Open Education & Open Science: an integrated approach?


Last Friday I was present at the Open Science seminar, organized by the TU Delft as an event in the Open Education Week. The intended audience were the people at the TU Delft, but also some attendants from other institutions (among myself) were present. Through this seminar we were informed about developments in both Open Education and Open Science, in general and more specific at the TU Delft.
After an introduction by Anka Mulder about openness in general, in two presentations the fields of Open Education and Open Science were introduced. A more detailed report about these presentations and the discussions afterwards is made by Pim Bellinga.
The lively discussions between the attendants were based on several dilemmas on both open education and open science. To get an impression of these dilemmas: “If I share my education resources openly, I give away my complete education” and “If anyone can use my measurement data, then I did all the work and had the costs, and someone else might get the success” are two examples.
Afterwards, I was reflecting on the seminar. I had hoped to hear more about cross-overs, examples where approaching open education and open science simultaneously would make a difference that would not be possible when they are considered two separate fields. Obvious examples of cross-overs are Open Access papers becoming OER when used in an educational setting or using MOOCs as a means to collect research data or as a means to disseminate results of research to a wider audience. Examples of the latter two were presented at the seminar. A less obvious example comes from Javiera Atenas and Leo Havemann, using open data as OER.
But (to quote Peggy Lee) “Is that all there is?” Does that justify an integrated approach, e.g. in policy making, at an institution? Reality is still that in many institutions education and research are two separate branches with different processes and different stakeholders. And although some descriptions of Open Science includes OER (example), other do not mention them (as in this interactive example from the website of the European Union, presented at the seminar).
Discussing this with Martijn Ouwehand from the TU Delft, I realized that the dilemmas both fields are facing are similar:

  • Fear of commercial use of openly available resources
  • Fear of free riding
  • Uncertainty about copyright issues
  • Fear of harming your career when involved in openness, because of possible quality flaws. The latter can also be looked at from a broader perspective, where being involved in education is considered harmful for a scientific career. Last week in his inaugural speech, professor Jan-Willem van Groenigen (Wageningen University & Research) pronounced ambitious researchers to minimize educational activities, because these activities do not count when applying for important research grants in the Netherlands (see interview (in Dutch) in the Volkskrant)

Also, the current focus in open education is to go beyond just publishing and reuse resources and have more attention for Open Educational Practices and Open Pedagogy. One way to realize this is to have students performing research activities in projects with stakeholders outside of the institution as a means to acquire certain knowledge and skills: a perfect example of intertwining education and research in an open way. One of the attendants pointed at the phenomenon of Citizen Science, where connections with educational projects under the umbrella of Open Pedagogy seem rather straightforward.
So the cross-over is not only determined by examples like I mentioned (and I am hoping to find out about more types of examples), but also by the dilemmas and comparable challenges both fields are facing and the opportunities that intertwining education and research in an open way can bring. We can learn from each other about how to overcome those challenges and cooperate in realizing the intertwining.
For me, this is sufficient justification for an approach where policy making, creating awareness and activities to adopt openness will be integrated for both research and education, with an open eye for the differences in both fields that also exist. And, by the way, let’s not forget to learn from the field of open source software, with a much longer history than at least OER.
 

OER-onderdompeling in Krakow

Van 10 t/m 14 april vond in Krakow in Polen een drietal evenementen plaats rondom OER en Open Education. In deze blog een terugblik op deze events en de dingen die me daar het meeste opvielen (naast de mooie en sfeervolle stad die Krakow is).

GO-GN

De week startte op 10 april met een tweedaagse workshop van het Global OER Graduate Network (GO-GN). Dit netwerk, eertijds gestart door Fred Mulder in zijn tijd als UNESCO OER Chairholder, wordt nu gecoördineerd door de OER Research Hub op de OU-UK. Een negental PhD-studenten, afkomstig van over de hele wereld, presenteerden hun onderzoek, kregen feedback van de aanwezigen en zochten naar aanknopingspunten voor onderlinge samenwerking. De slides van hun presentaties zullen successievelijk op de website van GO-GN worden gepubliceerd.
De onderwerpen waren erg divers, variërend van OER Learning Design Guidelines for Brazilian K-12 tot Opening Up Higher Education in Rwanda. Het niveau was van een eerste onderzoeksplan tot resultaten van een bijna afgerond PhD-onderzoek. Overall was het inhoudelijk niveau erg hoog, maar moet er door de meesten nog wel gewerkt worden aan presentatievaardigheden.
>> Overzicht van onderwerpen
>> Presentaties (worden in de komende weken aangevuld)
>> Storify van tweets

Open Education Consortium Global Conference

De week werd vervolgd met de jaarlijkse Global Conference van het Open Education Consortium. Naar schatting 200 deelnemers konden kiezen uit een diversiteit aan presentaties en workshops. Grofweg konden de volgende categorieën worden onderscheiden:

  • Opening up education (op niveau van land of instelling)
  • Communities rondom OER
  • Adoptie van OER en andere vormen van open education
  • Casussen (bij landen of instellingen)
  • Learning design voor OER en MOOC
  • Onderzoek
  • Open policies
  • Open practices

Van de sessies die ik heb gevolgd sprongen voor mij die van John Hilton III en Javiera Atenas eruit in positieve zin. John sprak over recent studies in OER adoption. Hoewel het daar vooral ging over adoptie van Open Textbooks in de US, zijn resultaten te generaliseren naar andere vormen en contexten. Resultaten van zijn research (onder de vlag van de Open Education Group) zijn te vinden op hun website. Het onderwerp van Javiera was (uiteraard) Educating for Social Participation: Open Data as Open Educational Resources. Vooral de mogelijkheid om “echte” data te kunnen gebruiken om vaardigheden als critical thinking en civic engagement aan te leren sprak mij aan. Aanrader: de site schoolofdata.org (met onder meer open cursussen over hoe om te gaan met data).
Zelf gaf ik een presentatie over het onderzoek naar gebruik van OER en MOOC’s in het Nederlands hoger onderwijs dat ik samen met Ben Janssen eind vorig jaar heb uitgevoerd. Hier de sheets.

OER Policy Forum

Parallel aan de laatste dag van de conferentie werd door het Centrum Cyfrowe, in samenwerking met het Open Policy Network, als onderdeel van het EU-project ExplOERer een bijeenkomst gehouden. Het doel was te komen tot een set van aanbevelingen, voortbouwend op een policy document Foundations of OER Strategy Development. In de ochtend werden enkele presentaties gegeven. Voor mij was die van Dominic Orr van het FiBS uit Berlijn What can policy do for innovative educational practice and especially for OER? de meest in het oog springende. Dominic is een van de auteurs van het vorig jaar verschenen OECD rapport Open Educational Resources, a Catalyst for Innovation. In zijn presentatie ging hij echter in op social innovation en de koppeling ervan met open policies. Hij refereert aan een studie uit 2015 Growing a Digital Social Innovation Ecosystem for Europe in opdracht van de Europese Commissie. Die studie onderscheidt 7 fasen voor sociale innovatie, die niet noodzakelijk lineair worden doorlopen, maar spiraalsgewijs naar het begin kan terugkeren. Hij koppelt die fasen met twee strategieën voor policy, met name OER policies:

  • Pull strategie. Uitgangspunt is de motivatie van docenten en lerenden. Activiteiten als presentatie van OER use cases en toekennen van awards voor good practices helpen adoptie van OER te bevorderen. Resources zijn bijvoorbeeld aanbieden van vrijwillig te volgen trainingen voor gebruik van OER, ontwikkeling van een OER infrastructuur en toelaten van experimenten (d.i. tijd daarvoor geven)
  • Push strategie.Uitgangspunt is aanpassen van het raamwerk van voorwaarden voor gedrag van docenten en lerenden. Voorbeelden zijn het reguleren van productie van leermaterialen (OER heeft voorkeur), kwaliteit van leermaterialen (dynamisch en tailored heeft voorkeur) en de evaluatie van leeruitkomsten (competenties heeft de voorkeur)
Samengevat in één figuur die Dominic de omschrijving meegaf OER as a driver of social innovation: allows and promotes new combinations or configurations of social practices 

In de middag werden in subgroepen over key issues voor OER policies gedebatteerd. Doel van deze discussies was input te leveren voor het document van aanbevelingen dat na de workshop werd opgesteld. Ik nam deel aan de subgroep OER repositories and content production, waar met name de ervaringen met Wikiwijs van pas kwamen.
>> Storify van tweets

Tenslotte

Zowel de conferentie als het OER policy forum preludeerden al op 2017, het jaar waarin de Cape Town Open Education Declaration 10 jaar bestaat en de Paris OER Declaration 5 jaar. Het komend jaar zal ongetwijfeld worden teruggekeken op wat in die achterliggende periode al is bereikt, maar zal vooral worden vooruitgekeken naar wat er nog moet gebeuren om OER in het bijzonder en Open Education in het algemeen mainstream te maken, zowel op instellingsniveau als rondom open policies op nationaal en internationaal niveau. Dat de volgende Global Conference in 2017 in Kaapstad zal plaatsvinden is daarom geen toeval.
 

Terugblik op de Open Education Week 2016

(Een verkorte en wat aangepaste versie van deze blogpost is gepubliceerd op SURFspace)
(Op 22 maart is er een update geplaatst met een aanvulling van de statistieken)
Een week na afronding van de jaarlijkse Open Education Week (afgekort tot OEweek) een reflectie op dit fenomeen. Het Open Education Consortium startte hiermee in 2012, dus dit jaar mochten we de vijfde uitgave meemaken. Indertijd geïnspireerd door de al langer bestaande Open Access Week (die jaarlijks in het najaar wordt georganiseerd) is het doel van de Open Education Week (bron):

Open Education Week’s goal is to raise awareness about free and open educational opportunities that exist for everyone, everywhere, right now.

Een centraal informatiepunt is de website openeducationweek.org. Instellingen kunnen daar meldingen maken van activiteiten die in het kader van de OEweek worden georganiseerd en ook projecten en andere bronnen uploaden.
Enkele statistieken:

  • Op de website waren 63 projects & resources gepost, variërend van presentaties van OER-initiatieven tot korte introducties op onderwerpen uit open education. In 2015 waren er 93 van dergelijke resources beschikbaar; een afname van 32%.
  • Er waren 45 lokale events en 66 online events aangemeld bij de organisatie van de OEweek. In 2015 waren er totaal 123 events aangemeld; een afname van 10%.
  • Gedurende de OEweek waren er 635 tweets met de hashtag #openeducationwk (volgens hashtracking.com). Kanttekening: deze tool telt 1500 tweets maximaal (inclusief retweets). Deze grens was terugtellend bereikt op 9 maart 2016.

Omdat het aantal tweets voor 2015 niet bekend is kan geen conclusie worden getrokken over of de belangstelling voor deze week toeneemt of niet. Met name lokale events blijven “onder de radar”. Zo zijn veel van de activiteiten in Nederland en Vlaanderen in dit overzicht niet zichtbaar op de website van de OEWeek.
Jure Cuhalev van het Open Education Consortium stuurde me statistieken uit Google Analytics van webactiviteiten gedurende de OEWeek van 2015 en 2016. Die leerden dat er 40% meer gebruikers en 55% meer pageviews waren in 2016 t.o.v. 2015.
Jure vond twitter statistieken moeilijk te achterhalen en, vanwege spam, ook minder betrouwbaar. Na eerste publicatie van deze blogpost meldde Willem van Valkenburg zich via Twitter:
Dat zou betekenen dat 16% berichten uit Nederland zou komen (238 van de 1500 die hashtracking meldt). Of dat geloofwaardig is betwijfel ik een beetje; het zou het wantrouwen van Jure wel bevestigen als tenminste één van beide statistieken niet correct is.

Eigen ervaringen

Zelf heb ik drie events in Nederland bijgewoond. Op woensdag was ik aanwezig bij de EU High Level Conference “Hoger onderwijs voor de toekomst” (website). Een grote inbreng vanuit Nederland, met name bij de parallelsessies die ik heb gevolgd. De presentatie van Jeff Haywood (University of Edinburgh) vond ik het meest de moeite waard. Onder andere presenteerde hij de 11 aanbevelingen uit een al eerder uitgebrachte studie The Changing Pedagogical Landscapes waarvan hij één van de auteurs was. De onderstaande figuur uit dat rapport (door mij aangepast; zie hierna) is één van de verklaringen waarom beleidsbeslissingen er zolang over doen voordat het het chalk level (zoals Haywood dat noemt) bereikt. Bij iedere stap moeten er win-wins opnieuw worden geformuleerd, zo die er al zijn. In de figuur ontbreken naar mijn mening de pijlen van onder naar boven om te illustreren dat vernieuwing ook een bottom-up aangelegenheid is. In de figuur heb ik die aangegeven met de paarse pijlen.
Donderdag was ik aanwezig bij het seminar, georganiseerd door de TU Delft. Ik hield daar zelf een presentatie over implementatie van OER hergebruik bij Fontys Hogeschool ICT. Tevens nam ik deel aan het levendige, afsluitende debat in Lagerhuisstijl.
Ik sloot de week op vrijdag af met het seminar bij SURF, waarbij de projecten die momenteel onder de stimuleringsregeling worden uitgevoerd enkele tussenresultaten presenteerden. Na de pauze hield de SIG Open Education een netwerkdag met het thema adoptie van open online onderwijs onder de titel “is er leven na de projectsubsidie”. Ik mocht een inleiding geven over adoptiemodellen. Paul Gobee van het LUMC presenteerde een casus waarbij adoptie moeizaam ging. In een brainstorm werden ideeën en activiteiten voorgesteld die hem wellicht een stap verder kunnen brengen in zijn adoptievraagstuk.

Evaluatie

Terugkijkend op de events in Nederland kan ik weinig zeggen over de belangstelling voor de online events. Bij de lokaal georganiseerde events was er veel belangstelling in Delft op donderdagmiddag en viel de belangstelling op vrijdag bij SURF mij wat tegen. Van derden hoorde ik mooie geluiden over de eerste sessie van het MOOC café op woensdag. Verder merkte ik dat deze week meer en meer wordt gebruikt om zaken te lanceren. Zo lanceerde de University of Edinburg op maandag een OER policy (hoewel die al eind januari geformuleerd was). In Nederland publiceerde SURF haar rapport over wet- en regelgeving rondom open online onderwijs op dinsdag. Dit rapport kreeg een warme ontvangst, tot een artikel in Trouw aan toe.
Bij de events die ik bijwoonde was het aandeel usual suspects hoog. Voor hen hoeft het doel van deze week, kweken van meer bewustzijn van (on)mogelijkheden van open onderwijs, niet nog eens te worden benadrukt. De eigenlijke doelgroep, de (in termen van Rogers) early majority, zal vooral via de lokale events worden bereikt. Ik ben daarom wel benieuwd naar de ervaringen daarin.
Uiteindelijk zou in deze week de grond vruchtbaar moeten zijn gemaakt en zaadjes moeten zijn geplant bij instellingen die uiteindelijk moeten uitgroeien naar meer activiteiten op het gebied van open online onderwijs. De tijd zal leren of dat gelukt is.

Open Education Information Center

Tijdens de afgelopen zomervakantie is de eerste versie van het Open Education Information Center (OEIC) van het Open Education Consortium gepubliceerd. Het doel van het OEIC is antwoord te verschaffen op allerlei vragen die bij het bezig zijn met Open Education naar boven kunnen komen. Het vervangt de Toolkit die eerder vanaf die website toegankelijk was, maar die sterk verouderd was.
Bij de opzet van het OEIC is ervoor gekozen om vijf ingangen te kiezen:

  • Staf (docenten, ondersteuners) (Faculty)
  • Studenten
  • Administrator
  • Onderzoekers
  • Beleidsmakers

Bij iedere categorie zijn vragen verzameld vanuit de praktijk. Deze vragen zijn binnen de categorie ingedeeld in clusters. Een voorbeeld van zo’n cluster is Using OERs in my classroom in de categorie Faculty. Het antwoord bij iedere vraag bestaat uit een korte tekst en verwijzingen naar bronnen (meestal websites) met een uitgebreidere toelichting.
Deze vraagbaak zal voortdurend worden aangevuld met nieuwe vragen. Iedere gebruiker kan eigen vragen indienen via een Submit Info button op de startpagina van het OEIC. Dat gaat nu nog via e-mail, maar het is de bedoeling hier een webformulier achter te plaatsen.
Behalve vragen indienen kunnen ook opmerkingen over antwoorden en suggesties voor bronnen bij bestaande vragen worden voorgesteld. Bij iedere vraag is ook een item gemaakt in een Community Forum. Gebruikers kunnen hun opmerkingen bij een vraag ook daar achterlaten. Zoals bij veel van dergelijke communities is er nog weinig activiteit daar. Een grotere bekendheid van het OEIC, resulterend in meer traffic, is voorwaardelijk voor meer community activiteit.
Vorig jaar hebben Bert Frissen (Avans, maar inmiddels pensionado), Pierre Gorissen (HAN) en ondergetekende een opzet beschreven voor functies die een dergelijke informatiesite beter toegankelijk zouden maken voor iedere belangstellende, met name voor docenten die bij adoptie van OER problemen ondervinden. Het OEIC beschouw ik als een eerste aanzet van implementatie van dat idee. Wat mij betreft zou een eerste uitbreiding bestaan uit het categoriseren van de bronnen waarnaar verwezen wordt in vereist kennisniveau van het betreffende onderwerp om de bron nuttig te laten zijn (bijvoorbeeld geen of weinig kennis vereist – gemiddelde kennis vereist – veel kennis vereist). Tevens zou de ingang naar te onderscheiden aspecten die nu deels in de clusters is terug te vinden wellicht moeten worden verfijnd.
Het Open Education Consortium heeft mij gevraagd de verdere uitbouw van het OEIC aan te sturen. Ik heb volmondig ja hierop gezegd omdat ik een one-stop-shop waar iedereen met belangstelling voor Open Education terecht kan uiterst waardevol vind voor adoptie van Open Education.
Ik ben erg benieuwd naar ervaringen die gebruikers met deze site hebben. Schroom niet die te delen met het Open Education Consortium en, indien u tevreden bent, maak reclame voor deze site in uw netwerk. Gebruik en participatie in het forum is voor iedereen; je hoeft dus geen lid te zijn van het Open Education Consortium (hoewel ik lidmaatschap wel wil bepleiten, maar dat is een ander verhaal).
 

Open jouw opvatting over openheid

Gisteren woonde ik het seminar over MOOC research bij, uitstekend georganiseerd door de VOR, divisies ICT en HO. Over de presentatie die ik daar heb gehouden heb ik gisteren al een blogpost geschreven (slides presentatie).
Tijdens dat symposium werd me weer eens duidelijk dat bij open onderwijs de termen zeer slecht gedefinieerd zijn. Bij de sprekers die de moeite namen te omschrijven wat ze onder het begrip MOOC verstaan kwamen drie opvattingen naar voren:

  1. Een MOOC is een digitale cursus, online aangeboden, met massive deelname, met gratis toegang en de leermaterialen gedeeld onder een open licentie.
  2. Een MOOC is een digitale cursus, online aangeboden, met massive deelname, met gratis toegang (maar leermaterialen niet per se beschikbaar onder een open licentie).
  3. Een MOOC is een digitale cursus, online aangeboden, met 25-700 deelnemers, geen gratis toegang, waarbij deelnemers soms vrije inschrijving hebben en soms in cohorten vanuit één organisatie deelnemen. De spreker noemde deze MOOC een Corporate MOOC.

De lezing waarbij de laatstgenoemde opvatting werd gebruikt was getiteld High completion corporate MOOCs. Gegeven de aandacht voor completion rates binnen MOOC´s is het mooi te vernemen wat ervoor kan zorgen dat deze omhoog gaan. Om de waarde van de findings uit deze presentatie te kunnen beoordelen op geschiktheid voor de eigen situatie is de beschrijving van de door de spreker gebruikte opvatting van een MOOC dan wel essentieel, met name omdat het sterk afwijkt van de beide andere gebruikte opvattingen.
Ook het verschil in opvatting over openheid in een MOOC (het verschil tussen opvatting 1 en opvatting 2) heeft gevolgen. Te verwachten valt dat onderzoek naar omstandigheden waarin herbruikbaarheid van MOOC´s vruchtbaar kan zijn bij opvatting 1 andere resultaten zal geven dan bij opvatting 2.
Eerder dit jaar is er via de sociale media al eens gediscussieerd over te gebruiken terminologie (zie hier en hier). SURF heeft onlangs een eerste versie van een begrippenkader online onderwijs uitgebracht, waarin ook open vormen van online onderwijs worden beschreven.
Dat laatste document is een goede aanzet om te komen tot standaardisatie van begrippen, maar ik denk ook dat veel begrippen al teveel zijn ingeburgerd om daarbij tot één gedeelde en gebruikte opvatting te komen. Ook wereldwijd is de status quo nu eenmaal niet anders.
Op zich valt met deze situatie goed te leven. In veel omstandigheden zal het voor de discussie niet zoveel uitmaken of je bijvoorbeeld bij een MOOC wel of niet leermaterialen verwacht met een open licentie, of als je open onderwijs alleen in de klassieke opvatting opvat. Maar daar waar het wel uitmaakt moeten we in staat zijn om a. te herkennen dat het uitmaakt en b. de door jou gebruikte terminologie te communiceren. Als dan blijkt dat er verschillende opvattingen bestaan is dat de winst die je behaalt: het is vaak niet nodig om tot één gemeenschappelijke opvatting te komen, maar je bent wel in staat om de gevolgen van de verschillen in opvatting te kunnen inschatten. Het eerder genoemde SURF document kan het startpunt zijn voor eenieder om zijn of haar eigen begrippenkader op te bouwen.
Bij bijeenkomsten waar researchresultaten uitgewisseld worden zou een dergelijke communicatie echter een verplicht nummer moeten zijn, zodat de waarde van de resultaten door iedere aanwezige binnen het eigen framework van begrippen kan worden ingeschat.
 

Rapport Preparing for the Digital University


Deze week verscheen het rapport Preparing for the Digital University, gemaakt in opdracht van en gefinancierd door de Bill and Melissa Gates Foundation. Een van de hoofdauteurs is George Siemens, executive director van het  Learning Innovation and Networked Knowledge Research Lab aan de University of Arlington in Texas. Hij was in 2008, samen met Stephen Downes, de founding father van de eerste MOOC die er gegeven werd (CK08). Verderop in deze blogpost kom ik hierop terug.
Het rapport is het laatste resultaat van het bredere MOOC Research Initiative (MRI). Dit initiatief beoogt  to explore the potential of MOOCs to extend access to postsecondary credentials through more personalized, more affordable pathways.
De subtitel van het rapport luidt: a review of the history and current state of distance, blended, and online learning. Op deze wijze beogen de auteurs een overzicht te geven van de wetenschappelijke onderzoeken die er tot nu toe hebben plaatsgevonden en die van nut kunnen zijn voor verdere ontwikkeling van MOOC’s en digitaal leren.
Het rapport kent de volgende hoofdstukken

  • The history and state of Distance Education. Uit de door hen bestudeerde research literatuur concluderen ze dat “distance education, when properly planned, designed, and supported by the appropriate mix of technology and pedagogy, is equivalent to, or in certain scenarios more effective than, traditional face-to-face classroom instruction. This highlights the importance of instructional design and the active role of institutions play in providing support structures for instructors and learners.” (accentuering door mij aangebracht). Dit omschrijven ze wat uitgebreider in negen observaties over o.a. studenttevredenheid en kwaliteit van research op dit terrein.
  • The history and state of Blended Learning. Ze omschrijven Blended learning (BL) als een mix van traditioneel face2face onderwijs en online leren. Persoonlijk vind ik dat hier wat snel over het verschil tussen onderwijs en leren wordt heengestapt. Hun conclusie: “The findings suggest that advances in technology have fueled the development of BL from a grassroots practice to an emerging research field. The implementation of BL practices by including both online and f2f modes of delivery positively influence student performance, making BL an attractive educational provision. At present, the field of BL is still dependent on the modes of delivery it is derived from, drawing heavily on OL in both theory and in practice. The field of BL is a dynamically changing area, and much of the critique of the existing research noted here is likely to be rapidly addressed in future work. That being said, a critical overview of the field suggests that it can further mature by adopting a digital learning perspective in its own activities.”
  • The history and state of Online Learning. Hun conclusie: “Except for showing no significant difference in effectiveness of online learning compared to traditional face-to-face settings, the studies within the first theme (RS: comparison of online learning with the traditional classroomalso provided directions for further research, necessary to better understand what practices work best in online settings. Our findings further indicate that contemporary research into online learning almost univocally agrees that structured online discussions with clear guidelines and expectations, well-designed courses with interactive content and flexible deadlines, and continuous instructor involvement that includes the provision of individualized, timely, and formative feedback are the most promising approaches to fostering learning in online environments. However, this also implies a more complex role for the instructor in online settings, and a need for research on instructional strategies that would allow for the development of student self-regulatory skills.” (accentuering door mij aangebracht). Deze conclusie geeft inzicht in de eisen die je aan een online leeromgeving mag stellen, maar lijken me ook nogal vanzelfsprekend. Het illustreert wel de complexiteit van het aanbieden van online leren.
  • The history and state of Credentialling and Assessment. Gegeven het eerder beschreven doel van het MRI is dit een logisch onderdeel van deze studie. In hun studie wijzen ze o.a. op het grote verschil tussen Europa en de US op dit gebied: Europa heeft een Bologna accoord en het daaruit ontstane ECTS systeem. Dat geeft een solide basis voor breder erkennen van elders behaalde studiepunten. Hun conclusie luidt dat in de laatste 20 jaar er een spanning is ontstaan tussen enerzijds de wens naar standaardisatie van hoe credentialsmoeten worden gemeten en anderzijds de vele mogelijkheden die er zijn ontstaan om deze standaardisatie te realiseren. De voornaamste onderzoeksgebieden die zij onderkennen zijn:
    • student engagement and learning success,
    • MOOC design and curriculum,
    • self-regulated learning and social learning,
    • social network analysis and networked learning, and
    • motivation, attitude and success criteria

In hun voorwoord trekken de auteurs al de volgende conclusie:

During the process of completing this report, it became clear to us that a society or academic organization is required to facilitate the advancement and adoption of digital learning research. Important areas in need of exploration include faculty development, organizational change, innovative practices and new institutional models, effectiveness of teaching and learning activities, the student experience, increasing success for all students, and state and provincial policies, strategies, and funding models.

Ofwel: veel activiteiten op diverse gebieden zijn nodig om de verdere ontwikkeling van digitaal leren (al dan niet met MOOC’s) effectief te laten zijn. Wie of wat daarbij het voortouw zou moeten nemen is niet aan te geven, maar gezien de omvang en breedheid van activiteiten denk ik dat nog meer samenwerking, tussen instellingen, tussen instellingen en overheden, nationaal en internationaal, onderzoek én implementatie, noodzakelijk is.
Na het verschijnen van dit rapport verscheen er stevige kritiek van Stephen Downes op de opzet en de gebruikte onderzoeksmethode. Zoals in mijn inleiding al aangegeven waren ze partner in crime in 2008. “This is a really bad study” waren de woorden van Downes. Dit leidde tot een serie blogposts van Downes en Siemens met woord en weerwoord die tot op dit moment loopt en ongetwijfeld nog zal worden voortgezet met nu Siemens aan zet. De discussie spitst zich toe op de volledigheid van de literatuurstudie, onvoldoende onderbouwen van evidence en onvoldoende aandacht geven (in de ogen van Downes) aan de ontwikkelingen, waarvan hij en Siemens aan de wieg stonden. In chronologische volgorde:

 

Global meeting Open Education Consortium 2015

Van 22 t/m 24 april werd in het wonderschone Banff in Canada de jaarlijkse Global meeting van het Open Education Consortium (OEC) gehouden.
Voorafgaand aan deze meeting hield het Global OER Graduate Network (GO-GN) haar inmiddels 4e tweedaagse seminar. Twaalf PhD-onderzoekers presenteerden daar hun research plan (de nieuwkomers) danwel resultaten van hun onderzoek (de gevorderden). Voor de gevorderden was het een repetitie voor de presentatie die ze tijdens het congres in een speciale research track moesten geven. Alle onderzoekers kregen feedback van hun peers en de aanwezige supervisors van UNED, OU-UK, Fred Mulder en ondergetekende. Een diversiteit aan nationaliteiten (Spanje, Portugal, Nederland, Griekenland, India, China, Frankrijk, Zuid-Afrika en Israel) en onderwerpen (van Ecosystems for OER in Healthcare tot Recommendations on formative assessment and feedback practices for stronger engagement in MOOCs) passeerden de revue. De bij het congres aanwezige UNESCO OER hoogleraren gaven op de tweede dag acte de presence voor een open discussie over open en OER met de aanwezigen.
>> Slides GO-GN seminar
>> Geselecteerde papers in special issue Openpraxis
Omdat ik tijdens het congres niet alle presentaties kon volgen kreeg ik geen goed beeld van wat de overall thema’s waren die er speelden. Ik heb daarom de abstracts die op de website gepubliceerd zijn geanalyseerd. Dat gaf het volgende beeld.

Presentaties naar thema

De 97 presentaties van het congres waren in een aantal categorieën ingedeeld. De volgende figuur geeft het aantal presentaties per categorie.

Presentaties naar afkomst

De volgende figuur geeft het aantal presentaties, verdeeld naar continent. Omdat drie presentaties auteurs uit twee landen had komt het aantal drie hoger uit dan hiervoor.

 
 
 
 
 
 
Opvallend hier is het relatief grote aantal presentaties uit Afrika. Het merendeel daarvan was afkomstig van het ROER4D project.

OER, MOOC of allebei?

Afgaand op de titel en de abstracts van de presentaties gaf dit het volgende beeld

Trefwoord →

 
 Categorie↓

OER (incl. OCW en open textbooks)

MOOC OER & MOOC Open Education (incl. Open Educational Practices)

Geen van deze begrippen

Innovation

7

1

1

5

1

Evidence of impact

6

2

1

Strategy

15

3

3

5

Implementation

6

3

2

3

Pedagogy & Design

8

3

1

4

Research track ROER4D & GO-GN

11

2

4

Totaal

53

14

1

11

18

Uit dit overzicht blijkt het relatief grote aantal presentaties over OER ten opzichte van MOOC’s. Mocht uit de overstelpende aandacht voor MOOC’s in de afgelopen jaren worden geconcludeerd dat OER een gepasseerd station is, dan leert deze conferentie wel anders.

Aantallen per thema

Analyse van de abstracts gaf een beeld van de belangrijkste thema’s die in de presentaties aan bod kwamen. Er was een duidelijke top-4:

Thema

Aantal

Adoptie van OER (hindernissen, aanpak)

19

Open policy (mapping projects, effecten, aanpak, zowel op nationaal als op instellingsniveau)

14

Toepassingen van open learning

8

Support voor (her)gebruik van OER

7

Opvallend was het gering aantal presentaties over meer maatwerk leren (4) en learning analytics (2). Met name dat laatste viel op, omdat dit in 2014 bij de OEGlobal een veelbesproken thema was in de presentaties.
Nynke Bos van de UvA heeft over dit congres een impressie geschreven met aandacht voor wat OER voor onderwijs kan betekenen.
Naast mijn betrokkenheid bij het GO-GN seminar ben ik ook actief geweest in twee workshops. Samen met o.a. Willem van Valkenburg en Martijn Ouwehand van de TU Delft verzorgden we een introductie in Open Education voor leden van het OEC die nog weinig ervaring hebben met projecten in die sfeer. Tevens verzorgde ik een workshop rondom het binnenkort te lanceren Information Center (IC) van het OEC. Dit IC moet een vraagbaak worden voor iedereen die informatie zoekt over Open Education. Binnen mijn lectoraat is dit ook één van de hulpmiddelen die ik wil ontwikkelen om docenten die met OER aan de slag gaan te kunnen ondersteunen bij problemen. Mede daarom ben ik voorzitter van de werkgroep binnen het OEC die dit moet gaan realiseren.

Is een SPOC open? The sequel

Wilfred Rubens heeft in zijn blog uitgebreid gereageerd op mijn vorige blogpost over de openheid van een SPOC. Hier mijn reactie.
Ik denk dat we het op veel punten eens zijn, maar er blijven bij mij wel wat vragen over naar aanleiding van jouw reactie. Hier puntsgewijs.
De term SPOC gebruiken om mee te liften is helaas een feit in sommige situaties. Maar dat gebeurt ook met MOOC’s. Ik heb aanbod gezien onder die term die nog niet eens vrije (gratis) toegang had. Behalve de marketingreden die jij noemt is dat ook (zoals ik eerder al opmerkte) een gevolg van het slecht gedefinieerd zijn én de vele opvattingen die er over “open” bestaan. De term om die reden niet gebruiken (zoals Willem van Valkenburg ook suggereert) is wel erg radicaal (dat gebeurt ook niet met MOOC’s ondanks het misbruik van die naam). Ik heb overigens net zoveel moeite met het gebruik van de term in de situaties die jij schetst waar de vrije toegang er niet eens is (in mijn kenmerken voor open staat die ook niet voor niets als een apart onderscheidend kenmerk).
Een nieuwe term voor open SPOC’s verzinnen (Willem suggereerde openSPOC; ik dacht aan SPOOC) zal de duidelijkheid niet echt verhogen. “Open course” vind ik echter weer te algemeen (los van het feit dat het je niet ontslaat van de plicht ook dit begrip goed te omschrijven). Ik denk dat velen daar het onderscheid tussen wat bekend staat als “open courseware” en “open course” niet zullen maken (zie bijvoorbeeld de omschrijving van het open course aanbod van Yale). Zoals je al opmerkt: een cursus volgen (onderwijs krijgen) is meer dan alleen de content bekijken (cf wat het 5COE-model ook aangeeft). (Een terzijde: jouw opmerking “‘vroeger’ noemden we deze cursussen open courseware” is onwaar: het onder een open licentie beschikbaar gestelde cursusmateriaal kreeg en krijgt nog steeds die benaming; de totale cursus, dus inclusief de services en onderwijsinspanning is nooit open courseware genoemd). Zelf de term niet gebruiken voorkomt niet dat de term wel in zwang is. Al bij voorbaat SPOC’s uitsluiten wanneer het over open onderwijs gaat (de inhoud van de tweet waarmee deze discussie startte) miskent initiatieven zoals die van de Universiteit Leiden die ook onder die noemer worden gepresenteerd.
Mede door de opmerkingen van jou en Pierre Gorissen merk ik dat ik zelf nog worstel met het “tenminste één” deel van mijn opvatting over open. In mijn eigen blog gaf ik al aan wellicht nog een kenmerk te moeten toevoegen (toegang verlenen (al dan niet in beperkte vorm) aan belangstellenden die niet geregistreerd staan als student bij de aanbiedende instelling). Pierre en jij schetsen situaties die ik ook niet als open zou bestempelen, ondanks dat het strikt genomen wel aan mijn opvatting zou voldoen. Wellicht dat een aantal kenmerken zwaarder weegt dan andere kenmerken? (Ook hier een terzijde: onder “open toegang” versta ik “geen eisen aan vooropleiding” en niet “vrij beschikbare toegang”; ik weet niet zeker of jij dat ook voor ogen had in jouw voorbeeld, maar dat doet er voor jouw argumentatie verder ook niet toe). Daarnaast maakte Darco Jansen ook erg zinnige opmerkingen die ergens in mijn opvatting een plaatsje moet krijgen. Ik worstel nog even verder (maar emergo ;-)).
Juist vanwege de vele opvattingen die er over “open” bestaan en het slecht gedefinieerd zijn van termen zou daarom steeds in specifieke situaties de dialoog moeten gaan over verduidelijking, startend vanuit je eigen opvatting over open en alle terminologie er omheen. Bij mij zou een dialoog dan uitgaan van de opvattingen uit het 5COE-model en de 5R. De dialoog zou dan gaan over of en zo ja welke vormen van openheid welke voordelen kunnen hebben in de specifieke situatie. Bij jou zou wellicht een ander model jouw startpunt zijn. Dat geeft ook niet, zolang die opvattingen open (;-)) gedeeld kunnen worden en (nog veel belangrijker) duidelijk(er) wordt wanneer welke vormen van openheid wel en welke niet een toegevoegde waarde hebben. Ik denk dat we daarmee de open beweging en de invloed ervan op de kwaliteit van het onderwijs echt verder helpen.
Deze aanpak lost de jungle aan termen en bijbehorend misbruik in de media niet op, maar draagt hopelijk wel bij aan een kritische houding tegen deze termen door bewustwording bij stakeholders, waardoor de merites van deze innovaties ook duidelijk worden.

Is een SPOC open?

Vanochtend kwam ik in een twitterdiscussie met Wilfred Rubens (@wrubens) en Marco Derksen (@marcoderksen) over de vraag of een Small Private Online Course (SPOC) een vorm van open onderwijs mag worden genoemd. Wilfred was van mening van niet; ik had de mening van wel (en ik geloof dat Marco het met mij eens was). Omdat 140 karakters het lastig maakt de standpunten duidelijk over het voetlicht te krijgen hebben we afgesproken de discussie via deze blog voort te zetten.
Voor mij is het 5COE-model van Mulder & Janssen het denkmodel dat ik gebruik om open onderwijs te beschrijven. In een eerdere blogpost heb ik dat als volgt geformuleerd:

Fred Mulder en Ben Janssen hebben voor open onderwijs in het algemeen een model geformuleerd (het 5COE-model). In dat model onderkennen ze 5 componenten die ieder een bepaalde mate van openheid kunnen hebben (te bepalen door de instelling die het open onderwijs aanbiedt): aanbod (leermaterialen, services en onderwijsinspanning) en vraag (van de lerende en van de omgeving). Ze onderscheiden openheid in zowel een klassieke opvatting (openheid in tijd, plaats, programma, tempo en toegang) als een digitale opvatting (gratis toegang tot leermaterialen; toegang (maar niet noodzakelijkerwijs gratis) tot services en onderwijsinspanning voor anderen dan formeel geregistreerde lerenden; en leermaterialen beschikbaar onder een open licentie).

Beschikbaarheid onder een open licentie betekent in mijn opvatting dat een gebruiker de vijf rechten heeft die door David Wiley zijn beschreven als 5R:

  1. Retain – het recht om kopieën van het leermateriaal te maken, in eigendom te nemen en te beheersen (bv. download, dupliceren, opslaan en beheren)
  2. Reuse – het recht om leermateriaal te hergebruiken op alle mogelijke wijzen (bv. in een klas, een studiegroep, op een website, in een video)
  3. Revise – het recht het leermateriaal aan te passen, bij te stellen en te wijzigen (bv. door het naar een andere taal te vertalen)
  4. Remix – het recht om het originele of aangepaste leermateriaal te combineren met andere open leermaterialen om zo nieuw materiaal te verkrijgen (bv. door het leermateriaal in een mashup te gebruiken)
  5. Redistribute – het recht om kopieën van het originele leermateriaal, het aangepaste leermateriaal of remixes verder te verspreiden (bv. door een kopie van het leermateriaal aan een collega te geven).

Gebaseerd op deze beschrijving hanteer ik de volgende omschrijving van open onderwijs:

  1. Het leermateriaal is gepubliceerd onder een open licentie. De open licentie geeft de voorwaarden aan waaronder de gebruiker vrij is de 5R-rechten toe te passen.
  2. Het onderwijs voldoet aan tenminste één van de volgende kenmerken:
    1. Open in tijd;
    2. Open in plaats;
    3. Open in tempo;
    4. Open in programma;
    5. Open in toegang;
  3. Het onderwijs en de leermaterialen zijn gratis beschikbaar voor iedereen met internettoegang.
  4. Extra services of onderwijsinspanning (zoals het afleggen van een examen onder geconditioneerde omstandigheden of extra begeleiding van een tutor) hoeven niet gratis te worden aangeboden, zolang de lerende altijd in staat is ook zonder deze services en onderwijsinspanningen het onderwijs te volgen. Bijvoorbeeld: de MOOC-aanbieder Coursera biedt voor certificering een keuze tussen een gratis Statement of Accomplishment en een niet-gratis Verified Certificate

Wellicht niet af te leiden uit de beschrijvingen van 5COE en 5R is het vierde criterium, met name het gratis alternatief die een lerende in mijn ogen altijd moet hebben. Maar in feite is dit een gevolg van criterium 3.
Nagaan of een SPOC een vorm van open onderwijs kan worden genoemd betekent het nalopen van deze vier criteria. En dan wreekt zich het feit dat een SPOC niet goed gedefinieerd is. In de (Engelstalige) Wikipedia staat de volgende omschrijving van een SPOC:

Small Private Online Course (SPOC) refers to a version of a MOOC (Massive Open Online Course) used locally with on-campus students. University of California -Berkeley Professor Armando Fox first coined the word in 2013 to refer to a localized instance of a MOOC course that was in use in a business-to-business context.

Strikt genomen zou een SPOC volgens deze definitie een vorm van open onderwijs mogen worden genoemd (indien het aan de vier criteria voldoet), maar ik ben het hier wel met Wilfred eens dat, door de beperking dat alleen geregistreerde on-campus studenten toegang hebben tot zo’n SPOC, het wel een hele beperkte vorm van open onderwijs is. Impliciet verwacht je bij open onderwijs dat ook toegang wordt verleend aan belangstellenden die niet geregistreerd staan als student bij de aanbiedende instelling. Wellicht zou dat criterium moeten worden toegevoegd aan de bovenstaande set.
Er zijn echter ook implementaties van een SPOC die wel toegankelijk zijn voor studenten die niet geregistreerd staan bij de aanbiedende instelling, zij het niet in onbeperkte aantallen (vandaar Small POC). Het mooiste voorbeeld vind ik de SPOC Sharia in the West van de Universiteit Leiden. Door de on-site studenten te mixen met studenten uit gebieden die voor het cursusonderwerp relevant zijn ontstaat op die wijze een international classroom. En deze opvatting van een SPOC vind ik wel degelijk een vorm van open onderwijs. Temeer omdat Marja Verstelle (Programma Manager Online and Blended Learning Bestuursbureau & Centre for Innovation Universiteit Leiden) me in een tweet het volgende vertelde:

Ofwel: het leermateriaal van de MOOC (en ik verwacht ook van de SPOC, maar dat is een aanname) komt onder een open licentie beschikbaar.
Naast het al eerder door mij aangegeven mogelijk extra criterium levert de opvatting die ik hierboven heb geformuleerd wel meer discussiepunten op:

  • Waarom moet het leermateriaal per se open zijn in de 5R zin? Is gratis toegankelijk (al dan niet beperkt tot de tijdsduur van de cursus) niet al voldoende? (Open beschikbaar stellen van de leermaterialen zou op zijn minst een streven moeten zijn. Wellicht kan dat niet voor alle gebruikte materialen, maar het helpt om een grotere verspreiding, aanpasbaarheid en herbruikbaarheid te bereiken)
  • Waarom hoeft maar aan één van de klassieke opvattingen voor open te worden voldaan? (Een instelling bepaalt uiteindelijk welke vormen van open geboden worden. Er kunnen overwegingen zijn om (bv. vanuit didactisch oogpunt) niet alle vormen toe te laten.)
  • Criterium 3: “voor iedereen” of “voor iedere belangstellende, eventueel met een bovengrens aan aantal”? En is een selectieprocedure zoals in Leiden dan wordt toegepast dan niet te beperkend? (Net als bij het vorige punt: er kunnen overwegingen zijn om dergelijke beperkingen op te leggen. Essentie is dat belangstellenden van buiten worden toegelaten.)

Ik ben dus nog steeds zoekende en probeer ook steeds mijn opvatting aan te scherpen. Voor mij leiden dit type discussies in ieder geval tot meer inzicht in (on)mogelijkheden van openheid (in welke opvatting dan ook) voor het onderwijs. En dat is uiteindelijk waar het om moet gaan.
Wilfred (en andere belangstellenden): the floor is yours! En om reacties via twitter alvast te ontmoedigen: deze blog telt ruim 7000 karakters, het equivalent van meer dan 50 tweets.

Lunchlezingen open en online onderwijs

In het kader van de internationale Open Education Week van 9 t/m 13 maart werd in Nederland op alle werkdagen een lunchlezing gehouden. Een verscheidenheid aan onderwerpen is daarbij de revue gepasseerd. Het primaat lag bij de instellingen voor hoger onderwijs, maar één lezing werd ingevuld door een niet-onderwijsinstelling (Kennisland). De meeste lezingen werden live gestreamd. Tijdens de lezing was er de mogelijkheid via twitter te reageren (hashtag #surfoeweek) en de opnames zijn achteraf te bekijken. SURFNet coördineerde de lezingen door een verzamelpagina op SURFSpace te onderhouden, via social media iedere dag te attenderen op de lezing en tijdens de lezing een moderatorrol te vervullen (monitoren van de tweets en vragen daaruit doorspelen naar degene die de lezing verzorgde).
Een verscheidenheid aan onderwerpen is aan bod gekomen:

  • De Universiteit Tilburg trapte af op maandag. Petra Heck en Esther Breuker presenteerden over hun Flex-Ed project, de ervaringen die ze daarbij meemaakten en welke uitdagingen ze daarbij tegenkwamen. Het project loopt bij Liberal Arts and Sciences en heeft tot doel een flexibeler aanbod te creëren, gebruikmakend van online elementen en open leermaterialen.
  • Dinsdag gaf Willem van Valkenburg van de TU Delft een overzicht van wat er ionternationaal gebeurt en over hun activiteiten bij de TU. Deze lezing was een opname van een keynote die hij de dag ervoor had verzorgd tijdens een on site event in Delft.
  • Woensdag gaven mijn collega Pierre Gorissen en ikzelf een presentatie over twee initiatieven die bij Fontys Hogescholen lopen (het FINE-project en mijn lectoraat Open Educational Resources).
  • Donderdag vertelde Lisette Kalshoven van Kennisland over mythen rondom OER die ze zelf ervaart in haar contacten met docenten, maar die ook verzameld worden op een website OER Mythbusting!. Tevens gaf ze meer achtergronden over auteursrecht en open licenties.
  • Vrijdag presenteerden Simone Buitendijk en Edwin Bakker over de plannen en ervaringen die de Universiteit Leiden heeft met MOOC’s. Meest getweet daarbij was de mededeling dat Coursera hun MOOC’s on demand gaan aanbieden. Dat maakt hergebruik beter mogelijk (niet meer gebonden aan één starttijdstip).

Overall waren dit mijn indrukken:

  • De lezingen gaven een grote verscheidenheid aan initiatieven. Veelal zijn die opgezet in het kader van een experiment onderwijsvernieuwing, waarbij centraal gelden ter beschikking zijn gesteld en via interne tenders projectvoorstellen konden worden gedaan.
  • Naast deze lunchlezingen waren er in het kader van de Open Education Week nog activiteiten op de UvA (een editathon) en lokale activiteiten in Delft en Leiden. Daarnaast was ik zelf betrokken bij een internationale 24-uurs twittermarathon (hashtag #AllAboutOpen) van het Open College van de Kaplan University, waarbij in een half uur informatie over het GO-GN research netwerk werd gedeeld. Helaas viel die samen met de lezing van Lisette Kalshoven, maar gelukkig hebben we de opnames nog.
  • De hoeveelheid reacties via twitter was erg verschillend. Soms vroeg de moderator bij SURFNet actief naar reacties en dat hielp wel. Bij de meeste lezingen waren er twee of drie personen die meerdere malen reageerden en dat kwam de levendigheid van zo’n lezing wel ten goede. Bij alle lezingen (behalve die van Kennisland) was er ook lokaal live publiek aanwezig die ook vragen kon stellen. Doordat er daarbij vaak geen microfoon werd gebruikt waren die niet altijd duidelijk voor de toehoorder online. Het was jammer dat de lezing op dinsdag een opname was van de dag ervoor. Wellicht verklaart dat ook dat er toen geen twittervragen waren (in ieder geval niet met de hashtag #surfoeweek). Bij iedere lezing hadden de deelnemers twee stellingen geformuleerd die vooraf via twitter werden gecommuniceerd, maar waar weinig reacties op kwamen.
  • Helaas heb ik wel veel technische problemen ervaren. Op diverse plekken heb ik de lezingen bekeken (Fontys werkplek met laptop, bij SURFNet, thuis op een bekabelde desktop), maar bufferproblemen (op dinsdag en vrijdag; de opnames van vrijdag hebben die problemen nog steeds) en de Silverlight plugin waarbij ik pas na 30 minuten doorkreeg dat ik handmatig moest accepteren in mijn Chrome browser (op maandag), zorgden ervoor dat ik delen van de lezingen heb gemist. Direct reageren via twitter was dan ook beperkt mogelijk voor mij.

Concluderend: de lezingen waren erg divers qua onderwerp en daardoor voor elk wat wils. Het was daarbij ook mooi te horen over de activiteiten die er in het land ontplooid zijn op het gebied van open en online onderwijs. Persoonlijk brachten de lezingen in Tilburg en Leiden voor mij het meeste nieuws. Het is waardevol om dit format volgend jaar te herhalen. Ik hoop dan op deelname van andere instellingen, want er gebeurt veel meer dan deze week aan bod kwam.
Opnames van alle lezingen zijn te benaderen via de verzamelpagina op SURFSpace.