MOOC en businessmodellen

Op 17 juli publiceerde de New York Times een artikel waarin werd aangekondigd dat 14 universiteiten zich bij het bedrijf Coursera hadden aangesloten om Massive Open Online Courses (MOOC) aan te bieden. Het aantal beschikbare cursussen steeg daardoor naar meer dan 100. Twee van de aangesloten universiteiten komen uit Europa, de University of Edinburgh en EPF Lausanne, een technische universiteit. Evenals de aankondiging van de samenwerking tussen MIT en Harcard in EDx een maand eerder leidde deze publicatie ook weer tot veel reacties. Enkele van die reacties geven inzicht in de businessmodellen die achter deze MOOCs schuil gaan en de drijfveren van universiteiten om zich hierbij aan te sluiten.

Business modellen

The Chronicle of Higher Education publiceerde details over contracten die de universiteiten met Coursera hebben afgesloten. In het artikel wordt de vraag gesteld hoe Coursera en de deelnemende universiteiten geld kunnen verdienen aan iets wat gratis wordt aangeboden. Uit dat artikel blijkt dat nog veel onduidelijk is. Ofwel: “Coursera is following an approach popular among Silicon Valley start-ups: Build fast and worry about money later.”. In het contract staan 8 mogelijke verdienopties genoemd:

  • Certificering aanbieden tegen betaling
  • Assessments in een gecontroleerde omgeving aanbieden
  • Queries kunnen uitvoeren op studentgegevens, bijvoorbeeld voor recruiting. Dit moet wel de toestemming hebben van studenten
  • Screening van werknemers of toekomstige studenten op geleverde prestaties, bijvoorbeeld wanneer er vrijstellingen worden gevraagd
  • Tutoring of niet-automatische beoordelingen mogelijk maken
  • Corporate/University enterprise model. Hierbij worden contracten met bedrijven afgesloten waardoor werknemers op een enterprise-versie van het platform terecht kunnen met meer mogelijkheden (zoals het kunnen volgen van de vorderingen van werknemers en kunnen aanpassen van de content met bv. eigen bedrijfscases). Dit zou ook kunnen met bv. community colleges, waardoor studenten van community colleges aangepaste versies van de cursussen kunnen gebruiken.
  • Mogelijk maken van sponsors bij cursussen, inclusief afbeelding van logo’s van sponsoren
  • Delen van cursussen alleen tegen betaling aanbieden.

Motiveringen

In het artikel No such thing as a free MOOC geeft Jeff Haywood van de University of Edinburgh enkele redenen waarom ze besloten hebben zich aan te sluiten bij Coursera. Enkele van de overwegingen:

  • Ze zijn al bezig met een open aanbod en een MOOC past in hun denken
  • Door aan te sluiten hoeven ze hun energie niet meer te steken in ontwikkelen van een platform maar kunnen ze zich concentreren op de pedagogiek en cursusontwerp
  • Vooralsnog zullen ze zich concentreren op cursussen op het eerste jaar en een omvang van 5 weken
  • Inkomsten zullen komen uit betaalde certificering. Maar ze merken ook op ” On the other hand, no knowledge is free and as we wish to explore this space, we feel the return will be worthwhile to us, and to those who take our MOOCs.”. Dus een beetje een sprong in het diepe lijkt het wel te zijn.
  • En toch ook wat idealisme: “enabling those in less privileged HE settings to access courses in subjects that they cannot take, individuals with weak formal qualifications who might demonstrate competences at advanced levels as part of portfolios for recognition of prior learning.”

Op dit artikel is een reactie geschreven waarin vraagtekens worden gezet bij de duurzaamheid en business modellen van een MOOC. De boodschap: “But because they (MOOCs, Robert) are unlikely to incorporate a high level of learner support and rigorous assessment, they will not be appropriate for all students in all contexts. They may used to provide a ‘taster’ as a marketing exercise, but this involves applying a business model which may not be appropriate. It’s essential to find a model of resourcing their development and delivery which is sustainable and which enhances rather than undermines the institution’s existing programmes.”

En Nederland?

Op de Linkedin groep van de Special Interest Group OER van SURF ontstond een discussie naar aanleiding van het artikel, waarbij ook meningen werden gegeven over wat universiteiten in Nederland nu zouden kunnen doen met deze ontwikkeling. Daarbij gaat het om de vraag of universiteiten MOOCs zouden moeten aanbieden of dat er andere mogelijkheden zijn om er “iets” mee te doen. Ik heb hier onder andere de volgende (deels gemodificeerde) reactie gegeven:
De benefits voor de US zijn met name dat de colleges van door hoge tuition fees ontoegankelijke topuniversiteiten nu voor US studenten toegankelijk worden. Deze situatie is onvergelijkbaar met die bij ons, waar universiteiten (nog?) steeds voor iedereen die wil studeren toegankelijk zijn. Wat zouden dan benefits zijn voor universiteiten in Nederland om een MOOC te starten? Zouden ze dit wel moeten doen of zouden ze alleen moeten aanhaken aan US-MOOCs en daar diensten rond omheen aanbieden? Universiteiten doen er goed aan zich op deze vragen te bezinnen. Het zou bijvoorbeeld in deze tijden van bezuinigingen al een efficiencyslag kunnen zijn wanneer goede colleges die middels deze MOOCs worden aangeboden in plaats komen van zelf te ontwikkelen materiaal en alleen vragenuurtjes georganiseerd worden en tentamens erover worden afgenomen.
Timo Kos (Cap Gemini) is nieuwsgierig naar antwoorden op de volgende vragen:
In hoeverre gaat dit de internationale markt voor hoger onderwijs beïnvloeden? Wat is het effect van dit online aanbod op de keuzes van internationale studenten, die met name in de masterfase steeds belangrijker worden als je als universiteit wilt groeien en toponderzoekers aan je wilt verbinden? Wat als de top universiteiten via deze weg nog meer talenten weten te werven uit hun databases met de examenresultaten van miljoenen studenten?
Voor (research) universiteiten die een ambitie hebben om wereldwijd met de top mee te doen en een top 50 (of zelfs top 10) speler willen zijn (of blijven) in het internationale hoger onderwijs is de hamvraag of ze zich kunnen veroorloven om deze ontwikkeling aan zich voorbij te laten gaan. Vroeg instappen geeft nog een kans om dit type onderwijs onder de knie te krijgen en ervaring op te doen met grote aantallen online studenten. Nu niet meedoen kan wel eens betekenen dat de voorsprong van de ‘early adaptors’ straks zo groot is dat deze niet – of alleen tegen heel hoge kosten – kan worden ingehaald.”
Gelden deze vragen ook voor universiteiten in Nederland die voor het grootste deel lokaal werven? Zouden ze zich veel meer op leven lang lerenden moeten richten dan op aankomende studenten? Ligt de sleutel voor haalbaarheid in de kunst/kunde om met relatief weinig middelen online leermateriaal voor reguliere cursussen om te vormen tot open online leermateriaal? Of zou er veel meer moeten worden samengewerkt om dit mogelijk te maken? En welke voordelen levert dat dan op behalve wellicht de eerder genoemde efficiencyvoordelen?
Mij lijkt dat het nauw volgen van deze ontwikkelingen en kijken welke lessen geleerd kunnen worden parallel moet lopen met aandacht van bestuurders van universiteiten voor de kansen en de bedreigingen van deze ontwikkeling.

Posted in Open Educational Resources and tagged , .

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.