegeven over wat universiteiten in Nederland nu zouden kunnen doen met deze ontwikkeling. Daarbij gaat het om de vraag of universiteiten MOOCs zouden moeten aanbieden of dat er andere mogelijkheden zijn om er “iets” mee te doen. Ik heb hier onder andere de volgende (deels gemodificeerde) reactie gegeven:
De benefits voor de US zijn met name dat de colleges van door hoge tuition fees ontoegankelijke topuniversiteiten nu voor US studenten toegankelijk worden. Deze situatie is onvergelijkbaar met die bij ons, waar universiteiten (nog?) steeds voor iedereen die wil studeren toegankelijk zijn. Wat zouden dan benefits zijn voor universiteiten in Nederland om een MOOC te starten? Zouden ze dit wel moeten doen of zouden ze alleen moeten aanhaken aan US-MOOCs en daar diensten rond omheen aanbieden? Universiteiten doen er goed aan zich op deze vragen te bezinnen. Het zou bijvoorbeeld in deze tijden van bezuinigingen al een efficiencyslag kunnen zijn wanneer goede colleges die middels deze MOOCs worden aangeboden in plaats komen van zelf te ontwikkelen materiaal en alleen vragenuurtjes georganiseerd worden en tentamens erover worden afgenomen.
Timo Kos (Cap Gemini) is nieuwsgierig naar antwoorden op de volgende vragen:
In hoeverre gaat dit de internationale markt voor hoger onderwijs beïnvloeden? Wat is het effect van dit online aanbod op de keuzes van internationale studenten, die met name in de masterfase steeds belangrijker worden als je als universiteit wilt groeien en toponderzoekers aan je wilt verbinden? Wat als de top universiteiten via deze weg nog meer talenten weten te werven uit hun databases met de examenresultaten van miljoenen studenten?
Voor (research) universiteiten die een ambitie hebben om wereldwijd met de top mee te doen en een top 50 (of zelfs top 10) speler willen zijn (of blijven) in het internationale hoger onderwijs is de hamvraag of ze zich kunnen veroorloven om deze ontwikkeling aan zich voorbij te laten gaan. Vroeg instappen geeft nog een kans om dit type onderwijs onder de knie te krijgen en ervaring op te doen met grote aantallen online studenten. Nu niet meedoen kan wel eens betekenen dat de voorsprong van de ‘early adaptors’ straks zo groot is dat deze niet – of alleen tegen heel hoge kosten – kan worden ingehaald.”
Gelden deze vragen ook voor universiteiten in Nederland die voor het grootste deel lokaal werven? Zouden ze zich veel meer op leven lang lerenden moeten richten dan op aankomende studenten? Ligt de sleutel voor haalbaarheid in de kunst/kunde om met relatief weinig middelen online leermateriaal voor reguliere cursussen om te vormen tot open online leermateriaal? Of zou er veel meer moeten worden samengewerkt om dit mogelijk te maken? En welke voordelen levert dat dan op behalve wellicht de eerder genoemde efficiencyvoordelen?
Mij lijkt dat het nauw volgen van deze ontwikkelingen en kijken welke lessen geleerd kunnen worden parallel moet lopen met aandacht van bestuurders van universiteiten voor de kansen en de bedreigingen van deze ontwikkeling.

Ervaringen met een MOOC, the sequel

Eerder heb ik een post geschreven over een Massive Open Online Course (MOOC) Cryptography van Coursera waaraan ik deelnam. Inmiddels is de MOOC beëindigd. In deze post beschrijf ik mijn verdere ervaringen, de zaken die mij zijn opgevallen en ontwikkelingen die zich in de tussentijd op het gebied van MOOCs hebben afgespeeld.

Ervaringen

De MOOC duurde twaalf weken. In die tijd werden iedere twee weken een nieuwe set video lectures, slides en een set opgaven geplaatst. Je had steeds twee weken de tijd om de opgaven te maken en te versturen. Totaal dus 6 “colleges” + een afsluitend examen.
Bij de cursus was ook een forum beschikbaar (qua opzet vergelijkbaar met een php-forum). Als ik problemen had met een opgave waren de vragen en hints die door medestudenten gegeven werden in dat forum waardevol. Opvallend daarbij vond ik dat nergens de juiste antwoorden gegeven werden, maar dat het ook bij hints bleef. Men was zich blijkbaar bewust van de belofte “fair” te handelen die bij inschrijving gedaan moest worden. De professor die verantwoordelijk was voor de cursus was ook aanwezig en bij tijd en wijle antwoordde hij ook (boornamelijk vragen die gingen over voortgang of wijze van tentamineren). Ook verschenen al snel allerlei berichten over lokale studiegroepen die zich wereldwijd hadden gevormd, waarbij studenten IRL bij elkaar kwamen om de stof gezamenlijk te bestuderen. Het forum bevatte ook meer luchtige onderwerpen zoals een thread waarin de “catch phrases” van de docent werden verzameld en een oproep een T-shirt te gaan ontwerpen voor de deelnemers aan deze MOOC.
De video lectures waren opgeknipt in stukken van 10-20 minuten (enkele iets langer tot 25 minuten). Ieder fragment bevatte een kop en een staart, waarbij begonnen werd met een samenvatting van de voor die video relevante theorie. Dit geheel gaf een goed overzicht over de te leren stof en maakte het ook behapbaar om het qua planning te verdelen over de beschikbare tijd van twee weken.
Uiteindelijk kostte het me ongeveer 10 uur per college om de stof te bestuderen en de opgaven te maken. Het afsluitende examen kostte me nog eens een kleine 3 uur.
Het materiaal voor de laatste collegeweek en het examen liet lang op zich wachten. In het forum werd daar geen directe verklaring voor gegeven, maar het leek er op dat met de collegereeks begonnen werd voordat al het materiaal al gereed was.
Hoewel de cursus open is, is het gebruikte materiaal dat niet. In de Terms of Use van Coursera staat hierover het volgende:

You may download material from the Sites only for your own personal, non-commercial use. You may not otherwise copy, reproduce, retransmit, distribute, publish, commercially exploit or otherwise transfer any material, nor may you modify or create derivatives works of the material.

Van open materiaal zou je verwachten dat aanpassing, mixen met ander materiaal, verspreiding en hergebruik toegestaan is. EdX (zie verderop) heeft wel de intentie hun materiaal onder een open licentie aan te bieden.

Ontwikkelingen

Gedurende de tijd dat het college liep waren er veel ontwikkelingen op het terrein van MOOC. De lancering van EdX (een samenwerking tussen MIT en Harvard) eind april trok de meeste aandacht. Er is inmiddels veel over MOOCs en de snelle ontwikkeling gepubliceerd in tijdschrijften en blogs. Enkele punten uit die publicaties:

  • Kritiek op de klassieke samenwerkondersteuning zoals een forum.
  • Een voorstel MOOC alleen te reserveren voor connectivist learning en anders MOC te gebruiken (Massive Online Courses). Ik vind dat zelf wat vergezocht: “open” zou dan ook iets zeggen over de didactische vorm van een MOOC (alleen connectivistisch leren zou dan open mogen worden genoemd). Voor mij werkte de gebruikte didactiek (een kopie van een “klassiek” college) goed, maar dat zal wel met mijn leervoorkeur te maken hebben.
  • Ivy League universiteiten kunnen hun courses weggeven, omdat het daar gaat om branding en “erbij horen”. Aangenomen worden op zo’n universiteit is een bijna nodige voorwaarde om een goedbetaalde baan na afloop van de studie te krijgen via hun netwerk van alumni. Dat is de werkelijke toegevoegde waarde van hen en daar hebben studenten veel geld voor over. Dat werpt wel de vraag op of Ivy League universiteiten de enige zijn die dit dan zouden kunnen. Zeker is wel dat iedere universiteit zal moeten nadenken over hoe om te gaan met deze ontwikkeling en wat dit voor hen zou kunnen betekenen (zowel in kansen als in bedreigingen).

De survey die aan het einde van de cursus werd afgenomen geeft wellicht enig inzicht in beweegredenen die Stanford heeft om dit aan te bieden:
Which of the following best describes your reasons for enrolling in the course? (Select your top 3 reasons)
– Preview the course before enrolling for university credit
– Faculty reputation
– It is free
– Sharpen my job skills
– I am interested in the topic
– Enhance my resume for career or college advancement
– Augment another course I am taking at the same time (!!)
– Stanford University’s reputation
– My employer suggested this course to me
– Explore a new subject area for possible career change
– This course is more suitable than the one offered by my college (!!)
(De !! zijn mijn toevoegingen).
Opvallend vond ik dat in het forum van de cursus een voorstel werd gedaan door enkele studenten om deelnemers een klein bedrag ($10) te laten storten en daarvan een cadeau voor de docent aan te schaffen als dank. Op dit moment is niet duidelijk of dit initiatief ook echt uitgevoerd wordt en wat dat voor resultaat zal hebben aan bijval.

Tenslotte

Wat betreft het vak: de hack die onlangs bij  LinkedIn plaatsvond is uitgebreid in het nieuws gekomen (zie hier bijvoorbeeld). In de cursus werd als illustratie al gewaarschuwd voor de kwetsbaarheid van de gebruikte hashfunctie (SHA 1) zonder salt (zonder dat daar LinkedIn werd genoemd). Ongetwijfeld zal deze casus in nieuwere versies van deze cursus opgenomen worden. Want dat vond ik ook aantrekkelijk aan dit vak. Het bleef niet bij droge theorie, maar het geheel werd rijk geïllustreerd met real-life casussen, waarbij zwakheden van bestaande beveiligingen (zoals het WEP-protocol voor draadloze netwerken) werden getoond en de wijze waarop die zwakheden werden ontdekt.
Ik heb uiteindelijk mijn certificaat gehaald met een 7,5 voor het examen en 7,6 voor de huiswerkopgaven. Ik ga in het najaar zeker de vervolgcursus doen, want zaken als digitale handtekeningen en certificaten zijn nog niet aan bod gekomen.

DWDD University

Op Hemelvaart vond bij “De Wereld Draait Door” het eerste open college plaats. Even afgezien van eerdere optredens van Walter Lewin (als onderdeel van een reguliere uitzending) was dit college geplaatst in een spin-off van DWDD, de DWDD University. Robbert Dijkgraaf beet de spits af in een college van 45 minuten over de Oerknal. Kijkers konden via twitter vragen stellen en na afloop van de reguliere uitzending werd het geheel nog online voortgezet met het beantwoorden van enkele van de vragen.
Robbert Dijkgraaf slaagde erin de complexe materie aanschouwelijk en aanstekelijk uit te leggen zonder één formule te gebruiken (behalve Einsteins E=mc2, maar die formule speelde in het verhaal geen wezenlijke rol). Hem stonden ook allerlei maquettes ter beschikking en ter verluchtende ondersteuning werden video’s gebruikt uit andere programma’s (zoals uit de Big Bang Theory om het Doppler-effect te verduidelijken). De dag na de uitzending werd op de site van de VARA nog een tentamen geplaatst waarmee kijkers konden nagaan of ze het geheel begrepen hadden.
Dit initiatief past in een trend waarbij colleges steeds vaker open worden aangeboden. Ik schreef hier al eerder over in mijn eerste ervaringen met een MOOC van Stanford. Zoals het nu gepresenteerd werd was het één grote reclame voor de wetenschap en gegeven de complexe materie past grote waardering voor de wijze waarop Robbert Dijkgraaf het aanpakte. Uiteraard bleven heel veel vragen over, zoals ook wel bleek uit de reacties via Twitter. Daar zou het reguliere onderwijs op in kunnen springen door de opname van de uitzending te mixen met bronnen waar dieper op de materie kan worden ingegaan. Bij de bij ons beschikbare open cursussen is iets dergelijks al eens gedaan, zowel rondom een TV-serie Nederland in Beeld (in 2008) als bij het boek Een kleine geschiedenis van bijna alles van Bill Bryson. Naast deze toepassingsmogelijkheid ligt de waarde van deze colleges voor mij vooral in het aandacht geven aan de schoonheid van de wetenschap. Dat dat in deze uitzending zeker gelukt is bewees een tweet van een 11-jarige jongen die aangaf het bijna begrepen te hebben maar het zo interessant te vinden dat hij natuurkundige wil worden.