Open in post-corona

CC0 Matthew Affflecat. https://pixabay.com/nl/illustrations/corona-virus-coronavirus-virus-4932576/
Gedwongen door de coronavirus pandemie is de afgelopen weken wereldwijd door velen keihard gewerkt om het mogelijk te maken onderwijs op afstand online aan te bieden. Websites met tips over tools, didactiek, ondersteuning voor ouders en good practices schoten als paddestoelen uit de grond, zowel op instellingsniveau als landelijk en mondiaal. In Nederland startte SURF een Vraagbaak online onderwijs en Kennisnet de website Les op afstand voor PO, VO en MBO en publiceerde UNESCO een website met tien tips voor leren op afstand. Open Educational Resources (OER) en (Massive) Open Online Courses ((M)OOC’s) worden als vrij toegankelijk beschikbaar digitaal leermateriaal ingezet, naast commercieel digitaal leermateriaal dat door diverse uitgevers gedurende deze crisis vrij toegankelijk wordt gemaakt. Zelf kreeg ik diverse vragen over vindplaatsen voor OER (waarbij ik als antwoord verwees naar de toolkit op mijn website) en (M)OOC’s (waarbij voor mij de portal Class Central met stip op 1 staat als startpunt voor zoeken). Een idee om colleges, zelf thuis opgenomen met een webcam, vrij toegankelijk beschikbaar te stellen leidde tot de website Quarantaine colleges. Op het moment van schrijven van deze post stonden 16 videos van colleges online, in tijd variërend van 7 minuten tot bijna 1,5 uur.

Maar er komen ook diverse pijnpunten naar boven:

  • een dreigende vergroting van de tweedeling in de maatschappij tussen leerlingen en studenten die in een thuissituatie goed ondersteund kunnen worden (voldoende IT-apparatuur beschikbaar en een omgeving die het leerproces kan ondersteunen) en degenen waar dat minder goed geregeld is;
  • docenten die een (didactische) aanpak van een face-2-face situatie 1-op-1 vertalen naar een online situatie (colleges, zelfde soort summatieve toetsing, verwachtingen van zelfde soort gedrag bij studenten online als die ze bij face-2-face onderwijs vertonen);
  • praktijkonderwijs is lastig om volledig online te geven;
  • De snelheid waarmee adoptie van de tools plaatsvindt en waarmee online brengen van digitale bronnen gebeurt gaat soms ten koste van aandacht privacy (AVG en de noodzaak voor verwerkersovereenkomsten met leveranciers van de tools) en auteursrechten die op bronnen kunnen rusten.

Daarnaast spelen ook gevoelens van angst voor de ziekte zelf en de onzekerheid over hoelang dit gaat duren en welke consequenties dit mogelijk economisch kan hebben een rol. Gevoelens die ongetwijfeld hun weerslag hebben op de onderwijs- en leerprocessen en de mentale weerbaarheid van docenten en studenten.

Mag hier desondanks gesproken worden over een adoptie van open online onderwijs en OER? Daar heb ik twijfels over. Inderdaad, voor velen zal deze gedwongen transitie naar volledig online de eerste ervaringen zijn met deze vorm van onderwijs en met OER. Dit zal met name gelden voor wat Rogers (2003) aanduidt als de Early en Late majority van docenten. Er is simpelweg geen alternatief beschikbaar, dus iedereen zal moeten roeien met de riemen die het heeft. Hergebruik van vrij toegankelijke bronnen (al dan niet met rechten van aanpassing onder voorwaarden die door de open licentie worden voorgeschreven) zal ongetwijfeld een grote groei kennen. Docenten en studenten zullen met name de snelle beschikbaarheid van deze bronnen als toegevoegde waarde in de huidige context ervaren.

Blijvende adoptie

Hoe kunnen we ervoor zorgen dat deze ervaringen in een post-corona tijdperk beklijven en leiden tot een blijvende vergroting van adoptie van OER? De sleutel hiervoor ligt in het bepalen van welke toegevoegde waarde docenten in een meer genormaliseerde situatie zullen ervaren bij een dergelijke adoptie. Uit diverse onderzoeken (waaronder mijn eigen onderzoek in (Schuwer & Janssen, 2018)) is al bekend dat, naast snelle beschikbaarheid, toegevoegde waarde op diverse vlakken wordt ervaren:

  • Institutionele voordelen (zoals marketing en exposure door open publiceren van bronnen, het bereiken van nieuwe doelgroepen (bijvoorbeeld professionals in de beroepsbevolking));
  • Financiële voordelen (bronnen die duur zijn om te maken (bv. MOOC’s) worden hergebruikt);
  • Educatieve voordelen (zoals het vermogen om blended learning beter te ondersteunen (met flipped classroom  als meest genoemde vorm), efficiëntie in het creëren van leermateriaal door hergebruik van bestaande bronnen, beter kunnen omgaan met diversiteit, het verbeteren van de kwaliteit van het leermateriaal (bijvoorbeeld door peer feedback op gedeelde materialen of in vakcommunities gezamenlijk ontwikkelen van materialen), en ultimo daardoor verbeteren van de kwaliteit van het onderwijs);
  • Persoonlijke voordelen (zoals erkenning, idealistische motieven en tegenwicht voor commerciële uitgevers).

Uit diezelfde onderzoeken wordt ook duidelijk dat er een infrastructuur (zowel technisch als organisatorisch) nodig is om de drempels voor adoptie van OER zo laag mogelijk te maken:

  • Een technische infrastructuur moet ervoor zorgen dat open bronnen eenvoudig te delen en te vinden zijn, dat bronnen in een format beschikbaar zijn die aanpassing mogelijk maken (door bijvoorbeeld niet alleen een bron te publiceren in een format dat voor gebruik handig is, maar ook in een format dat aanpassing mogelijk maakt). Op diverse plekken wordt al eraan gewerkt om die infrastructuur te realiseren (bijvoorbeeld in de zone Naar digitale (open) leermaterialen in het Versnellingsplan Onderwijsinnovatie met ICT).
  • Een organisatorische infrastructuur moet ervoor zorgen dat voor docenten (de decisive change agents in deze adoptie) optimale ondersteuning (ICT, onderwijskundig en auteursrechtelijk) en een veilige experimenteeromgeving beschikbaar is. Een dergelijke infrastructuur kan worden geborgd door een instellingsbeleid op dit punt. De UNESCO publicatie Guidelines on the Development of Open Educational Resources Policies levert handvatten om een dergelijk beleid te formuleren.

Deze periode maakt ook duidelijk dat toegang tot voldoende geëquipeerde ICT voor een grote groep lerenden in Nederland niet voldoende gerealiseerd is. Wellicht is dat minder een probleem in een genormaliseerde situatie, maar deze beperktere toegang, veelal vanwege financiële motieven, strekt zich ook uit naar toegang tot leermaterialen. De financiële voordelen van gebruik van open leermaterialen worden daarmee niet alleen ervaren door de instelling die ze adopteren, maar ook door de lerenden.

Docenten ervaren in deze periode ook aan den lijve dat online afstandsonderwijs een andere tak van sport is dan face-2-face. Het vereist een ander ontwerp en andere didactische werkvormen dan in een face-2-face situatie mogelijk is. Het is daarom niet verwonderlijk dat veel van de hulpbronnen die nu snel online zijn gebracht handvatten geven om hierin eerste stappen te zetten. Daar waar in deze periode ruimte is om deze ervaringen goed te ondersteunen en uit te bouwen door docenten duidelijk te maken dat een aantal voordelen van deze veranderingen ook in een genormaliseerde situatie kunnen gelden, zal dat ongetwijfeld bijdragen aan blijvende adoptie. Die ruimte moet er niet alleen in tijd zijn, maar ook mentaal. Die mentale ruimte kan door de eerder genoemde angst en onzekerheid die deze periode met zich meebrengt beperkt zijn, maar het is de moeite waard alert te zijn op deze kansen. Adoptie van OER, of breder, adoptie van opener vormen van onderwijs maakt bijvoorbeeld vormen van onderwijs beter mogelijk met kenmerken als student agency en alternatieve vormen van toetsing (non-disposable assignment). Deze vormen staan bekend onder de parapluterm Open Pedagogy. De SURF Special Interest Groep Open Education heeft hier eind vorig jaar een publicatie over uitgebracht met meer informatie.

Welke ervaringen die nu worden opgedaan met gebruik van OER zullen beklijven? Zullen docenten blijvend hun colleges opnemen met hun eigen webcam en die opnamen delen en welke toegevoegde waarde wordt daarvan dan ervaren? Zullen de ervaringen juist leiden tot een grotere aversie tegen online onderwijs of tot meer bewustzijn dat de mix van online en face-2-face door inzet van OER voordelen kan bieden waar men zich tot nu toe nooit bewust van was? Zal dit alles leiden tot een grotere vraag naar ondersteuning en zijn instellingen daarop voorbereid? Kunnen we studenten een grotere rol geven in de adoptie van OER, bijvoorbeeld door zicht te krijgen op de bronnen die zij verzamelen? Zoeken docenten elkaar nu ook virtueel op en kan dat een kiem zijn voor een vakcommunity waarin maken, delen en hergebruiken van OER een rol heeft? De tijd zal het leren, maar door nu alert te zijn op kansen en daarnaar te handelen kan op een opener toekomst worden voorgesorteerd.

Referenties

Rogers, E. M. (2003). Diffusion of innovations (5th ed.). New York, NY: Free Press

Schuwer, R., & Janssen, B. (2018). Adoption of Sharing and Reuse of Open Resources by Educators in Higher Education Institutions in the Netherlands: A Qualitative Research of Practices, Motives, and Conditions. The International Review of Research in Open and Distributed Learning19(3). https://doi.org/10.19173/irrodl.v19i3.3390

 

De waarde van open en open als waarde

In de maanden juli-december 2016 is, onder de vlag van mijn lectoraat OER bij Fontys Hogeschool ICT, door Ben Janssen en mijzelf een onderzoek uitgevoerd om de volgende vraag te kunnen beantwoorden:

Wat leidt tot c.q. is nodig voor een brede adoptie van delen van open leermaterialen en online cursussen en hergebruiken van open leermaterialen en cursussen door docenten in het bekostigde hoger onderwijs in Nederland?

Bij 4 universiteiten en 6 hogescholen zijn totaal 55 semi-gestructureerde interviews afgenomen met docenten, bestuurders en ondersteuners. Onderwerpen die tijdens de interviews aan bod kwamen betroffen ambities met onderwijs, beleid, opvattingen over openheid in het onderwijs, motieven voor delen en hergebruiken, ervaringen met delen en hergebruiken, hindernissen die werden ondervonden, noodzakelijke randvoorwaarden en invloeden die geïnterviewden vanuit hun omgeving ervaren.
>> Download rapport

Resultaten

Analyse van de interviews gaf de volgende resultaten:

  1. Praktijken van delen en hergebruiken zijn erg divers qua openheid. Lang niet altijd zijn gedeelde leermaterialen toegankelijk voor iedereen, vaak ontbreekt een open licentie en processen als copyright clearing vinden niet altijd plaats;
  2. Delen en hergebruiken van leermaterialen (al dan niet volledig open) gebeurt veel. Hierbij wordt vooral het bereiken van een hogere kwaliteit campusonderwijs nagestreefd;
  3. Feedback op gedeelde materialen is cruciaal voor de motivatie van docenten om structureel materialen te delen;
  4. Structureel delen en hergebruik binnen een instelling heeft meer kans van slagen wanneer het gekoppeld wordt aan andere beleidsthema’s zoals internationalisatie of aan onderwijsinnovaties zoals invoeren van blended leren;
  5. Bij een aantal instellingen is sprake van zich ontwikkelend beleid op het gebied van open delen en hergebruiken van leermaterialen;
  6. Docenten zijn onvoldoende bekend met aanwezigheid danwel inhoud van beleid;
  7. De autonomie van de docent in het bepalen om met delen en hergebruiken aan de slag te gaan wordt als cruciaal gezien en als zodanig herkend en erkend, zowel door bestuur als door docenten zelf;
  8. Delen en hergebruiken moeten uiteindelijk ten goede komen aan de student of een positief effect hebben op de efficiency van het onderwijs. Of en hoe dat daadwerkelijk gerealiseerd moet worden, is vaak nog niet duidelijk;
  9. Docenten geven aan dat stimulering in termen van geld, tijd en ondersteuning essentieel is voor hen om tot structureel gedrag van delen en hergebruiken te komen. Tevens moeten voor hen de antwoorden op de what’s in it for me vraag duidelijk zijn;
  10. Publiceren van MOOC’s wordt ervaren als een versneller voor de adoptie van open delen van materialen en cursussen binnen een instelling;
  11. Acceptatie van open delen en hergebruiken op instellingsniveau, zich uitend in beleid dat vertaald is naar concrete activiteiten en richtlijnen, beïnvloedt brede adoptie ervan door docenten positief.

Aanbevelingen

Op basis van deze resultaten zijn de volgende aanbevelingen geformuleerd om brede adoptie van open delen en hergebruiken te realiseren binnen een instelling:

  1. Maak de meerwaarde van open delen en hergebruiken duidelijk aan docenten;
  2. Zorg bij deze verandering van de beeldvorming rondom open delen en hergebruiken bij docenten voor ondersteuning vanuit de instelling: op ICT-gebied, juridische en onderwijskundige aspecten, facilitering in tijd, aanwezigheid van een veilige experimenteerruimte en een ondersteunende infrastructuur;
  3. Formuleer op faculteits-, instituuts- en instellingsniveau beleid op het gebied van open delen en hergebruiken dat de activiteiten die onder aanbeveling 1 en 2 genoemd worden mogelijk maakt;
  4. Koppel beleid inzake open delen en hergebruiken aan andere thema’s van onderwijsvernieuwing of aan thema’s als internationalisering.

Hoe verder?

In mijn lectoraat wil ik voortbouwen op deze resultaten en aanbevelingen. Zo wil ik verder onderzoeken in hoeverre een verbreding van openheid van materialen naar open pedagogy de what’s in it for me vraag voor docenten mede kan beantwoorden. De workshop die Martijn Ouwehand (TU Delft) en ik hebben ontwikkeld is daarbij een middel.
 

Toolkit workshop implementing open education


Open educational resources, open online courses (eventually “massive”) and open tools like blog, twitter and open forums offer a potentially rich source to use in education. It enables active learning and a more tailor-made approach of education. When teachers are aware of the opportunities open online education can offer, they are able to make an informed choice to use them optimal when designing a course. To enable this, basic knowledge of the many manifestations of openness in education is needed. In the end, their range of teaching methods is enlarged.
To realize this, together with Martijn Ouwehand (Delft University of Technology) under the umbrella of the SURF SIG Open Education, we have developed a workshop targeted at teachers who are interested in applying forms of openness into their lectures.
The objectives of the workshop are to raise awareness of the opportunities of openness and how to integrate them to achieve the optimal learning experience for the students. Open educational practices offers a base to connect openness to the daily practice of a teacher; this workshop tries to give the ideas more flesh and blood.
The workshop offers two approaches of how to use forms of openness in course design:

  • Reuse of open learning materials or open courses. This reuse can range from just reusing the idea behind a specific OER (not all 5R rights are necessary for this aim) to reusing  reworked and remixed OER (all 5R rights are necessary)
  • Expand openness to open tools and open platforms, using an open pedagogy. For this workshop we have adopted a revised version of the definition of open pedagogy by Hegarty.

This workshop was organized twice in 2016 under the umbrella of SURFacademy. Feedback from the participants was used to improve the resources of the workshop. This has resulted in a toolkit. The toolkit can be used by those interested in organizing this workshop in their own institution.
The toolkit consists of the following resources:

  • A script. This contains all information needed to organize the workshop (available as .pdf, .docx and .odt)
  • A course manual “Basics of open”. This manual is intended for self-study a basic course on openness in education (available as .pdf, .docx and .odt)
  • Slides “Workshop Implementing open education”. These slides can be used in the workshop (available as .pptx)
  • Two inspirational models.

All resources are published under a CC BY license. The toolkit is available in both Dutch and English and can be downloaded from here.
We intend to regularly update the toolkit, based on feedback of users. Feedback can be provided using this form.
We hope this workshop will add to widening adoption of forms of open online education by teachers.
 

Is er invloed van "open" op leren?

Gisteren sprak ik op het SURF seminar Delen van open educational resources: hoe organiseer je dat?. Bij de afsluitende paneldiscussie werd de vraag gesteld wat een OER repository kon bijdragen aan realiseren van actieve(re) vormen van leren. Mijn antwoord was dat beschikbaarheid van digitale leermaterialen en ICT dergelijke realisaties konden ondersteunen of zelfs dat zonder deze beschikbaarheid sommige van deze vormen niet of heel lastig mogelijk zouden zijn, maar dat dit niet samenhing met het feit dat ze open beschikbaar waren. Hoogstens zou meer beschikbaarheid van open leermaterialen een grotere hoeveelheid bronnen geven waaruit een docent kan kiezen en zou de open licentie de docent de mogelijkheden bieden de leermaterialen te contextualiseren wat dan wellicht tot betere ondersteuning van de gewenste didactiek zou leiden.
Achteraf knaagde dit antwoord bij me en had ik het gevoel iets te hebben gemist daarbij. Toeval of niet, vanochtend kwam ik een blogpost tegen, gisteren geschreven, dat ook dit thema behandelt: How does the “Open” in OER improve student learning? van John Hilton III. Hij refereert in deze blogpost naar studies naar deze effecten die verzameld zijn in het Review Project. Samenvattend komt hij tot dezelfde gevolgtrekking als ik hierboven in mijn antwoord heb vermeld. In het Review project is ook een paper te vinden A multi-institutional study of the impact of open textbook adoption on the learning outcomes of postsecondary students. Hoewel OER hier verengd wordt tot open textbooks komen ze tot de conclusie dat, als er al effecten op resultaten te meten zijn, deze zijn terug te voeren op betere beschikbaarheid van open textbooks vergeleken met closed textbooks. Studenten kopen bijvoorbeeld pas na een paar weken een closed textbook als ze zeker ervan zijn dat ze de betreffende course ook blijven volgen. De achterstand die ze dan hebben opgelopen vertaalt zich in een lager resultaat dan wanneer ze van meet af aan de beschikking zouden hebben gehad over het materiaal.
John Hilton III besluit zijn blogpost met een aantal observaties die input voor verdere research kunnen zijn. Onder meer stipt hij aan:

  • de wijze van meten van effecten van OER (andere metrieken gebruiken?), 
  • verbinden van OER adoptie aan didactische revisies die leren door studenten verbeteren (indirecte invloed van OER op verbeterd leergedrag) en 
  • meer aandacht voor effecten van grootschalige adoptie van OER (niet in de context van één cursus, maar bijvoorbeeld in een heel curriculum). 

Op het seminar presenteerde ik over de lessen die geleerd zijn bij het Wikiwijs programma over duurzaam krijgen van OER-initiatieven. De sheets van deze presentatie zijn via Slideshare te bekijken.

Tenslotte een off topic P.S. Grainne Conole gaf een presentatie via video vanuit een kroeg in Engeland. Bij vlagen was dit, door technische onvolkomenheden, lastig te volgen. Hoe komt het toch dat we blijkbaar goed in staat zijn robots op Mars en een komeet te laten landen en informatie over te laten zenden, dat we zelfs in staat zijn effecten die kleiner zijn dan de afmetingen van een atoomkern te ontdekken, maar dat we met een videoverbinding via internet nog steeds geconfronteerd worden met haperende verbindingen? Deze vraag is retorisch bedoeld ;-).

Open Education Information Center

Tijdens de afgelopen zomervakantie is de eerste versie van het Open Education Information Center (OEIC) van het Open Education Consortium gepubliceerd. Het doel van het OEIC is antwoord te verschaffen op allerlei vragen die bij het bezig zijn met Open Education naar boven kunnen komen. Het vervangt de Toolkit die eerder vanaf die website toegankelijk was, maar die sterk verouderd was.
Bij de opzet van het OEIC is ervoor gekozen om vijf ingangen te kiezen:

  • Staf (docenten, ondersteuners) (Faculty)
  • Studenten
  • Administrator
  • Onderzoekers
  • Beleidsmakers

Bij iedere categorie zijn vragen verzameld vanuit de praktijk. Deze vragen zijn binnen de categorie ingedeeld in clusters. Een voorbeeld van zo’n cluster is Using OERs in my classroom in de categorie Faculty. Het antwoord bij iedere vraag bestaat uit een korte tekst en verwijzingen naar bronnen (meestal websites) met een uitgebreidere toelichting.
Deze vraagbaak zal voortdurend worden aangevuld met nieuwe vragen. Iedere gebruiker kan eigen vragen indienen via een Submit Info button op de startpagina van het OEIC. Dat gaat nu nog via e-mail, maar het is de bedoeling hier een webformulier achter te plaatsen.
Behalve vragen indienen kunnen ook opmerkingen over antwoorden en suggesties voor bronnen bij bestaande vragen worden voorgesteld. Bij iedere vraag is ook een item gemaakt in een Community Forum. Gebruikers kunnen hun opmerkingen bij een vraag ook daar achterlaten. Zoals bij veel van dergelijke communities is er nog weinig activiteit daar. Een grotere bekendheid van het OEIC, resulterend in meer traffic, is voorwaardelijk voor meer community activiteit.
Vorig jaar hebben Bert Frissen (Avans, maar inmiddels pensionado), Pierre Gorissen (HAN) en ondergetekende een opzet beschreven voor functies die een dergelijke informatiesite beter toegankelijk zouden maken voor iedere belangstellende, met name voor docenten die bij adoptie van OER problemen ondervinden. Het OEIC beschouw ik als een eerste aanzet van implementatie van dat idee. Wat mij betreft zou een eerste uitbreiding bestaan uit het categoriseren van de bronnen waarnaar verwezen wordt in vereist kennisniveau van het betreffende onderwerp om de bron nuttig te laten zijn (bijvoorbeeld geen of weinig kennis vereist – gemiddelde kennis vereist – veel kennis vereist). Tevens zou de ingang naar te onderscheiden aspecten die nu deels in de clusters is terug te vinden wellicht moeten worden verfijnd.
Het Open Education Consortium heeft mij gevraagd de verdere uitbouw van het OEIC aan te sturen. Ik heb volmondig ja hierop gezegd omdat ik een one-stop-shop waar iedereen met belangstelling voor Open Education terecht kan uiterst waardevol vind voor adoptie van Open Education.
Ik ben erg benieuwd naar ervaringen die gebruikers met deze site hebben. Schroom niet die te delen met het Open Education Consortium en, indien u tevreden bent, maak reclame voor deze site in uw netwerk. Gebruik en participatie in het forum is voor iedereen; je hoeft dus geen lid te zijn van het Open Education Consortium (hoewel ik lidmaatschap wel wil bepleiten, maar dat is een ander verhaal).
 

OER: voordelen in de US, maar ook in Nederland?

De laatste post in de altijd interessante blog van David Wiley is getiteld
Adopting OER is Better for Everyone Involved. Hij geeft daarin aan welke voordelen hij heeft waargenomen, in veel gevallen ondersteund door “harde” metingen, bij onderwijsinstellingen in de Verenigde Staten wanneer ze commerciële leerboeken vervingen door met name open textbooks.
Onder meer de volgende waarnemingen worden gedeeld:

  • Beter voor studenten, omdat ze tenminste gelijke waar krijgen voor (veel) minder geld. Deze waarneming wordt ondersteund door diverse studies. Oorzaken zijn onder meer toegang tot alle leermaterialen vanaf de start van de cursus.
  • Beter voor de docenten, omdat bij adoptie van een open textbook de docent zich kan afvragen welke aanpassingen hij of zij wil maken (omdat dat ook toegestaan en mogelijk is), zodat het open textbook optimaal aansluit bij de gewenste didactiek en inhoud en de aanwezige doelgroep. Hierdoor wordt hij meer aangesproken op zijn docentprofessionaliteit. Uiteraard is de docent ook vrij een open textbook as-is te gebruiken, maar bij commerciële tekstboeken is dat de enige modus.
  • Beter voor de instelling, omdat uitval kleiner is en daarmee de outputfinanciering op peil blijft of verbetert.

Een aantal van deze voordelen zijn het gevolg van het feit dat commerciële leerboeken in de VS vaak schreeuwend duur zijn, waardoor studenten deze niet (kunnen) kopen en daardoor een grotere kans lopen het betreffende vak niet te halen. Dit is een van de redenen dat open textbooks in de VS een steeds hogere vlucht nemen (zie bijvoorbeeld hier en hier). De vraag is of deze situatie ook voor Nederland geldig is. Tot voor kort was ik geneigd te zeggen dat de Nederlandse situatie niet te vergelijken is met de VS en dat je daarom voorzichtig moet zijn om ontwikkelingen op het gebied van open en online onderwijs één-op-één naar de Nederlandse situatie te vertalen. Bij een bijeenkomst van het kernteam van de SIG Open Education gisteren kwam de vraag naar voren of, juist vanwege dit verschil tussen de VS en Nederland, open textbooks voor Nederland wel net zo’n hot topic zijn als in de VS. En daar werd opgemerkt dat, met de invoering van het leenstelsel in het vooruitzicht, economische motieven om op open textbooks over te gaan, wellicht zwaarder gaan wegen dan tot nu toe het geval is.
Mede omdat veel van de voordelen die David Wiley onderkent onafhankelijk zijn van financiële omstandigheden, is nader onderzoeken van wat open textbooks voor Nederland kunnen gaan betekenen de moeite waard. Onder meer kan daarin worden meegenomen of en zo ja, welke rol een commerciële uitgever kan hebben in deze ontwikkeling. Ook een productieproces zoals bij Siyavula gebruikt wordt, waarbij een community van docenten in een textbook sprint een open textbook creëert is het waard nader bekeken te worden.

Opening the Curriculum


Deze week verscheen een rapport van de Babson Survey Research Group met de resultaten van een survey bij instellingen voor hoger onderwijs in de USA naar adoptie van OER (infographic). Hoofdsponsor van het onderzoek was de William and Flora Hewlett Foundation. Daarnaast gaf Pearson ondersteuning. Twee jaar geleden hebben ze een soortgelijk onderzoek uitgevoerd. In 2012 werden beleidsmakers bij instellingen ondervraagd; de huidige survey bevroeg de teaching staff (voornamelijk docenten).  In de onderstaande tabel staan de belangrijkste resultaten van toen en nu. Daar waar overeenkomstige thema’s in een uitspraak werden geadresseerd staan de uitspraken naast in dezelfde rij genoemd.

2012 2014
Most academic leaders are at least somewhat aware of open education resources (OER) and slightly over half list themselves as ‘Aware’ or ‘Very aware.’ Faculty are not very aware of open educational resources. Depending on the strictness of the awareness measure, between two-thirds and three-quarters of all faculty classify themselves as unaware on OER.
Awareness of OER is not a requirement for adoption of OER. More faculty are using OER than report that they were aware of the term OER. Resource adoption decisions are often made without any awareness of the specific licensing of the material, or its OER status.
Only one-half of all chief academic officers report that any of the courses at their institution currently use OER materials.
In 2011, most surveyed academic leaders report that open education resources will have value for their campus; 57 percent agree that they have value and less than five percent disagree. Faculty appreciate the concepts of OER. When presented with the concept of OER, most faculty say that they are willing to give it a try.
Nearly two-thirds of all chief academic officers agree that open education resources have the potential to reduce costs for their institution.
There is wide agreement among academic leaders that open education resources will save time in the development of new courses.
Among faculty, cost (88% reporting as important or very important) and ease of use (86%) are most important for selecting online resources.
The time and effort to find and evaluate are consistently listed as the most important barriers by faculty to the adoption of open education resources. The most significant barrier to wider adoption of OER remains a faculty perception of the time and effort required to find and evaluate it. The top three cited barriers among faculty members for OER adoption all concern the discovery and evaluation of OER materials.
Faculty judge the quality of OER to be roughly equivalent to that of traditional educational resources. Among faculty who do offer an opinion, three-quarters rank OER quality as the same as or better than traditional resources.
Over one-half of academic leaders agree or strongly agree that open education resources would be more useful if there was a single clearinghouse.
Older faculty have a greater level of concern with all potential barriers to open education resource adoption than do younger faculty.
Faculty are the key decision makers for OER adoption. Faculty are almost always involved in an adoption decision and — except for rare instances — have the primary role. The only exceptions are in a minority of two-year and for-profit institutions, where the administration takes the lead.

Enkele resultaten:

  • Bewezen doeltreffendheid / bruikbaarheid (proven efficacy) en vertrouwde kwaliteit zijn de belangrijkste criteria voor het selecteren van leermaterialen (resp. door 60% en 50% genoemd). Opvallend is dat kosten heel laag scoort (waarschijnlijk te verklaren doordat degenen die bepalen welk leermateriaal gebruikt wordt niet met de kosten worden geconfronteerd). In de volgende figuur zijn de criteria aangegeven.
  • 16% beoordeelt de kwaliteit van OER als beter dan niet-open (traditional) resources, terwijl 27% van mening is dat OER van slechtere kwaliteit is.
  • De meest gebruikte open resources zijn afbeeldingen en video’s (beide hoger dan 85%). De minst gebruikte zijn slides (minder dan 10% noemt dit).
  • De dimensie waarop OER het hoogste scoort tov traditional resources is kosten (wordt door 85% aangegeven). De dimensie waarop traditional resources het hoogste scoren tov OER is brede adoptie (wordt door 37% aangegeven). Beide criteria zijn echter minder belangrijk voor de selectie van leermaterialen door een docent.
  • Faculteiten (docenten) bepalen het al dan niet gebruiken van OER (wordt door 91% aangegeven).
  • De grootste barrières voor gebruik van OER zijn vindbaarheid en licentieproblematiek. In de volgende figuur zijn de barrières aangegeven.


De twee laatstgenoemde resultaten geven aan dat ondersteuning voor de docent die met OER aan de slag gaat of wil gaan essentieel is. Dit is een bevestiging van wat andere studies ook aangeven (zie bijvoorbeeld een studie in de UK). Deze constatering werd ook door aanwezigen bij een SURF terugkomdag van deelnemers aan strategische workshops Open Education geuit (“ontzorg de docent”). Wanneer naar de criteria gekeken wordt die belangrijk zijn voor selectie van leermaterialen is het nodig dat delen van ervaringen over kwaliteit en toepassing van OER (om “bewezen bruikbaarheid” van OER vast te kunnen stellen) wordt gestimuleerd.
Hoe docenten ontzorgd kunnen worden en of dat grotere adoptie van OER tot gevolg heeft, is het centrale vraagstuk dat ik in mijn lectoraat bij Fontys Hogeschool ICT adresseer. Delen van ervaringen met OER vormt daar een onderdeel van. De voorliggende studie geeft mij eens te meer een bevestiging dat dit een relevant thema is.