Open in post-corona

CC0 Matthew Affflecat. https://pixabay.com/nl/illustrations/corona-virus-coronavirus-virus-4932576/
Gedwongen door de coronavirus pandemie is de afgelopen weken wereldwijd door velen keihard gewerkt om het mogelijk te maken onderwijs op afstand online aan te bieden. Websites met tips over tools, didactiek, ondersteuning voor ouders en good practices schoten als paddestoelen uit de grond, zowel op instellingsniveau als landelijk en mondiaal. In Nederland startte SURF een Vraagbaak online onderwijs en Kennisnet de website Les op afstand voor PO, VO en MBO en publiceerde UNESCO een website met tien tips voor leren op afstand. Open Educational Resources (OER) en (Massive) Open Online Courses ((M)OOC’s) worden als vrij toegankelijk beschikbaar digitaal leermateriaal ingezet, naast commercieel digitaal leermateriaal dat door diverse uitgevers gedurende deze crisis vrij toegankelijk wordt gemaakt. Zelf kreeg ik diverse vragen over vindplaatsen voor OER (waarbij ik als antwoord verwees naar de toolkit op mijn website) en (M)OOC’s (waarbij voor mij de portal Class Central met stip op 1 staat als startpunt voor zoeken). Een idee om colleges, zelf thuis opgenomen met een webcam, vrij toegankelijk beschikbaar te stellen leidde tot de website Quarantaine colleges. Op het moment van schrijven van deze post stonden 16 videos van colleges online, in tijd variërend van 7 minuten tot bijna 1,5 uur.

Maar er komen ook diverse pijnpunten naar boven:

  • een dreigende vergroting van de tweedeling in de maatschappij tussen leerlingen en studenten die in een thuissituatie goed ondersteund kunnen worden (voldoende IT-apparatuur beschikbaar en een omgeving die het leerproces kan ondersteunen) en degenen waar dat minder goed geregeld is;
  • docenten die een (didactische) aanpak van een face-2-face situatie 1-op-1 vertalen naar een online situatie (colleges, zelfde soort summatieve toetsing, verwachtingen van zelfde soort gedrag bij studenten online als die ze bij face-2-face onderwijs vertonen);
  • praktijkonderwijs is lastig om volledig online te geven;
  • De snelheid waarmee adoptie van de tools plaatsvindt en waarmee online brengen van digitale bronnen gebeurt gaat soms ten koste van aandacht privacy (AVG en de noodzaak voor verwerkersovereenkomsten met leveranciers van de tools) en auteursrechten die op bronnen kunnen rusten.

Daarnaast spelen ook gevoelens van angst voor de ziekte zelf en de onzekerheid over hoelang dit gaat duren en welke consequenties dit mogelijk economisch kan hebben een rol. Gevoelens die ongetwijfeld hun weerslag hebben op de onderwijs- en leerprocessen en de mentale weerbaarheid van docenten en studenten.

Mag hier desondanks gesproken worden over een adoptie van open online onderwijs en OER? Daar heb ik twijfels over. Inderdaad, voor velen zal deze gedwongen transitie naar volledig online de eerste ervaringen zijn met deze vorm van onderwijs en met OER. Dit zal met name gelden voor wat Rogers (2003) aanduidt als de Early en Late majority van docenten. Er is simpelweg geen alternatief beschikbaar, dus iedereen zal moeten roeien met de riemen die het heeft. Hergebruik van vrij toegankelijke bronnen (al dan niet met rechten van aanpassing onder voorwaarden die door de open licentie worden voorgeschreven) zal ongetwijfeld een grote groei kennen. Docenten en studenten zullen met name de snelle beschikbaarheid van deze bronnen als toegevoegde waarde in de huidige context ervaren.

Blijvende adoptie

Hoe kunnen we ervoor zorgen dat deze ervaringen in een post-corona tijdperk beklijven en leiden tot een blijvende vergroting van adoptie van OER? De sleutel hiervoor ligt in het bepalen van welke toegevoegde waarde docenten in een meer genormaliseerde situatie zullen ervaren bij een dergelijke adoptie. Uit diverse onderzoeken (waaronder mijn eigen onderzoek in (Schuwer & Janssen, 2018)) is al bekend dat, naast snelle beschikbaarheid, toegevoegde waarde op diverse vlakken wordt ervaren:

  • Institutionele voordelen (zoals marketing en exposure door open publiceren van bronnen, het bereiken van nieuwe doelgroepen (bijvoorbeeld professionals in de beroepsbevolking));
  • Financiële voordelen (bronnen die duur zijn om te maken (bv. MOOC’s) worden hergebruikt);
  • Educatieve voordelen (zoals het vermogen om blended learning beter te ondersteunen (met flipped classroom  als meest genoemde vorm), efficiëntie in het creëren van leermateriaal door hergebruik van bestaande bronnen, beter kunnen omgaan met diversiteit, het verbeteren van de kwaliteit van het leermateriaal (bijvoorbeeld door peer feedback op gedeelde materialen of in vakcommunities gezamenlijk ontwikkelen van materialen), en ultimo daardoor verbeteren van de kwaliteit van het onderwijs);
  • Persoonlijke voordelen (zoals erkenning, idealistische motieven en tegenwicht voor commerciële uitgevers).

Uit diezelfde onderzoeken wordt ook duidelijk dat er een infrastructuur (zowel technisch als organisatorisch) nodig is om de drempels voor adoptie van OER zo laag mogelijk te maken:

  • Een technische infrastructuur moet ervoor zorgen dat open bronnen eenvoudig te delen en te vinden zijn, dat bronnen in een format beschikbaar zijn die aanpassing mogelijk maken (door bijvoorbeeld niet alleen een bron te publiceren in een format dat voor gebruik handig is, maar ook in een format dat aanpassing mogelijk maakt). Op diverse plekken wordt al eraan gewerkt om die infrastructuur te realiseren (bijvoorbeeld in de zone Naar digitale (open) leermaterialen in het Versnellingsplan Onderwijsinnovatie met ICT).
  • Een organisatorische infrastructuur moet ervoor zorgen dat voor docenten (de decisive change agents in deze adoptie) optimale ondersteuning (ICT, onderwijskundig en auteursrechtelijk) en een veilige experimenteeromgeving beschikbaar is. Een dergelijke infrastructuur kan worden geborgd door een instellingsbeleid op dit punt. De UNESCO publicatie Guidelines on the Development of Open Educational Resources Policies levert handvatten om een dergelijk beleid te formuleren.

Deze periode maakt ook duidelijk dat toegang tot voldoende geëquipeerde ICT voor een grote groep lerenden in Nederland niet voldoende gerealiseerd is. Wellicht is dat minder een probleem in een genormaliseerde situatie, maar deze beperktere toegang, veelal vanwege financiële motieven, strekt zich ook uit naar toegang tot leermaterialen. De financiële voordelen van gebruik van open leermaterialen worden daarmee niet alleen ervaren door de instelling die ze adopteren, maar ook door de lerenden.

Docenten ervaren in deze periode ook aan den lijve dat online afstandsonderwijs een andere tak van sport is dan face-2-face. Het vereist een ander ontwerp en andere didactische werkvormen dan in een face-2-face situatie mogelijk is. Het is daarom niet verwonderlijk dat veel van de hulpbronnen die nu snel online zijn gebracht handvatten geven om hierin eerste stappen te zetten. Daar waar in deze periode ruimte is om deze ervaringen goed te ondersteunen en uit te bouwen door docenten duidelijk te maken dat een aantal voordelen van deze veranderingen ook in een genormaliseerde situatie kunnen gelden, zal dat ongetwijfeld bijdragen aan blijvende adoptie. Die ruimte moet er niet alleen in tijd zijn, maar ook mentaal. Die mentale ruimte kan door de eerder genoemde angst en onzekerheid die deze periode met zich meebrengt beperkt zijn, maar het is de moeite waard alert te zijn op deze kansen. Adoptie van OER, of breder, adoptie van opener vormen van onderwijs maakt bijvoorbeeld vormen van onderwijs beter mogelijk met kenmerken als student agency en alternatieve vormen van toetsing (non-disposable assignment). Deze vormen staan bekend onder de parapluterm Open Pedagogy. De SURF Special Interest Groep Open Education heeft hier eind vorig jaar een publicatie over uitgebracht met meer informatie.

Welke ervaringen die nu worden opgedaan met gebruik van OER zullen beklijven? Zullen docenten blijvend hun colleges opnemen met hun eigen webcam en die opnamen delen en welke toegevoegde waarde wordt daarvan dan ervaren? Zullen de ervaringen juist leiden tot een grotere aversie tegen online onderwijs of tot meer bewustzijn dat de mix van online en face-2-face door inzet van OER voordelen kan bieden waar men zich tot nu toe nooit bewust van was? Zal dit alles leiden tot een grotere vraag naar ondersteuning en zijn instellingen daarop voorbereid? Kunnen we studenten een grotere rol geven in de adoptie van OER, bijvoorbeeld door zicht te krijgen op de bronnen die zij verzamelen? Zoeken docenten elkaar nu ook virtueel op en kan dat een kiem zijn voor een vakcommunity waarin maken, delen en hergebruiken van OER een rol heeft? De tijd zal het leren, maar door nu alert te zijn op kansen en daarnaar te handelen kan op een opener toekomst worden voorgesorteerd.

Referenties

Rogers, E. M. (2003). Diffusion of innovations (5th ed.). New York, NY: Free Press

Schuwer, R., & Janssen, B. (2018). Adoption of Sharing and Reuse of Open Resources by Educators in Higher Education Institutions in the Netherlands: A Qualitative Research of Practices, Motives, and Conditions. The International Review of Research in Open and Distributed Learning19(3). https://doi.org/10.19173/irrodl.v19i3.3390

 

UNESCO Recommendation on OER


This post is also available in Dutch.

At the end of November, UNESCO’s General Conference adopted the Recommendation on OER. This was the result of more than five years of work, starting from the Paris OER Declaration of 2012, with the 2nd World Congress on OER in 2017 in Ljubljana as an intermediate stage, where an Action Plan on OER was adopted (see the blog I wrote about it at the time). At the OEGlobal Conference in Milan, Mitja Jermol (UNESCO Chair in Slovenia and closely involved in drawing up the Recommendation) gave a hint of what such a process looks like (video).

What is a UNESCO Recommendation?

On the UNESCO website you can find which instruments UNESCO distinguishes between. Although it can be found there that one instrument is not superior to another, there are essential differences between (the impact of) a Declaration and a Recommendation (emphasis added by me):

  • “Recommendations are intended to influence the development of national laws and practices.”
  • “(A declaration) set forth universal principles to which the community of States wished to attribute the greatest possible authority and to afford the broadest possible support.”

A country that has signed the OER Recommendation is also commended to report periodically on the progress it has made in implementing the Recommendation:

(The General Conference) decides that the periodicity of the reports of Member States on the measures taken by them to implement the Recommendation concerning Open Educational Resources (OER) will be every four years;

There was no such obligation in the Paris OER Declaration, which gave that instrument a somewhat more non-committal approach to compliance.

The overview of UNESCO Recommendations (updated to the previous General Conference in 2017) shows that the Recommendation on OER is the 35th since UNESCO was founded (the first is from 1956) and the 9th that deals with education (the first is from 1960). This illustrates the importance that UNESCO attaches to the large-scale adoption of OER, particularly as one of the means of achieving Sustainable Development Goal 4 (ensure inclusive and equitable quality education and promote lifelong learning opportunities for all). The Recommendation is intended for all educational sectors, not just higher education.

The text of the Recommendation currently available is a Draft version of 8 October. This text was adopted unanimously at the General Conference. The final text therefore does not deviate (to my knowledge) from this Draft and will soon be available on the UNESCO website.

What is the content of the Recommendation?

The Recommendation aims at:

  • Achieving sustained investment and educational actions by governments and other key education stakeholders, as appropriate, in the creation, curation, regular updating, ensuring inclusive and equitable access, and effective use of high quality educational and research materials and programmes of study.

  • Through the application of open licences to educational materials achieving more cost-effective creation, access, re-use, re-purpose, adaptation, redistribution, curation, and quality assurance of those materials.

  • Through judicious application of OER, in combination with appropriate pedagogical methodologies, well-designed learning objects and the diversity of learning activities, a broader range of innovative pedagogical options are available to engage both instructors and learners to become more active participants in educational processes and creators of content as members of diverse and inclusive Knowledge Societies.

  • Achieving regional and global collaboration and advocacy in the creation, access, re-use, re-purpose, adaptation, redistribution and evaluation of OER can enable governments and education providers to evaluate the quality of the open access content and to optimise their own investments in educational and research content creation, as well as ICT infrastructure and curation, in ways that will enable them to meet their defined national educational policy priorities more cost-effectively and sustainably.

These goals also address the question: why should efforts be made to increase the adoption of OER? How do OER contribute to the realisation of SDG 4? The added value of OER is not only making education more accessible by lowering financial thresholds and taking account of people with disabilities, but the use of OER in teaching and learning situations also leads to a richer learning environment due to the greater availability of learning materials on which a user can exercise the 5R rights. In addition, these objectives emphasise the importance of collaboration between stakeholders.

In order to achieve these goals, five action lines have been defined:

  1. Capacity building: ensuring that sufficient knowledge about and resources for the adoption of making, sharing, reuse, and dissemination of OER and the use of open licences are available.
  2. Developing supportive policy: encouraging governments, authoritative educational institutions (for example in the Netherlands VSNU, VH, SURF, and Kennisnet) and educational institutions to adopt regulatory frameworks to support open licensing of publicly funded educational and research materials, develop strategies to enable use and adaptation of OER in support of high quality, inclusive education and lifelong learning for all, supported by relevant research in the area.
  3. Effective, inclusive and equitable access to quality OER: supporting the adoption of strategies and programmes including through relevant technology solutions that ensure OER in any medium are shared in open formats and standards to maximize equitable access, co-creation, curation, and searchability, including for those from vulnerable groups and persons with disabilities
  4. Nurturing the creation of sustainability models for OER: supporting and encouraging the creation of sustainability models for OER at national, regional and institutional levels, and the planning and pilot testing of new sustainable forms of education and learning.
  5. Fostering and facilitating international cooperation: supporting international cooperation between stakeholders to minimize unnecessary duplication in OER development investments and to develop a global pool of culturally diverse, locally relevant, gender-sensitive, accessible, educational materials in multiple languages and formats.

The Recommendation also contains statements on the monitoring of activities undertaken by governments to implement the action lines: measuring the effectiveness and efficiency of OER policy, collecting and disseminating good practices, innovations, and research reports on the application of OER and their consequences, and developing strategies for monitoring the effectiveness of OER in education and the long-term financial efficiency of OER. As already mentioned, governments are required to report periodically on the results of these monitoring activities.

What does this mean for education in the Netherlands?

At first sight, the Recommendation seems to lead mainly to activities for the government. However, I think that this document should also (and perhaps especially) be fleshed out from the bottom up. Stakeholders such as VSNU, VH, SURF, and Kennisnet, as well as individual educational institutions in all educational sectors, could consider:

  • Develop a vision of the adoption of OER in their context. This vision should make statements not only about open sharing of learning resources, but also about their reuse. Such a vision cannot be considered in isolation from a broader vision on education, so the role OER can play in the educational context also becomes clear.
  • Translating the vision into a policy on the adoption of OER. A study (publication and report (in Dutch)) that Ben Janssen and I carried out in the higher education sector revealed that there are a number of issues that need to be addressed: increasing awareness among instructors, ensuring that there is sufficient time available, safe room for experimentation, sufficient knowledge about OER, and support (in the areas of copyright, educational technology, and ICT).
  • Encourage collaboration with other institutions. That does not necessarily have to be done internationally (as described in the last action line). Not only can collaboration ultimately lead to more efficient processes for creating and reusing OER, but by working together with several institutions it becomes a means of learning about each others educational practices, which can be at least as valuable.
  • Encourage initiatives that are already being undertaken from the bottom up, for example by providing time and support. This can be done in parallel with the more policy-oriented activities mentioned above.
  • Facilitate research into how OER initiatives can ultimately be made sustainable (i.e. independent of initial project subsidies) within an institution.

Availability of learning materials, both open and closed, is less of an issue in the Dutch context than, for example, in large parts of the Global South. However, there seems to be less attention for adapting these learning materials for people with disabilities. For example, a random search in the Wikiwijs database reveals that most of the materials I find there do not offer facilities to support visually impaired people. Adoption of OER by instructors will, however, be encouraged when the role OER can play in realising their vision of education is clear. The “what’s in it for me” question will then be addressed. The aforementioned research by Ben Janssen and myself suggested that that question should be clear for instructors for successful adoption of OER.

Many tools (toolkits, step-by-step plans) are already available to support these activities. At the national level, SURF has developed tools that can be used, and Kennisnet is working on something similar. UNESCO and the Commonwealth of Learning recently published a report Guidelines on the Development of Open Educational Resources Policies that contains concrete tools for formulating policy on OER (see an earlier blog post). Internationally, a coalition has been formed in which, for example, Creative Commons and the Open Education Global participate. This coalition aims to provide artifacts and services to support parties in implementing the Recommendation.

UNESCO Recommendation on OER

Deze blogpost is ook beschikbaar in Engels.

Eind november heeft de General Conference van UNESCO de Recommendation on OER aangenomen. Dit was het resultaat van meer dan vijf jaar werk, startend vanuit de Paris OER Declaration uit 2012, met als tussenstation het 2nd World Congress on OER in 2017 in Ljubljana waar een Action Plan on OER werd aangenomen (zie de blog die ik daar toen over schreef). Mitja Jermol (UNESCO Chair in Slovenië en nauw betrokken bij de totstandkoming van de Recommendation) lichtte tijdens de OEGlobal Conference in Milaan een tipje van de sluier op over hoe een dergelijk proces eruit ziet (video).

Wat is een UNESCO Recommendation?

Op de website van UNESCO is te vinden welke instrumenten UNESCO onderscheidt. Hoewel op die website te vinden is dat het ene instrument niet superieur is t.o.v. een andere, zijn er wel essentiële verschillen tussen met name (de impact van) een Declaration en een Recommendation (nadruk aangebracht door mij):

  • “Recommendations are intended to influence the development of national laws and practices.”
  • “(A declaration) set forth universal principles to which the community of States wished to attribute the greatest possible authority and to afford the broadest possible support.”

Een land dat de OER Recommendation heeft ondertekend heeft zich daarmee ook verplicht om periodiek vorderingen te melden die het heeft gemaakt op de implementatie van de Recommendation:

(The General Conference) decides that the periodicity of the reports of Member States on the measures taken by them to implement the Recommendation concerning Open Educational Resources (OER) will be every four years;

Een dergelijke verplichting ontbrak bij de Paris OER Declaration, hetgeen dat instrument wat meer vrijblijvendheid gaf aan de lidstaten wat betreft het navolgen ervan.

Uit het overzicht van Recommendations van UNESCO (bijgewerkt tot en met de vorige General Conference uit 2017) valt te halen dat de Recommendation on OER de 35e is sinds de oprichting van UNESCO (de eerste is uit 1956) en de 9e die over Education gaat (de eerste is uit 1960). Dit illustreert het belang dat UNESCO hecht aan grootschalige adoptie van OER, met name als één van de middelen om Sustainable Development Goal 4 (ensure inclusive and equitable quality education and promote lifelong learning opportunities for all) te realiseren. De Recommendation is bedoeld voor alle onderwijssectoren, niet alleen hoger onderwijs.

De tekst van de Recommendation die momenteel beschikbaar is is een Draft versie van 8 oktober. Deze tekst is unaniem aangenomen op de General Conference. De finale tekst wijkt daarom (bij mijn weten) niet af van deze Draft en zal eerdaags wel beschikbaar komen via de website van UNESCO.

Wat is de inhoud van de Recommendation?

De Recommendation heeft de volgende doelen:

  • Realiseren van duurzame investeringen en educatieve maatregelen door overheden en andere belangrijke stakeholders in onderwijs voor creatie, curatie, periodieke aanpassingen, verzekeren van inclusieve toegang tot en effectief gebruik van hoge kwaliteit onderwijs- en onderzoeksmaterialen en studieprogramma’s.

  • Door gebruik van open licenties voor leermaterialen realiseren van mogelijkheden om meer kosten-effectief creatie van, toegang tot, curatie , hergebruik, aanpassing, verspreiding van en kwaliteitsborging van deze leermaterialen te realiseren.

  • Door verstandig gebruik van OER, in combinatie met passende didactische en pedagogische methoden, goed ontworpen leerobjecten en diversiteit van leeractiviteiten, realiseren van een brede waaier van innovatieve pedagogische en didactische opties om zowel docenten als lerenden actiever te betrekken bij de onderwijsactiviteiten, en makers van content te worden in een diverse en inclusieve kennismaatschappij.

  • Realiseren van regionale en mondiale samenwerking en belangenbehartiging bij creatie van, toegang tot, curatie , hergebruik, aanpassing, verspreiding van, kwaliteitsborging en evalueren van OER, waardoor overheden en onderwijsaanbieders in staat zijn de kwaliteit van de open access content te beoordelen en hun eigen investeringen in het creëren van onderwijs- en onderzoekscontent, alsmede ICT-infrastructuur en curatie te optimaliseren op een manier die hen in staat stelt op een meer kosteneffectieve en duurzame wijze te voldoen aan de door hen vastgestelde nationale prioriteiten voor het onderwijsbeleid.

Deze doelen adresseren ook de vraag: waarom zou gestreefd moeten worden tot grotere adoptie van OER? Hoe dragen OER bij aan realiseren van SDG 4? De meerwaarde van OER is niet alleen het toegankelijker maken van onderwijs door verlagen van financiële drempels en rekening houden met mensen met een beperking, maar toepassing van OER in onderwijs- en leersituaties leidt ook tot een rijkere leeromgeving door de grotere beschikbaarheid van leermaterialen waarop een gebruiker de 5R rechten kan uitoefenen. Daarnaast benadrukken deze doelen het belang van samenwerking tussen stakeholders.

Om deze doelen te bereiken zijn vijf actielijnen gedefinieerd:

  1. Capacity building: ervoor zorgdragen dat voldoende kennis over en middelen voor adoptie van maken, delen, hergebruiken en verspreiding van OER en gebruik van open licenties beschikbaar is.
  2. Ontwikkelen van ondersteunend beleid: stimuleren van overheden, gezaghebbende instanties voor onderwijs (bijvoorbeeld in Nederland VSNU, VH, SURF en Kennisnet) en onderwijsinstellingen voor adoptie van kaders voor regelgeving ter ondersteuning van onder een open licentie beschikbaar stellen van door de overheid gefinancierd onderwijs- en onderzoeksmateriaal, ontwikkeling van strategieën om het gebruik en aanpassing van OER mogelijk te maken om daarmee hoogwaardig, inclusief onderwijs en leven lang leren voor iedereen te realiseren, ondersteund door relevant onderzoek op dit gebied.
  3. Zorgen voor effectief, inclusief en voor iedereen gelijke toegang tot kwalitatief hoogwaardige OER: ondersteunen van adoptie van strategieën en programma’s, onder meer door middel van relevante technologie, die ervoor zorgen dat OER op elk medium in open formaten en standaarden worden gedeeld om een zo groot mogelijke voor iedereen gelijke toegang, co-creatie, curatie en doorzoekbaarheid te waarborgen, ook voor kwetsbare groepen en personen met een handicap.
  4. Bevorderen van het creëren van modellen voor duurzame beschikbaarheid van OER: ondersteunen en stimuleren van het creëren van modellen voor duurzame beschikbaarheid van OER op nationaal, regionaal en institutioneel niveau, en het plannen en testen van nieuwe duurzame vormen van onderwijs en leren.
  5. Bevordering en facilitering van internationale samenwerking: ondersteuning van internationale samenwerking tussen belanghebbenden om onnodige doublures bij investeringen in OER-ontwikkeling tot een minimum te beperken.

Tevens bevat de Recommendation uitspraken over monitoring van activiteiten die door overheden worden ondernomen om invulling aan de actielijnen te geven: meten van effectiviteit en efficiëntie van OER-beleid, verzamelen en verspreiden van good practices, innovaties en onderzoeksrapporten over toepassing van OER en de gevolgen daarvan, en ontwikkelen van strategieën voor toezicht op de effectiviteit van OER in het onderwijs en de financiële efficiëntie van OER op de lange termijn. Zoals eerder al vermeld zijn overheden gehouden aan het periodiek rapporteren van de resultaten van deze monitoring activiteiten.

Wat betekent dit voor het Nederlandse onderwijs?

Op het eerste gezicht lijkt de Recommendation vooral tot activiteiten voor de overheid te leiden. Ik denk echter dat ook (en misschien wel vooral) van onderaf invulling gegeven moet worden aan dit document. Stakeholders als VSNU, VH, SURF en Kennisnet en individuele onderwijsinstellingen in alle sectoren kunnen daarbij denken aan:

  • Ontwikkelen van een visie op adoptie van OER in hun context. Deze visie moet niet alleen uitspraken doen over open delen van leermaterialen, maar ook over hergebruik ervan. Een dergelijke visie kan ook niet los worden gezien van een bredere visie op onderwijs, waardoor de rol die OER kan spelen daarin ook duidelijk wordt.
  • Vertalen van de visie in een beleid op adoptie van OER. Uit een onderzoek (publicatie en rapport) dat Ben Janssen en ik in het hoger onderwijs hebben uitgevoerd kwam naar boven dat aandachtspunten daarbij zijn: zorgen voor grotere awareness onder docenten, borgen van voldoende beschikbare tijd, veilige experimenteerruimte, voldoende kennis over OER, ondersteuning (op gebied van auteursrecht, onderwijskundig en ICT).
  • Bevorder de samenwerking met andere instellingen. Dat hoeft niet per se internationaal (zoals in de laatste actielijn staat beschreven). Niet alleen kan samenwerking uiteindelijk leiden tot efficiëntere processen bij creatie en hergebruik van OER, maar door dit gezamenlijk met meerdere instellingen op te pakken wordt het een middel om ook bij elkaar in de keuken te kijken, wat tenminste zo waardevol kan zijn.
  • Stimuleer initiatieven die er nu al van onderaf worden ondernomen, bijvoorbeeld door te zorgen voor tijd en ondersteuning. Dat kan parallel aan de meer beleidsachtige activiteiten die hierboven staan genoemd.
  • Faciliteer onderzoek naar hoe OER initiatieven uiteindelijk duurzaam (lees: onafhankelijk van initiële projectsubsidies) kunnen worden gemaakt binnen een instelling.

Beschikbaarheid van leermaterialen, open danwel gesloten, is in de Nederlandse context minder een issue dan bijvoorbeeld in grote delen van de Global South. Aandacht voor aanpassing van die leermaterialen voor bijvoorbeeld mensen met een beperking lijkt er echter minder te zijn. Zo leert een willekeurige zoekactie in de database van Wikiwijs mij dat de meeste materialen die ik daar vind geen faciliteiten biedt om slechtzienden te ondersteunen. Adoptie van OER door docenten zal echter vooral gestimuleerd worden als de rol die het kan hebben bij het realiseren van zijn of haar visie op onderwijs duidelijk is. De “what’s in it for me”-vraag wordt daarmee dan geadresseerd. Het al eerder genoemde onderzoek van Ben Janssen en mij bracht naar voren dat die vraag beantwoord moet zijn voor docenten.

Er zijn al veel hulpmiddelen (toolkits, stappenplannen) beschikbaar om dit te ondersteunen. Op nationaal niveau heeft SURF instrumenten ontwikkeld waarmee aan de slag kan worden gegaan en is Kennisnet bezig met iets soortgelijks. UNESCO en de Commonwealth of Learning hebben onlangs een rapport Guidelines on the Development of Open Educational Resources Policies gepubliceerd dat concrete tools bevat om een beleid op OER te formuleren (zie een eerdere blogpost). Internationaal is er een coalitie gevormd waarin o.a. Creative Commons en de Open Education Global participeren. Deze coalitie streeft naar leveren van artefacten en services om partijen te ondersteunen bij het implementeren van de Recommendation.

Guidelines on the Development of Open Educational Resources Policies

Recently, UNESCO and the Commonwealth of Learning (COL) have published a report with Guidelines on the Development of Open Educational Resources Policies. According to a tweet from one of the authors, Dominic Orr, this publication took a long time before it was finalized:

These guidelines are published just in time for the 40th session of the General Conference of UNESCO, organized from 12-27 November in Paris. In this conference, the Draft Recommendation on Open Educational Resources will be on the Agenda for acceptance by the Member States. To realize the ambitions as stated in this Recommendation, policies both on national level and institutional level will be necessary.

The aim of the guidelines are, in the words of the authors (p. 2):

  1. Understand essential subject-matter knowledge on OER through a learning-by-doing process
  2. Develop a set of procedural knowledge on OER policy planning, working through key steps necessary for designing a comprehensive OER policy
  3. Reinforce the contextual knowledge needed to leverage OER in achieving SDG 4 through assessing the policy context and needs for OER, planning institutionalised programmes and drawing up a contextualised masterplan
  4. Ensure the commitment to policy adoption and implementation through integrating stakeholder engagement into the policy-planning process and determining adequate policy endorsement and implementation strategies
  5. Enhance the quality of policy implementation by planning a mechanism for monitoring and evaluation, and working towards an evidencebased policy-planning and updating cycle

The target group are “those directly involved in policy design” (p.2).

The structure of the report is based on a 7-phase action plan, devised by the authors of these guidelines:

Each phase has the same structure in the guidelines:

  • Overview of the phase;
  • Learning outcomes: “After reading and working through this chapter, you are expected to be able to:”;
  • Guidelines for the topic on hand, illustrated with tools, literature references and examples;
  • A set of guiding questions to fill in by the user of the guidelines and with which s/he can apply the knowledge of the chapter on her/his own policy development.

With this setup, the report can really be used as a guide taking you by the hand in step-by-step developing your own OER policy.

Remarks

Overall, I consider these Guidelines as a valuable tool for formulating OER policies. I especially like the last phase on launching the OER policy. This phase is crucial for the success of policy, since it focuses on ultimately realizing impact with the teachers. As I mentioned in an earlier blogpost (in Dutch), there is a long way to go with many hurdles to pass before policies on a high level have impact on the “chalk level”. For this, more detailed guidances and good practices (e.g. to extract from the OER Worldmap) could be a valuable addition to these Guidelines.

A bit unclear for me is for which types of OER policies these Guidelines have been developed. Although table 3 (p. 34) suggests the Guidelines could be used for both national and institutional policies, box 3.1 (p. 36) points the user of the Guidelines to alternative tools and guidelines, specifically for developing an institutional OER policy. And because most examples in the Guidelines are from national policies, one could question its applicability for other than national policies. Asking this to one of the authors of the Guidelines, Ben Janssen, he confirmed applicability also for institutional policies, but considered that some of the guiding questions at the end of each chapter should be changed a bit.

OER policies could be widened to policies on Open Education. One such example can be derived from the strategical agenda from the Ministry of Education, Culture and Science in the Netherlands. In the 2015 version (soon to be updated), this agenda formulated the ambition that in 2025 all Dutch Higher Education institutions would recognize each other MOOCs. Institutional open policies are needed to realize this ambition, going beyond the framework shaped by these Guidelines.

Finally, much attention is needed for policies in other sectors than Higher Education. Although the examples provided in the Guidelines are also taken from K12 and Vocational Education (kudos!) and are not only targeted to policies on open textbooks (kudos!), the majority of the examples stems from Higher Education. When the overview of policies from OER Worldmap is representative, this Map illustrates the urgent need for policy makers to give more attention to sectors other than Higher Education. Currently, the overview consists of 172 examples of OER policies, of which 48% are targeted towards Higher Education, 37% cross sector and only 1 (0.58%) towards Vocational Education. Therefore, it is strongly recommended to bring these Guidelines under the attention of policy makers outside of the Higher Education sector.

 

 

Naar digitale (open) leermiddelen

Ruim een jaar nadat het idee van de Versnellingsagenda Onderwijsinnovatie werd gepresenteerd is op 1 januari jongstleden het vierjarig programma Versnellingsplan Onderwijsinnovatie met ICT gestart. In het verstreken jaar is door veel mensen gewerkt aan het opzetten van een structuur voor dat programma, het vertalen van de agenda naar een meerjarenplan en het aantrekken van de mensen die het programma gaan uitvoeren. Er zijn acht thema’s gedefinieerd waarmee en waarvoor de versnelling in innovatie bereikt moet worden. In het jargon van dit plan worden die thema’s aangeduid met zones. Voor iedere zone is een aanvoerder benoemd middels een procedure waarbij instellingen voor hoger onderwijs een aanvoerder uit hun instelling konden voordragen. Ieder van die kandidaten heeft een sollicitatiegesprek gevoerd met leden van de stuurgroep van het plan. De stuurgroep heeft uiteindelijk de benoemingen bepaald. Instellingen konden ook hun belangstelling tonen om aan één of meer van de zones deel te nemen. Dat heeft uiteindelijk geleid tot de samenstelling van de zones die nu gestart zijn.

   >> Overzicht van alle zones
   >> Versnellingsplan Onderwijsinnovatie met ICT

Ik heb het voorrecht aanvoerder te zijn van zone 4: naar digitale (open) leermiddelen. De idee is dat de deelnemende instellingen gedeelde ambities op dit thema gezamenlijk uitwerken en implementeren. De versnelling ontstaat dan door het principe “samen kom je verder dan alleen”. Het uiteindelijke doel van zone 4 is te komen tot een situatie waarbij instellingen in staat zijn een optimale mix van open en gesloten leermaterialen te kunnen aanbieden.

De eerste bijeenkomsten hebben we gebruikt om de gezamenlijke ambities te inventariseren. Na clustering van die ambities in categorieën heeft dat geleid tot de volgende schematisch weergegeven categorieën:

 

Beschrijving en samenhang categorieën

Een korte beschrijving van deze categorieën en hun samenhang:

Categorie: didactiek

Digitale leermiddelen zijn niet los te zien van de context waarin ze gebruikt worden. Bij ontwerpen van onderwijs- en leeractiviteiten geeft het principe van constructive alignment houvast bij het bepalen en ontwerpen van die context. Onder constructive alignment wordt verstaan het afstemmen van activiteiten, didactiek, assessment en middelen op de beoogd te behalen leerdoelen of leeruitkomsten. In de ambities wordt in deze context met name benoemd het doel om met digitale leermiddelen beter in staat te zijn onderwijs op maat te aan te kunnen bieden. Anderzijds kan de mix van leermaterialen, en met name de open leermaterialen leiden tot didactische werkvormen die met alleen gesloten leermaterialen niet of heel lastig te realiseren zijn. Ontwikkelingen op dat laatste gebied staan ook wel bekend als Open Pedagogy en Open Educational Practices.

Categorie: creatie en hergebruik open leermaterialen

Om delen en hergebruiken van open leermaterialen te bevorderen zijn naast een technische infrastructuur ook andere elementen nodig. Onderzoek naar adoptie van open delen en hergebruiken van leermaterialen heeft aangetoond dat awareness en activering van docenten en organiseren van ondersteuning nodige voorwaarden zijn om docenten hun leermaterialen open te delen. Vakcommunity’s hebben een rol om gedeelde leermaterialen actueel te houden, om co-creatie van leermaterialen over instellingsgrenzen heen te organiseren en in duurzaam maken van initiatieven voor open delen en hergebruiken van leermaterialen. Daarnaast vergen open leermaterialen investeringen van een instelling. Hoe de business case er voor een instelling uitziet en hoe die optimaal kan worden gemaakt (bijvoorbeeld door meer samenwerking met andere instellingen) wordt in deze categorie verder verkend en geoperationaliseerd.

Categorie: gesloten leermateriaal

Te verwachten is dat in veel contexten een mix van open en gesloten leermaterialen leidt tot een optimale situatie voor het leren van een student. Hoe een dergelijke mix eruit ziet en hoe dit op een wijze te realiseren is waarbij hoge kosten voor student en instelling worden vermeden, geen lock-in op een uitgeversplatform plaatsvindt en toegang tot de leermaterialen gegarandeerd blijft zijn voorbeelden van vraagstukken in deze categorie. Het project eStudybooks is een expliciete casus binnen deze categorie. Het kan onder meer dienen als input voor het opstellen van een business case voor gesloten leermateriaal voor een instelling.

Categorie: infra

Met name voor open leermaterialen is ondersteuning voor delen en hergebruiken nodig om de mogelijkheden van dergelijke leermaterialen te kunnen gebruiken. Essentieel daarbij is een technische infrastructuur met de juiste functionaliteiten om de gewenste ondersteuning effectief en efficiënt te kunnen bieden. Ambities zijn genoemd op implementatie van een repository voor de opslag van leermaterialen, een zoekfunctie waarmee docenten gewenste leermaterialen effectief kunnen localiseren en (exploreren van) gebruiken van Artificial Intelligence technieken om een dergelijke infrastructuur te optimaliseren.

Niet expliciet genoemd, maar waarschijnlijk wel nodig voor een optimale infrastructuur is een transparante aansluiting tussen de infrastructuur voor open en die voor gesloten digitale leermaterialen.

Categorie: voorwaardelijk

Om adoptie van open leermateriaal binnen een instelling te bevorderen zijn enkele randvoorwaarden nodig. Binnen deze zone worden met name open beleid en een waardering voor openheid genoemd als te realiseren ambities.

Wat gaan we doen in 2019?

Na inventarisatie van de ambities en afstemming met de deelnemende  instellingen is een globaal jaarplan voor 2019 vastgesteld. Onder andere de volgende onderwerpen zullen worden opgepakt.

  • Onderzoek naar hoe docenten tot hun keuze voor leermaterialen komen
  • Ervaringen / good practices delen over gebruik van social tools als Perusall en FeedBackFruits
  • Ontwikkeling van een (prototype) zoekschil naar (open) digitale leermaterialen, gedeeld binnen een instelling of gedeeld met de wereld
  • Ervaringen / good practices opdoen, verzamelen en delen met gebruik van open didactieken
  • Ervaringen / good practices opdoen, verzamelen en delen met effectief organiseren van ontwikkeling van digitaal leermateriaal in de driehoek docent – ondersteuning – onderwijskunde
  • Meer inzicht krijgen in gezamenlijke beelden die stakeholders hebben van gebruik van digitaal leermateriaal

Ieder onderwerp wordt opgepakt door een subgroepje met leden van de zone. Ieder subgroepje bepaalt welke activiteiten zullen worden uitgevoerd en hoe de resultaten worden gedissemineerd.

Meer weten?

Er zijn verschillende manieren om op de hoogte te blijven van de ontwikkelingen in deze zone of van het programma.

Tenslotte

Zoekend naar een metafoor voor deze zone kwam ik uit bij de 6e symfonie, de Pastorale, van mijn favoriete componist Ludwig van Beethoven. We gaan vol goede moed beginnen aan dit programma (Erwachen heiterer Empfindungen bei der Ankunft auf dem Lande), realiseren resultaten, maar zullen daarbij ook geduld moeten hebben (Szene am Bach), we zullen zeker genoegen hebben bij het uitvoeren van de activiteiten en zoeken daarbij samenwerking met andere partijen (Lustiges Zusammensein der Landleute), het gaat ongetwijfeld ook knetteren (Gewitter und Sturm), maar we gaan er alles aan doen om tot een mooi en succesvol resultaat te komen (Hirtengesang. Frohe und dankbare Gefühle nach dem Sturm).

Comments on a Twitter chat

On 5 February a Twitter chat was organized by the Alberta OER Journal Club about the paper Ben Janssen and myself have published last year in IRRODL. The paper presented the findings of our research on open sharing and reusing learning resources in Dutch Higher Education. For those unfamiliar with the concept of a Twitter chat: during some time (in this case 1 hour) people discuss a topic via tweets, all using the same hashtag. Often this conversation is guided by questions, a moderator introduces on certain time intervals.

This session used the hashtag #ABOERJC and was organized around five questions on our findings about the gains for sharing and reusing OER, open policies, barriers, organic growth of adopting OER and the recommendations.

    >> The timeline of the chat session
    >> The paper that was discussed

During this session several assumptions and interpretations were made about our findings. Because the session was scheduled on 3:00AM in our timezone, we were not present to take part of the discussion. This blogpost is to add our clarifications and perspectives to the discussion.

One category of motivations for stakeholders to be involved in open sharing and reuse of learning resources was financial (expensive resources). One comment on this finding:

This motivating factor was in the interviews both mentioned with the student perspective in mind (saving them costs) as the institutional perspective (reuse a resource potentially saves money compared to creating the resource from scratch yourself).

Regarding the findings on the barriers, the following discussion took place:

I think this is right for part of the barriers. But especially the more personally oriented barriers (like lack of confidence about the quality or not clear about the “what’s in it for me”) are harder to conquer. This can probably explained by the right level of maturity a teacher should have in being involved with OER. Each level of maturity needs specific actions to bring a teacher to a higher level. Adrian Stagg has described this in more detail in his paper OER adoption: a continuum for practice.

Another finding of our research was the need for a safe experimentation zone for adoption of open sharing and reuse. Interviewees who mentioned this meant that no negative consequences should follow for them when they e.g. inadvertently breach copyright when publishing a resource. Participants in the chat also mentioned another potential drawback in this sense:

This drawback was not mentioned in our interviews, but I am curious to find out if these considerations also exist in the Netherlands.

And finally, a call was made to involve other fields of openness (like Open Science and Open Source) more in the field of OER or Open Educational Practices to widen adoption of OER:

I can only second that: we should be more open about open.

We are grateful to the participants of this chat for their insightful comments!

Besides a cOAlition S also a cOERalition S?

CC0 Wikilmages @ https://pixabay.com/en/solar-system-big-bang-11188/This blogpost is a co-production by Ben Janssen (OpenEd Consult) and me. It is translated from a Dutch version, slightly adapted.

Two weeks ago cOAlition S was launched by 11 national research funders (including NWO, the Netherlands Organisation for Scientific Research), with the support of the European Commission and the European Research Council (ERC). In their words (source):

…an initiative to make full and immediate Open Access to research publications a reality. It is built around Plan S, which consists of one target and 10 principles.
cOAlition S signals the commitment to implement, by 1 January 2020, the necessary measures to fulfil its main principle: “By 2020 scientific publications that result from research funded by public grants provided by participating national and European research councils and funding bodies, must be published in compliant Open Access Journals or on compliant Open Access Platforms.”

This initiative has rightly received a great deal of publicity and is generally regarded as a major step towards achieving the goal of Open Science, where research publications become immediately available free of charge to all interested parties, without conditions. After all, growth in science is rooted in a tradition that builds on previously achieved results. In order to be accepted for publication, articles must demonstrate what previous research has yielded and what new contribution the publication has for the subject in question. In order for this to work optimally, it is essential that research results are as accessible as possible. Open Access publications are an excellent means of achieving this.

In one of these reactions, NWO indicated that it wants to go further than just the 10 steps mentioned in the initiative, and also to strive for a different appreciation of scientific achievements than counting publications in peer reviewed journals. This reduces the pressure of publishing, which is still preventing many researchers from publishing their results in an Open Access journal. This pressure also leads to another perversity in the current system, the predatory journals. These journals tempt researchers to publish their results quickly, without a thorough peer review process, often after payment of a considerable amount.

>> The Economist: “European countries demand that publicly funded research be free”
>> Stan Gielen (Chairman NWO) “NWO wants to move away from the impact factor” (in Dutch)
>> Article about predatory journals

Previously I wondered why a similar initiative is not launched for the open availability of educational resources too. Educational resources made with public funds should be available to everyone. After all, it has already been paid for (the moral argument). As with the publication of research results under Open Access, open sharing of educational resources contributes to free access to knowledge, making an important contribution to the realisation of UNESCO’s SDG 4: “to ensure inclusive and equitable quality education and promote lifelong learning opportunities for all” (the access argument).

We may witness more and more governments and the EU requiring educational resources created in a government-funded or EU-funded project to be made publicly available. But an initiative as comprehensive as cOAlition S is not available for OER.

Why is this? What factors are at stake that could give us more insight into why a broad coalition for the free provision of publicly funded educational resources has not taken off? So far, we have identified the following arguments. We invite readers to respond, to propose additions and changes.

Costs
One of the factors seems to be costs. The costs of purchasing journals, in order to be able and allowed to consult publications, are direct expenses that are tangible for educational institutions. They are also visible in the annual accounts of libraries and institutions.

To give you an idea of expenditure: in the Netherlands it was 43 million euros (source, in Dutch) in 2015; worldwide in 2015 it was a profit margin (!) of 7.6 billion euros (source), which is roughly 30% of the turnover. Because institutions are directly affected by the still rising costs, this is an important factor in our eyes in explaining why the international research and education world has formed a coalition such as the cOAlition S.

Costs for making (open) educational resources are usually indirect and invisible in the annual accounts of educational institutions. They are mainly hidden in the “costs for employees”. The costs for students and self-learners do not even appear in the financial statements of institutions. In addition, there are the hidden costs of teachers who create and adapt materials in their own time.

We have not (yet) been able to find an estimate of the costs that are spent annually on the creation of learning materials. But based on the fact that in 2016 around 46,000 FTEs in the Netherlands were working as teachers or researchers (source, in Dutch) in higher education and research, with an average hourly wage bill of €60, and the assumption that 40 hours per FTE per year are spent on developing and adapting learning materials, we arrive at a conservative estimated annual cost of 40*46000*€60=€110 million per year. The situation in other countries may not differ. In our opinion, the amount of money involved justifies an initiative for OER, similar to cOAlition S.

Ecosystem
For scientific publications, there is an internationally recognized, highly developed and well-functioning ecosystem. This ecosystem ensures scientific progress. The fact that the revenues of this ecosystem are distributed and appropriated very unevenly is an accelerator in the public debate. This ecosystem is crucial for the functioning of other ecosystems, such as international scientific research and higher education (scientific and vocational). It is somewhat less connected to other forms of education, such as primary and secondary education and the TVET sector (Technical and Vocational Education and Training).

In the case of OER, such an ecosystem must in fact still be built up, and the ecosystem to be developed must also be linked to the existing education and training ecosystems.

Quality assurance system
The ecosystem for scientific publications comprises a well-known and recognized quality assurance system based on peer review. Therefore, anyone interested in a publication has the certainty that the publication meets a certain minimum quality standard. The undermining of this certainty by the aforementioned predatory journals is therefore disastrous; the system is in danger of providing false certainty.

Such a system does not (yet?) exist for OER. Institutions each have their own quality assurance system for OER, but it is often unknown on what such a system is based and on what aspects OER are considered. As a result, users of OER remain uncertain about their quality, and will have to make greater efforts to determine whether the learning materials they find actually have the quality they are looking for.

Value for the professional
Scientific, peer-reviewed publications make a significant contribution to the researcher’s reputation and thus to assessment and career development. Increasing the visibility of these results by publishing Open Access helps to increase that reputation, although, as mentioned above, there are also comments to be made by making the assessment depend too much on the number of publications.

Open sharing of educational resources has little or no impact on the reputation of teachers. As far as we know, open sharing of educational resources is hardly a factor in the assessment of instructors. Nobody mentioned this in our research in 2017 (source, in Dutch).

Conclusion
We have mentioned a number of factors that may play a role in the explanation of less interest in arriving at an initiative for OER, cOERalition S, comparable to cOAlition S for Open Access. However, we still have an unsatisfactory feeling that we have not yet been able to identify this difference sufficiently.

However, it is clear to us that as an OER community, we must work towards the creation of institutional OER ecosystems and, at the same time, a national OER ecosystem (including a known and recognized quality assurance system). This goes beyond ‘mainstreaming of OER’. At national level, an important argument is that educational resources that are made with public funds in education must be available under open licenses.

Naast een cOAlition S ook een cOERalition S?

alt="Photo by geralt on Pixabay"

Deze blogpost is een coproductie van Ben Janssen (OpenEd Consult) en mij.

Vorige week werd de cOAlition S gelanceerd door 11 nationale onderzoeksfinanciers (waaronder NWO), met support van de Europese Commissie en de European Research Council (ERC). In hun woorden (bron):

…an initiative to make full and immediate Open Access to research publications a reality. It is built around Plan S, which consists of one target and 10 principles.
cOAlition S signals the commitment to implement, by 1 January 2020, the necessary measures to fulfil its main principle: “By 2020 scientific publications that result from research funded by public grants provided by participating national and European research councils and funding bodies, must be published in compliant Open Access Journals or on compliant Open Access Platforms.”

Dit initiatief kreeg terecht veel publiciteit en wordt algemeen beschouwd als een forse stap naar realisatie van het streven van Open Science, waar onderzoekspublicaties direct en zonder voorwaarden kosteloos beschikbaar komen voor iedere belangstellende. Groei in de wetenschap is tenslotte geworteld in een traditie waarbij voortgebouwd wordt op eerder bereikte resultaten. Artikelen moeten, om geaccepteerd te worden voor publicatie, aantonen wat eerder onderzoek heeft opgeleverd en welke nieuwe bijdrage de publicatie heeft voor het betreffende onderwerp. Om dit optimaal te laten werken is een zo groot mogelijke toegankelijkheid van onderzoeksresultaten essentieel. Open Access publicaties zijn hiervoor een prima middel.

In één van die reacties gaf het NWO aan verder te willen gaan dan alleen de 10 stappen die in het initiatief worden genoemd, en ook te streven naar een andere waardering van wetenschappelijke prestaties dan het tellen van publicaties in peer reviewed journals. Daarmee wordt de druk op publiceren verminderd; een druk die nu nog veel onderzoekers ervan weerhoudt hun resultaten in een Open Access journal te publiceren. Die druk leidt overigens ook tot een andere perversiteit in het huidige systeem, de neptijdschriften (predatory journals). Deze journals verleiden onderzoekers hun resultaten snel gepubliceerd te hebben, zonder een gedegen peer review proces, uiteraard na betaling van vaak een aanzienlijk bedrag.

>> Interview met Stan Gielen “NWO wil weg van de impact factor”
>> Artikel over neptijdschriften

Ik heb me al eerder afgevraagd waarom een soortgelijk initiatief niet ook voor open beschikbaarheid van leermaterialen van de grond komt. Leermaterialen die met publieke gelden worden gemaakt zouden voor iedereen beschikbaar moeten zijn. Er is tenslotte al voor betaald (het morele argument). Net als bij onder Open Access publiceren van onderzoeksresultaten draagt open delen van leermaterialen bij aan kosteloze toegang tot kennis, waarmee een belangrijke bijdrage wordt geleverd aan het realiseren van SDG 4 van UNESCO: “to ensure inclusive and equitable quality education and promote lifelong learning opportunities for all” (het toegangsargument).

We kunnen constateren dat meer en meer overheden en de EU vereisen dat leermaterialen die tijdens een door de overheid of door de EU gefinancierd project worden gecreëerd, publiek beschikbaar moeten komen. Maar een zo alomvattend initiatief als cOAlition S is er niet voor open leermaterialen.

We hebben ons afgevraagd waar dat aan kan liggen. Welke factoren zijn in het geding die ons meer inzicht kunnen geven in waarom een brede coalitie voor het vrijelijk beschikbaar maken van publiek gefinancierde leermaterialen niet van de grond komt? Wij zijn tot de volgende argumenten gekomen. Wij nodigen lezers uit om daarop te reageren, om aanvullingen en wijzigingen voor te stellen.

Kosten
Een van de factoren lijkt ons de kosten te zijn. De kosten voor aanschaf van tijdschriften, om publicaties te kunnen en mogen raadplegen, zijn directe uitgaven die voelbaar zijn voor instellingen. Ze zijn ook zichtbaar in de jaarrekeningen van bibliotheken en instellingen.

Om een idee te geven van uitgaven: in Nederland ging het in 2015 om 43 miljoen euro (bron); wereldwijd in 2015 om een winstmarge (!) van €7,6 miljard (bron), hetgeen neerkomt op grofweg 30% van de omzet. Omdat instellingen direct met de nog steeds stijgende kosten te maken hebben, is dit onze ogen een belangrijke factor in de verklaring waarom internationaal de onderzoeks- en onderwijswereld tot een coalitie als de cOAlition S kan worden bewogen.

Kosten voor het maken van (open) leermaterialen zijn doorgaans indirect en onzichtbaar in de jaarrekeningen van onderwijsinstellingen. Ze zijn vooral verscholen in de “kostenpost werknemers”. De kosten voor studenten en self-learners komen überhaupt niet voor in de financiële overzichten van instellingen. Daarnaast zijn er nog de verborgen kosten van docenten die in hun eigen tijd materialen maken en aanpassen.

Een schatting van de kosten die jaarlijks aan het creëren van leermateriaal wordt besteed hebben we (nog?) niet kunnen vinden. Maar met het gegeven dat in Nederland in 2016 rond de 46.000 fte in hbo en wo werkzaam zijn als docent of onderzoeker (bron), met gemiddelde loonlasten per uur van €60, en de aanname dat per fte per jaar 40 uur besteed wordt aan ontwikkelen en aanpassen van leermaterialen, komen wij uit op geschatte jaarlijkse kosten van 40*46000*€60=€110 miljoen per jaar. Dit bedrag rechtvaardigt ons inziens een soortgelijk initiatief als cOAlition S voor open leermaterialen.

Ecosysteem
Voor wetenschappelijke publicaties bestaat er een internationaal erkend, hoog-ontwikkeld en goed functionerend ecosysteem. Dit ecosysteem zorgt voor wetenschappelijke vooruitgang. Dat de revenuen van dat ecosysteem zeer ongelijk verdeeld en toegeëigend worden is een versneller in de publieke discussie. Dit ecosysteem is van cruciaal belang voor het functioneren van andere ecosystemen, zoals het internationaal wetenschappelijk onderzoek, en het hoger (wetenschappelijk en beroeps) onderwijs. Het is wat minder verbonden met andere vormen van onderwijs, zoals PO, VO en de TVET-sector (Technical and Vocational Education and Training).

Bij Open Educational Resources moet een dergelijk ecosysteem feitelijk nog worden opgebouwd, en moet dat te ontwikkelen ecosysteem ook nog een keer verbonden worden met de bestaande ecosystemen van onderwijs en training.

Systeem van kwaliteitsborging
Het ecosysteem voor wetenschappelijke publicaties omvat een bekend en erkend systeem voor kwaliteitsborging, gebaseerd op peer review. Een belangstellende voor een publicatie heeft daarmee de zekerheid dat de publicatie voldoet aan een zekere minimum kwaliteit. Het ondermijnen van die zekerheid door de eerder genoemde predatory journals is daarom funest; het systeem dreigt een schijnzekerheid te geven.

Voor open leermaterialen bestaat een dergelijk systeem (nog?) niet. Instellingen hebben ieder hun eigen systeem van kwaliteitsborging van leermaterialen, maar het is veelal onbekend waarop een dergelijk systeem is gebaseerd en op welke aspecten leermaterialen bekeken wordt. Een gebruiker van open leermaterialen blijft daardoor onzeker over de kwaliteit en zal meer inspanningen moeten verrichten om te bepalen of het gevonden leermateriaal inderdaad de kwaliteit heeft die hij/zij zoekt.

Waarde voor de professional
Wetenschappelijke, peer reviewed publicaties dragen in hoge mate bij aan de reputatie van de onderzoeker en daarmee aan beoordeling en carrière. Grotere zichtbaarheid van die resultaten door Open Access publiceren helpt die reputatie te verhogen, hoewel er zoals eerder vermeld ook kanttekeningen hierbij te plaatsen zijn door teveel de beoordeling te laten afhangen van aantallen publicaties.

Open delen van leermaterialen heeft deze impact op reputatie niet of nauwelijks voor docenten. Open delen van leermaterialen speelt voor zover wij weten ook nauwelijks mee bij beoordelingen van docenten. In ons onderzoek uit 2017 is dit door niemand genoemd (bron)

 

Conclusie
We hebben een aantal factoren genoemd die een rol kunnen spelen in de verklaring van mindere belangstelling om te komen tot een initiatief voor open leermaterialen, cOERalition S, te vergelijken met cOAlition S voor Open Access. We blijven echter zitten met een onbevredigend gevoel dat we nog onvoldoende de vinger hebben kunnen leggen op de kern van dit verschil.

Voor ons is evenwel duidelijk dat we als OER community moeten werken aan het tot stand brengen van institutionele OER-ecosystemen en tegelijkertijd ook een nationaal OER-ecosysteem (waaronder een gekend en erkend systeem voor kwaliteitsborging). Dit gaat verder dan “mainstreaming of OER”. Nationaal is een belangrijk argument dat leermaterialen die in het onderwijs met publieke gelden worden gemaakt, onder open licenties beschikbaar moeten zijn.

Op 26 oktober organiseert SURF in samenwerking met de SIG Open Education een seminar “Open Science meets Open Education”. In dit seminar geef ik een sessie over het kwaliteitsvraagstuk waarover ik in deze blog spreek. Meer details.

OER18 and OEGlobal18, trends and findings


Two conferences in two consecutive weeks, both on research and experiences with open education. The first conference, OER18, took place in Bristol on 18 and 19 April. The second, OEGlobal18, in Delft from 24 to 26 April.
This blogpost contains a personal reflection on both conferences.

Are the conferences very different?

In order to characterise the two conferences, the following table shows some characteristics for comparison.

CharacteristicOER18OEGlobal18
# Participants160380
# Countries represented17 (**)45
Country with highest # participantsUKThe Netherlands (33%)
# Submissions (initial)91216
% accepted80%82%
# Presentations75± 160 (*)
ThemeOpen for allTransforming Education Through Open Approaches
SubthemesOpen Learning Skills, OER, Open and Learners, Politics in Action, Diversity and Inclusivity, WildcardConnections, Formal education, Innovation, Institutionalizing, Open Education research, Policies, Practices, Student perspectives, Tools
ContentMainly researchResearch, experiences (cases)

(*) A number of accepted proposals were finally withdrawn by the proposers for various reasons (mostly financial).
(**) Based on 59% of the participants who provided this information
(Thanks to Maren Deepwell and Martin Hawksey for providing the data for OER18)
This table shows that there are significant differences between the two conferences. The larger scale and greater diversity of subthemes in OEGlobal18 are particularly striking. As a result, the atmosphere at OER18 is a little cuddlier and things are a little less tightly regulated, albeit both events were running smoothly.

Can clear trends be derived from both conferences?

Not really new trends, but more a confirmation of trends earlier observed: attention for the adoption of OER, both at the level of the institution and at the (inter)national level (the latter often at the policy level), practices concerning open textbooks, educational innovations with open educational practices or open pedagogy and their impact on learners and results, and more intertwining of different fields of openness, in particular between Open Science and Open Education. Little experience yet with techniques such as VR/AR and AI and their applications in the open domain.
One theme, however, was highly present in OER18 and (to a lesser extent) in OEGlobal18: attention for the inclusiveness of openness. In particular at OER18, this was the subject of many presentations and of the keynote, not surprisingly regarding their theme “Open for all”. Terms that were often mentioned in this context:

  • Narrative: the story of an individual or organisation about openness in education. Many of these stories are based on a fairly homogeneous environment and culture: that of the Western, highly educated middle-aged white man. This carries the risk that (unintentionally) entire groups in the world will receive less attention and will therefore experience less benefits from more open education. Closely related to this:
  • Underprivileged groups: those groups of people who are less reached by the open movement. Particular mention is made of women.

These debates are necessary, otherwise inclusiveness and equality as mentioned in UNESCO SDG4 (Ensure inclusive and equitable quality education and promote lifelong learning opportunities for all) would be at risk. At the same time, I have the following comments on this:

  • These debates are being held, consciously or unconsciously, in the context of higher education. This carries the risk that a large part of the world’s population will remain “underprivileged”. For example: a study by Ben Janssen and myself on the adoption of OER in the Technical and Vocational Education and Training sector showed that hardly any attention is paid to this sector from the perspective of the open movement, both in research and in practice. There also seems to be much less attention for K-12, although several presentations addressed this sector, in particular at OEGlobal18. This may however also be related to the target group targeted by both conferences (higher education and (OEGlobal18) community colleges). But the question then becomes: where will these debates for other sectors than Higher Education take place?
  • These debates are, by their nature and subject matter, very philosophical and theoretical. David Wiley asked the question “Purist or pragmatist?” in his keynote at OER18. As a “pragmatist”, I find it difficult to translate findings from these debates into the practice of teachers and lecturers who we want to make aware of the benefits of open education. I have already described this dilemma in a blog post in 2012 (English version), in which I asked (in slightly different terms) the question “purist or pragmatist”.

Are there current trends less present at these conferences?

Yes, in addition to the aforementioned developments with VR/AR and AI applications, open badges and credentials and applications of learning analytics did hardly feature in the presentations at both conferences.

What does this mean for (higher) education in the Netherlands?

Just carry on with what we are already doing in terms of research, experiments and implementations, aiming at a wider adoption of OER, but with more focus on open practices and open pedagogy. However, an effort towards primary education, secondary education and MBO would enable initiatives for the adoption of OER to substantiate the observation that most seems to happen in higher education. There was such an initiative in the years 2009-2013 with the Wikiwijs programme. In the meantime, Wikiwijs has become increasingly well known, in particular within secondary education. This can form a solid basis for concentrated actions in research and implementations for the adoption of OER.
Looking back at OEGlobal18

Looking back at OER18

 

Ljubljana OER Action Plan 2017, een analyse en beschouwing


In 2012 werd bij het 1e OER World Congress van UNESCO de Paris Declaration on OER opgesteld en gepubliceerd. In die Declaration worden overheden wereldwijd opgeroepen om leermaterialen die met publiek geld zijn gemaakt onder een open licentie beschikbaar te stellen voor iedereen en adoptie van OER te stimuleren.
In de vijf jaar die sindsdien zijn verstreken is vastgesteld dat mainstreaming OER, nodig om daarmee beter in staat te zijn de Sustainable Development Goal 4 “Ensure inclusive and equitable quality education and promote lifelong learning opportunities for all“ te realiseren, niet heeft plaatsgevonden. Onderzoek naar oorzaken daarvan leverde vijf barrières op:

  1. Beperkte vaardigheden van gebruikers en beperkingen in tools om OER te vinden, te gebruiken, te maken en te delen;
  2. Taal en cultuur issues;
  3. Beperkingen in inclusieve en gelijke toegang tot hoge kwaliteit OER;
  4. Te weinig zicht op (business) modellen om OER duurzaam te publiceren en gebruiken;
  5. Te weinig aandacht voor adoptie van OER in beleidsondersteuning.

Om die reden is gestreefd naar publiceren van een actieplan met aanbevelingen om deze barrières te slechten. Onder het motto “OER for Inclusive and Equitable Quality Education: From Commitment to Action” werd van 18 t/m 20 september in Ljubljana (Slovenië) het 2nd OER World Congress georganiseerd. Op dat congres is een concept actieplan gefinaliseerd, vastgesteld en goedgekeurd door de aanwezigen.
In het afgelopen jaar is hiervoor het volgende proces doorlopen:

  • Opstellen 1e draft van het document. Dit document was input voor:
  • 6 regional consultations waar de draft werd bediscussieerd en waarin voorstellen voor activiteiten voor het actieplan zijn gegenereerd. Dit leidde tot een 2e versie van een draft document.
  • In de maanden voorafgaand aan het congres was er voor iedere belangstellende de mogelijkheid online te amenderen. Dit leidde tot >100 voorstellen voor amendering. Deze zijn verwerkt in een 3e versie van het draft document.
  • Op het congres zijn de laatste amenderingen op de laatste versie van het draft document besproken in panelsessies. Dit heeft geleid tot een finale versie die door het congres met algemene stemmen is vastgesteld.
  • Er was ook een ministeriële sessie, waarin 20 ministers en staatssecretarissen zich bogen over het document om uiteindelijk te komen met een Ministerial Statement. In dit statement geven ze hun goedkeuring aan het Action Plan en roepen alle stakeholders op uitvoering te geven aan het Action Plan.

>> Download verslagen van de consultatiebijeenkomsten
>> Download Ljubljana OER Action Plan 2017
>> Download de Ministerial Statement

Dit Action Plan adresseert alle onderwijssectoren:

In order for OER to reach its full transformative potential for supporting the realization of SDG 4, OER needs to be more integrally a part of educational policies and practices from early childhood education to post-secondary and higher education and lifelong learning. Mainstreaming OER-based content will depend upon a commitment to openness and access of OER educational content by learners, educators, institutions and governments, and also requires that other pre-conditions to quality education are in place.

En de aanbevelingen gelden voor een veelheid aan stakeholders:

The stakeholders addressed in this document are educators, teacher trainers, librarians, learners, parents, educational policy makers (at both the governmental and institutional level), teacher and other professional associations, student associations, teacher and student unions as well as other members of civil society, and intergovernmental organizations and funding bodies. Support of decision makers at governmental and institutional levels is essential for the realization of the Ljubljana OER Action Plan. Multiple stakeholder’s support for the actions is also crucial for the implementation of the proposed actions.

Niet alle aanbevelingen zijn voor alle stakeholders en alle sectoren even toepasbaar. Voor het hoger onderwijs in Nederland, met inachtneming van wat er al gebeurt in Nederland rond adoptie van OER, zijn de volgende aanbevelingen van belang. De toewijzing naar stakeholders is deels mijn interpretatie; een dergelijke toewijzing is niet bij iedere aanbeveling geëxpliciteerd in het Action Plan.

  • Zorg voor aanbrengen van besef van OER en vaardigheden om met OER om te gaan in lerarenopleidingen, BKO-trajecten en opleidingen voor bibliotheekfuncties. Dit omvat onder meer kennis over hoe OER te vinden, aan te passen, onderhouden en delen, kennis over copyright-gerelateerde issues en digitale geletterdheid rond issues met betrekking tot security waar het ontwikkeling en gebruik van OER betreft.
  • Dissemineer onderzoeksresultaten naar OER voor creëren van good practices rond kosteneffectiviteit, duurzaamheid en tooling voor maken en delen van OER.
  • Organiseer ondersteuning bij vinden, maken en hergebruiken van OER.
  • Ondersteun en stimuleer ontstaan van effectieve peer netwerken (zoals vakcommunities) voor het delen van OER.
  • Zorg voor een systeem waarin maken, delen en hergebruiken van OER wordt erkend en beloond.
  • Houd bij maken en delen van OER rekening met issues als taal en cultuur. Dat geldt zeker als het aannemelijk is dat de OER wereldwijd gebruikt gaan worden, maar kan ook gelden voor gebruik in de eigen instelling, waar steeds meer studenten uit het buitenland instromen en studenten uit Nederland met een niet-Nederlandse afkomst.
  • Houd bij maken en delen van OER rekening met toegankelijkheid en inclusief gebruik. Denk bijvoorbeeld aan toegankelijkheid voor personen met een handicap.
  • Zorg voor systemen voor peer-review kwaliteitscontrole bij maken en aanpassen van OER. Maak dit systeem onderdeel van de reguliere kwaliteitssystemen in een instelling. Ontwikkel op nationaal en instellingsniveau standaarden en benchmarks voor de kwaliteitsborging van OER.
  • Onderzoek de invloed van OER op processen voor maken en gebruiken van hoge kwaliteit leermaterialen.
  • Onderzoek (business)modellen voor duurzaam delen en hergebruik van OER.
  • Ontwikkel beleid op nationaal en instellingsniveau om de acties te initiëren en stimuleren. Neem uitspraken over ondersteuning van een OER aanpak op in visie en missie van overheid en instellingen.

Beschouwing

Zoals eerder gemeld is het Action Plan bedoeld voor een brede waaier aan onderwijssectoren (inclusief non-formeel leren) en stakeholders. De mate van adoptie van OER in verschillende landen is ook heel divers. Bij sommige landen moet er nog een eerste besef van de mogelijkheden ontstaan, in andere landen (zoals Nederland) is men al veel verder. In die zin zal er niet één proces van implementatie van de aanbevelingen zijn. Het Action Plan laat zich daarom ook niet uit over een dergelijke implementatiestrategie, maar richt zich vooral op het realiseren van een solide basis die nodig is om te bereiken dat OER mainstream wordt.
OER wordt gezien als een belangrijk middel om te komen tot kwalitatief goed onderwijs met gelijke toegang tot middelen voor iedere wereldburger, zonder toegangsdrempels (zoals in de UNESCO SDG 4 is geformuleerd). De voorgestelde acties richten zich daarom op dat toegangsaspect en verhogen van de kwaliteit van onderwijs. Bij dat laatste wordt vooral ingestoken op de mogelijkheden van OER om te komen tot betere docenten en wordt er nauwelijks stilgestaan bij wat die docenten dan vervolgens met OER kunnen doen. Is dat een gemiste kans? Wellicht zal een aanpak die start met het laatste (kweken van interesse bij de docent door uit te gaan van zijn of haar specifieke onderwijscontext, zodat effecten van OER direct zichtbaar zijn) en dan de skills aanbrengen om OER daadwerkelijk te kunnen inzetten (waar de acties uit het actieplan zich op richten) een goede strategie zijn. Het Action Plan sluit die strategie overigens niet uit, maar benoemt die ook niet expliciet.
Het Action Plan gebruikt ook een strikte definitie van OER: vrije toegang en recht op aanpassen en hergebruiken van de materialen onder de voorwaarden van een open licentie. Er zijn echter vele online bronnen die vrij toegankelijk zijn, maar niet aan de voorwaarden van de open licentie voldoen. Hoewel ze niet aangepast mogen worden kunnen deze bronnen zinvol zijn in bepaalde contexten (bijvoorbeeld voor een self-learner). De meeste MOOC’s vallen bijvoorbeeld onder deze categorie. Bij de implementatie van de aanbevelingen zou aandacht voor dit onderscheid in contexten zinvol kunnen zijn, zodat as-is hergebruik van dergelijke bronnen meegenomen wordt.
Het plan benoemt wel de potentie van OER voor onderwijsprocessen en de voorwaarde van een goede didactiek om OER effectief te laten zijn:

OER’s transformative potential going forward – reinforced by the expansion of ICT and broadband infrastructure – broadens horizons for knowledge sharing and collaboration among educators, institutions and countries. If used effectively and supported by sound pedagogical practices, OER allow for the possibility to dramatically increase access to education through ICT, opening up opportunities to create and share a wider array of educational resources to accommodate a greater diversity of educator and learner needs. Increased online access to OER further promotes individualized study, which, when coupled with social networking and collaborative learning, fosters opportunities for pedagogical innovation and knowledge creation.

In die opvatting is mainstreaming OER een voorwaarde om deze onderwijstoepassingen mogelijk te maken om dan pas te kunnen denken aan zaken als Open Educational Practices en Open Pedagogy. En zoals eerder opgemerkt zijn lang niet alle landen al zover dat er zelfs maar een begin van mainstreaming van OER aan de gang is.
Naast een hoofdprogramma dat zich richtte op het finaliseren van het Action Plan, was er ook een nevenprogramma in Ljubljana. In één van de sessies in dat nevenprogramma werd de publicatie Cape Town + 10 (CPT+10) gelanceerd. De “+10” verwijst naar de 10 jaar die er zijn verstreken sinds in 2007 de Cape Town Declaration for Open Education werd gepubliceerd. Deze Declaration heeft als ondertitel “Unlocking the promise of open educational resources”. De Declaration is ontstaan vanuit een bottom-up aanpak en heeft als doel OER beter en meer toepasbaar te maken om daarmee te komen tot open(er) vormen van onderwijs. Momenteel hebben een kleine 2600 individuen en ongeveer 270 organisaties de Declaration ondertekend. In CPT+10 worden tien richtingen gesuggereerd om meer open(er) onderwijs te realiseren. De scope is dus breder dan alleen OER, overlapt deels met aanbevelingen uit het Action Plan en geeft handvatten om invulling te geven aan implementatie van de aanbevelingen uit het Action Plan.
Ik heb me beperkt tot het duiden van het plan voor het hoger onderwijs. Zoals vermeld gelden de aanbevelingen in het plan voor alle vormen van onderwijs (zeg maar van de wieg tot het graf, formeel en non-formeel). Omdat iedere onderwijssector haar eigen karakteristieken heeft zal het implementeren van de aanbevelingen maatwerk zijn per sector. En wellicht dat acties voor andere sectoren nog meer nodig zijn dan voor het hoger onderwijs. Ik denk dan met name aan het beroepsgerichte onderwijs, zowel regulier als non-formeel. Recent hebben Ben Janssen en ik, in opdracht van UNESCO, een onderzoek uitgevoerd naar de stand van zaken betreffende adoptie van OER in die sector. Uit dat onderzoek blijkt dat het belang van OER voor die sector wereldwijd hoog wordt geacht, maar dat daadwerkelijke activiteiten om adoptie van OER te realiseren nauwelijks van de grond komen of zelfs maar aandacht krijgen van overheden. In Ljubljana hebben we de voorlopige resultaten gepresenteerd in het nevenprogramma.
>> Slides presentatie OER in TVET
Om een en ander effectief en efficiënt te laten verlopen zou de overheid in dezen een regierol moeten voeren, zodat lessons learned uit één sector, indien toepasbaar, ook ter beschikking komen in andere sectoren. Maar daarnaast zijn ook instellingen aan zet om werk te maken van implementatie van de aanbevelingen.
Ter afsluiting een sfeerbeeld van het congres middels een (bijna onvermijdelijke) groepsfoto.