Processen en netwerken rond digitale leermaterialen

Deze blog is een coproductie van Ben Janssen (OpenEd Consult) en mij. Version in English.

Deze serie blogs heeft tot doel argumenten aan te dragen die van belang kunnen zijn bij het formuleren van visie op en beleid voor open leermaterialen. Visie en beleid zijn nodig om adoptie van open leermaterialen duurzaam maken. Veel initiatieven rond open leermaterialen starten met een initiële (project)subsidie, maar stranden als het project beëindigd is (Tlili et al, 2020; Annand, 2015). Parafraserend formuleren we dit ook wel als “Is er leven na de projectsubsidie?”. David Wiley (2007) heeft in advies voor de OECD aangegeven dat er rond duurzaamheid van open leermaterialen onderscheid gemaakt kan worden tussen twee vraagstukken:

  1. Hoe kan productie en delen van open leermaterialen duurzaam worden gemaakt?
  2. Hoe kan (her)gebruik van open leermaterialen door eindgebruikers duurzaam worden gemaakt?

Visieontwikkeling en beleid zullen beide vraagstukken moeten adresseren.

In de vorige blog hebben we een raamwerk voor ordening van typen digitale leermaterialen gepresenteerd om de plaats die open leermaterialen daarin inneemt te kunnen duiden. In deze blog presenteren we twee modellen, respectievelijk een procesmodel voor hoe docenten en studenten ‘omgaan met’ digitale leermaterialen en een denkmodel voor de netwerken/context waarin de ‘gebruikers’ van digitale open leermaterialen opereren. Visie op en beleid voor open leermaterialen zullen met beide zaken – de praktijken van gebruikers en de netwerken waarin de gebruikers opereren – rekening moeten houden (Tlili et al, 2020).

Een procesmodel voor het gebruik van digitale leermaterialen

In de zone Naar digitale (open) leermaterialen van het Versnellingsplan is een procesmodel ontwikkeld om een goed beeld te krijgen van hoe het gebruik van digitale leermaterialen er in de praktijk uitziet.

Als basis voor dit procesmodel diende het model van Hodgkinson-Williams et al (2017) voor de levenscyclus van open leermaterialen. De aanpassingen behelzen dat semi-open en commerciële leermaterialen ook zijn meegenomen, alsook de rol van de student. De aanpassingen zijn ontstaan op basis van observaties en ervaringen van de leden van de zone.

Het procesmodel geeft de activiteiten weer die een docent en een student ondernemen om te komen tot een voor hen optimale mix van leermaterialen. “Optimale mix” wordt opgevat als die mix van leermaterialen die, naar de mening van docent of student, het beste zijn of haar onderwijs- en leerproces ondersteunt dat moet leiden tot het behalen van de leeruitkomsten.

Bij het procesmodel worden twee scenario’s onderscheiden:

  1. Scenario 1: de literatuurlijst. De docent stelt een volgens hem of haar optimale mix samen voor zowel het te ondersteunen leerproces bij de student als voor gebruik in zijn of haar onderwijsproces. De docent bepaalt welke leermaterialen verplicht worden voorgeschreven en eventueel ook aanvullend worden aanbevolen. De student gaat uit van die leermaterialen om zijn/haar optimale mix samen te stellen. De communicatie over leermaterialen tussen docent en student gebeurt veelal via een door de docent samengestelde lijst van verplicht en optioneel te bestuderen leermateriaal (“de literatuurlijst”).
  2. Scenario 2: de instructie. De docent omschrijft een opdracht en geeft doorgaans een lijst van aanbevolen literatuur (in sommige instellingen ook wel referentielijst genoemd) mee. De communicatie over leermaterialen tussen de docent en student verloopt diffuser dan bij scenario 1. Initieel ligt er minimaal een instructie van de docent aan de student die mede richting geeft aan de voor een student optimale mix van leermaterialen (“de instructie”).

Scenario 1: de literatuurlijst

In figuur 1 is het procesmodel weergegeven voor scenario 1.

Figuur 1. Creatie optimale mix van leermaterialen, procesmodel voor scenario literatuurlijst. Klik op de afbeelding voor een vergroting

Een docent gaat een mix van leermaterialen samenstellen, optimaal passend bij de te realiseren leeruitkomsten en het eigen onderwijsproces. Dat samenstellen wordt gevisualiseerd door de gestippelde vorm in de afbeelding. Daarbij zoekt de docent naar leermaterialen, die zowel open als gesloten kunnen zijn. Die leermaterialen kunnen al in zijn of haar bezit zijn (in een prive database, meestal een harde schijf), een lokale database (bijvoorbeeld een vakgroeps- of instellingsrepository van leermaterialen, vaak een gedeelde netwerkschijf) of in “de cloud”. In veel gevallen zal een docent ook leermaterialen maken, waaronder ook mixes en aanpassing van elders gevonden leermaterialen wordt verstaan. De mix van leermaterialen zal een kwaliteitscontrole ondergaan, al dan niet expliciet. Deze kwaliteitscontrole kan ook plaatsvinden door anderen dan de docent (bijvoorbeeld door directe collega’s). Uiteindelijk zal de mix van leermaterialen ofwel worden gepubliceerd (beschikbaar worden gemaakt voor de studenten), ofwel worden gebruikt bij de onderwijsactiviteiten. In dat laatste geval kan het zijn dat die materialen niet beschikbaar komen voor studenten. Denk bijvoorbeeld aan een video die in de collegezaal wordt vertoond, maar die niet verder verspreid wordt. Het kan ook zijn dat leermaterialen die bij de onderwijsactiviteit worden gebruikt ook beschikbaar komen voor studenten. Denk  bijvoorbeeld aan kopieën van de slides die de docent in het onderwijs gebruikt. Onder publiceren van de optimale mix van leermaterialen valt in ieder geval het aangeven van de titels van leermaterialen (veelal tekstboeken) die, al dan niet verplicht, moeten worden bestudeerd (de literatuurlijst).

Ervaringen met gebruik van leermaterialen kunnen input zijn voor een kwaliteitscontrole en eventueel leiden tot aanpassing van de optimale mix, tijdens of na de cursus waarvoor de optimale mix is samengesteld. Denk bijvoorbeeld aan een situatie waarbij studenten tijdens een onderwijsactiviteit aangeven de voorkennis die de docent als aanwezig veronderstelde, niet bezitten. De docent kan dan de optimale mix aanvullen met leermaterialen die in de kennislacune voorzien. Feedback op de kwaliteit door studenten kan ook plaatsvinden via een cursusevaluatie (is in de figuur weergegeven met de gestippelde pijl).

Een student gaat, uitgaande van de gepubliceerde mix van leermaterialen (waaronder de literatuurlijst), zijn of haar eigen mix van leermaterialen samenstellen. Tijdens bestuderen of tijdens een onderwijsactiviteit kan de student additionele leermaterialen zoeken of maken en die aan zijn of haar optimale mix van leermaterialen toevoegen. Kwaliteitscontrole zal naar verwachting impliciet zijn en gebaseerd zijn op de bruikbaarheid die de student ervaart om de geformuleerde leerdoelen te behalen. Denk bijvoorbeeld aan ervaringen die de student heeft bij het maken van oefeningen om een bepaald wiskundig concept te beheersen. Wanneer de student daarbij niet in staat is alle oefeningen te maken zal hij of zij op zoek gaan naar additionele bronnen om blijkbaar nog niet aanwezige kennis op te doen. In (Schuwer, Baas & De Ruijter, 2021) zijn dergelijke praktijken in meer detail beschreven.

Een student kan eventueel besluiten delen van zijn of haar mix te publiceren voor derden. Denk bijvoorbeeld aan beschikbaar stellen van college-aantekeningen aan collega-studenten in een studievereniging.

Scenario 2: de instructie

Het procesmodel voor scenario 2 is weergegeven in figuur 2.

Figuur 2. Creatie optimale mix van leermaterialen, procesmodel voor scenario instructie. Klik op de afbeelding voor een vergroting

De activiteiten komen voor een groot deel overeen zoals beschreven bij scenario 1. De docent omschrijft een opdracht. Eventueel wordt een lijst van aanbevolen literatuur voor bij het uitvoeren van de opdracht samengesteld en, indien nodig, maakt de docent ook leermateriaal. Dit geheel wordt gepubliceerd en aan studenten ter beschikking gesteld (de instructie). Wat bij scenario 1 is geschreven over kwaliteitscontrole aan docentzijde, is ook in dit scenario van toepassing. Op basis van de instructie gaat de student aan de slag met het samenstellen van zijn of haar optimale mix van leermaterialen.

In dit scenario kunnen studenten ook zelf (leer)materialen publiceren (open of semi-open), zowel in een lokale opslag als in “de cloud”. De student zal dan ook toegang hebben tot de lokale opslag voor materialen in zijn of haar optimale mix. Deze situatie ontstaat bijvoorbeeld wanneer studenten leermaterialen creëren en publiceren als onderdeel van hun leerproces. Dergelijke didactische werkvormen kenmerken onderwijskundige aanpakken als Open Pedagogy en Open Educational Practices. Kwaliteitscontrole op de te publiceren materialen kan plaatsvinden door zowel de docent als de student. Andersom kan een student, wanneer docent en studenten gezamenlijk leermaterialen maken en publiceren (weergegeven door de groen gestippelde vorm in de figuur), ook deel uitmaken van de groep die een kwaliteitscontrole uitvoert voor de docent.

Niet in de figuur aangegeven is de situatie waarbij leermaterialen die een student creëert tijdens zijn of haar leerproces door een docent worden toegevoegd aan de optimale mix bij een volgende uitvoering van de cursus.

Een model voor de netwerken van gebruikers van open leermaterialen

Delen en hergebruiken van open leermateriaal gebeurt door individuele docenten en studenten. Hun handelen wordt evenwel beïnvloed door de netwerken waarin beide categorieën actoren zich bevinden, zowel in (vanuit adoptie van open leermaterialen oogpunt bekeken) positieve als negatieve zin. Visie op en beleid voor open leermaterialen zullen daarom ook die netwerken moeten adresseren.

We onderscheiden in dit verband twee soorten netwerken waarin studenten en docenten functioneren en die raken aan visie op en beleid voor open leermaterialen. Allereerst is iedere docent en student verbonden aan tenminste één instelling voor hoger onderwijs. Daarnaast werken studenten en docenten in allerlei verbanden samen. Wanneer deze verbanden een institutioneel of semi-institutioneel karakter hebben, betitelen wij deze als ‘community’. Tijdelijke samenwerkingen zoals studentwerkgroepen die voor een cursus worden gevormd nemen we dus niet mee in onze opvatting over community’s.

Community’s kunnen binnen instellingen bestaan, maar ook instellingsoverstijgend. Docentcommunity’s kunnen vakgebiedsgeoriënteerd zijn (zoals de Community of Practice Bachelor Nursing) of thema-georiënteerd (bijvoorbeeld een community voor video leermaterialen). Daarnaast zijn er community’s voor ondersteuning van docenten en studenten bij omgaan met open leermateriaal. Denk bijvoorbeeld aan de werkgroep Open online onderwijs van de bibliotheken of de diverse Special Interest Groups die aan SURF zijn gelieerd.

De volgende figuur visualiseert het veld van docenten, studenten, instellingen en community’s. Hierin is niet de situatie gevisualiseerd waarbij een individuele student of docent aan meer dan één instelling is verbonden.

Klik op de afbeelding voor een vergroting

In deze figuur zijn A, B en C drie instellingen. De volgende situaties kunnen worden onderkend:

  1. Een community bestaat lokaal binnen een instelling (1b in instelling B resp. 1c in instelling C). Voorbeelden: een cursusteam binnen een vakgroep of een faculteitsoverstijgend samenwerkingsverband van docenten wiskunde binnen één instelling.
  2. Een community van docenten van twee of meer instellingen (instellingsoverstijgende community). In de figuur zijn dat 2ab met instellingen A en B resp. 2ac met instellingen A en C.
  3. Situatie 3 in instelling C geeft de situatie weer dat docenten aan meerdere community’s verbonden kunnen zijn.
  4. Community 4 in instelling A wordt gevormd door studenten. Voorbeeld: een studievereniging bij een faculteit.
  5. Community 5 is een instellingsoverstijgende community waarin zowel docenten als studenten participeren. Een voorbeeld zijn de zgn. Centres of Expertise, waar studenten en docenten, maar ook onderzoekers en ondernemers samenwerken aan oplossen van maatschappelijke uitdagingen.

Het voorbeeld bij community 5 illustreert dat ook anderen dan docenten en studenten kunnen participeren in community’s. Zo zal veelal ook ondersteunende staf (onderwijskundigen, medewerkers uit bibliotheek- en mediatheek en ICT-deskundigen) deel uitmaken van dergelijke community’s.

Waarom deze modellen?

In visie- en beleidsontwikkeling gericht op de adoptie van open leermaterialen is het van groot belang om aandacht te geven aan hoe en de context waarin docenten en studenten open leermaterialen maken en gebruiken. Hodgkinson-Williams et al (2017:33) spreken in dit verband over drie soorten afhankelijkheden die een rol spelen:

  • de activiteit-afhankelijkheid
  • de context-afhankelijkheid
  • de concept-afhankelijkheid (de ideeën en beelden die mensen hebben).

Voor de eerste twee typen afhankelijkheid hebben we in deze bijdrage modellen geschetst: een procesmodel voor hoe docenten en studenten ‘omgaan met’ digitale leermaterialen en een denkmodel voor de netwerken/context waarin de ‘gebruikers’ van digitale open leermaterialen opereren.

In activiteiten en netwerken spelen allerlei factoren een rol die ook in een visie op en beleid voor open leermaterialen geadresseerd moeten worden. Denk aan eigenaarschap van (mede) door studenten gecreëerd leermateriaal of afwijkende visies op open leermaterialen bij instellingen waarvan docenten in een instellingsoverstijgende community participeren. In een volgende blog zetten we deze en andere issues op een rijtje en formuleren we ook gezichtspunten van waaruit een visie op en beleid voor open leermaterialen kan worden opgesteld.

Dankwoord

Het procesmodel voor samenstellen en gebruiken van een mix van leermaterialen is gebaseerd op een eerdere versie die is ontwikkeld in de zone Naar digitale (open) leermaterialen van het Versnellingsplan. Dank gaat uit naar de deelnemers die betrokken zijn geweest bij het formuleren van dit model. In alfabetische volgorde op achternaam waren dat: Hans Beldhuis, Vincent de Boer, Cynthia van der Brugge, Michiel de Jong, Wouter Kleijheeg, Gerlien Klein, Gaby Lutgens, Marijn Post, Lieke Rensink, Arjan Schalken, Frederike Vernimmen – de Jong en Nicole Will.

Referenties

Annand, D. (2015). Developing a sustainable financial model in higher education for open educational resources. The International Review of Research in Open and Distributed Learning16(5). https://doi.org/10.19173/irrodl.v16i5.2133

Hodgkinson-Williams, C., Arinto, P. B., Cartmill, T. & King, T. (2017). Factors influencing Open Educational Practices and OER in the Global South: Meta-synthesis of the ROER4D project. In C. Hodgkinson-Williams & P. B. Arinto (Eds.), Adoption and impact of OER in the Global South (pp. 27–67). DOI https://doi.org/10.5281/zenodo.1037088

Schuwer, R., Baas, M. & De Ruijter, A. (2021). De student gaat op zoek: de waarde van (open) leermaterialen voor het eigen leren. In: Baas, M., Jacobi, R., & Schuwer, R. (eds). Thema-uitgave hergebruik van open leermaterialen (pp 17-22). SURF, Nederland. https://communities.surf.nl/files/Artikel/download/Thema-uitgave%20hergebruik%20van%20leermaterialen_2mrt2021.pdf

Tlili, A., Nascimbeni, F., Burgos, D., Zhang, X., Huang, R., & Chang, T. (2020). The evolution of sustainability models for open educational resources: Insights from the literature and experts. Interactive Learning Environments, 1-16. https://doi.org/10.1080/10494820.2020.1839507

Wiley, D. (2007). On the Sustainability of Open Educational Resource Initiatives in Higher Education. Paper commissioned by the OECD’s Centre for Educational Research and Innovation (CERI) for the project on Open Educational Resources. http://www.oecd.org/education/ceri/38645447.pdf


Deze blog is bijdrage 3 in een serie Een principieel-pragmatische visie op institutioneel OER-beleid. Eerdere bijdragen:

Nog te verschijnen:

  • Waarom zijn open leermaterialen van belang? De waarde van open leermaterialen vanuit verschillende optieken
  • De noodzaak van visie en beleid met betrekking tot open leermaterialen op instellingsniveau en op het niveau van een community of practice

Een raamwerk voor ordenen van typen digitale leermaterialen

Photo by kazuend on Unsplash

Deze blog is een coproductie van Ben Janssen (OpenEd Consult) en mij. Version in English.

Velen hebben geprobeerd een sluitende definitie te geven van digitale leermaterialen. In de studie van ResearchNed (Janssen & Van Casteren, 2020) is de volgende pragmatische omschrijving van digitale leermaterialen gebruikt (p. 9):

“Leermaterialen zijn een deelverzameling van leermiddelen. Onder leermiddelen valt alles wat door docenten en/of studenten wordt gebruikt (ook computers, elektronische leeromgevingen (ELO’s) en smartboards) in en ten behoeve van het onderwijs of een leerproces. De term leermaterialen betreft enkel leerstof of leerinhoud (content) in een bepaalde vorm (tekstueel, visueel, auditief of een mix van deze vormen).

Met digitale leermaterialen wordt bedoeld elke digitale bron die als leerstof of leerinhoud (content) door docenten en/of studenten wordt gebruikt in het onderwijs of een leerproces. Een digitale bron is een bron die bestaat in binaire numerieke vorm, zoals in digitale audio of digitale beelden (hieronder valt ook het ‘boek achter glas’, pdf).

Leermiddelen zoals digitale whiteboards, VR-brillen, maar ook digitale evaluatietools, platforms of online discussiefora, vallen niet onder onze omschrijving. Ter volledigheid: YouTube als platform valt hier niet onder, de video’s die op YouTube geplaatst zijn en gebruikt worden als leermaterialen wel.”

Ter illustratie een niet-limitatieve opsomming van digitale leermaterialen.

digitale studie- en handboeken, waaronder (open) textbooksWiki’s
digitale (wetenschappelijke) artikelenYouTube video’s
(PowerPoint)presentaties/sheets/slideshowsdigitale afbeeldingen, waaronder 3D-visualisaties
digitale syllabi, samenvattingen, manuals van (hoor)colleges en practicadigitale krantenartikelen/nieuwsbronnen/archieven
webcolleges en slidecaststv-uitzendingen
digitale toetsenpodcasts
digitale stage- en opdrachtverslagenblogs
video’s, waaronder kennisclips, tutorials, instructievideo’s, vodcasts, animaties en documentairesopen content en data op websites, zoals verslagen van de Tweede Kamer en rapporten van beleidsmakers en onderzoekscommissies
AR- en VR-applicatiesdata uit databases zoals Skybray, BBC Monitoring, Factiva
MOOCs, SPOCs, Open Educational Resourcesessays in digitale vorm
infographicsromans in digitale vorm
animaties

Wij zijn geïnteresseerd in digitale open leermaterialen, niet zozeer in wat het zijn, maar vooral in wat je ermee mag en kan. De tweedeling open versus gesloten is onvoldoende daarvoor. Ook blijken begrippen als semi-open leermateriaal en commercieel leermateriaal voor de activiteiten in het Versnellingsplan nuttig te zijn. Maar hoe verhouden deze begrippen zich tot elkaar en tot open leermaterialen?

Wij stellen hier een gedifferentieerde categorisatie van digitale leermaterialen voor die handvatten geeft voor ontwikkeling van institutioneel beleid. Deze indeling is een uitbreiding van het raamwerk dat David Wiley heeft ontwikkeld (bron, p. 26).

Digitale leermaterialen kunnen worden onderverdeeld naar twee dimensies:

  1. Toegang
    • geen beperkingen (open access), voor iedereen
    • niet-financiële beperkingen, voor iedereen
    • niet-financiële beperkingen, voor een beperkte groep (walled garden)
    • financiële beperkingen
  2. Rechten op aanpassing
    • aanpasbaar (gebruikers hebben toestemming tot aanpassing)
    • niet-aanpasbaar (gebruikers hebben geen toestemming tot aanpassing)

Leermateriaal dat zonder financiële beperkingen toegankelijk is, wordt gratis of vrij toegankelijk leermateriaal genoemd. In de volgende figuur staat een grafische voorstelling van ons raamwerk.

Klik op de afbeelding voor een vergroting

Achtergrondinformatie bij dit raamwerk:

  • Voor het open leermateriaal (zonder beperkingen of met niet-financiële beperkingen) zijn de aanpassingsrechten gerangschikt van meest (100%) tot geen rechten om aan te passen. Licenties bieden de voorwaarden voor aanpassing. In de figuur hebben we de veelgebruikte Creative Commons-licenties overgenomen. Deze licenties gaan over de rechten die makers aan anderen geven om hun werken te behouden, te gebruiken, aan te passen en te verspreiden en de voorwaarden waaraan moet worden voldaan wanneer van die rechten gebruik wordt gemaakt. De licenties gaan niet over de beperkingen op de toegankelijkheid tot de werken.
  • In de figuur is ook te zien dat twee Creative Commons licenties geen rechten op aanpassing geven door de ND (Non Derivative) voorwaarde.
  • Voorkeuren voor een combinatie van aanpassings- en toegangsrechten zijn afhankelijk van de context. Een docent kan bijvoorbeeld de voorkeur geven aan aanpasbaar leermateriaal, en kan onverschillig staan tegenover al dan niet vrije toegang. Een lerende zal in veel gevallen alleen geïnteresseerd zijn in vrije toegang en niet in aanpasbaarheid. Maar diezelfde lerende kan, wanneer de didactische werkvorm dat noodzakelijk maakt, ook geïnteresseerd zijn in aanpasbaarheid. Denk bijvoorbeeld aan praktijken van open pedagogy (voor voorbeelden, zie het Open Pedagogy Notebook).
  • Een veel voorkomende niet-financiële beperking wanneer toegang voor iedereen beschikbaar is, is de verplichting om een gratis account aan te maken om toegang te krijgen.
  • De meest voorkomende situatie voor niet-financiële beperkingen, met toegang voor een beperkte groep, is lidmaatschap van een groep (instelling of (vak)community).
  • Wij hebben gekozen voor een pragmatische kijk op openheid om de adoptie van delen en hergebruiken te verbreden. Kwesties als technische openheid (voor toegang tot het leermateriaal zijn alleen open source tools en platforms toegestaan) of eisen aan inhoud (bv. inclusief, toegankelijk voor mensen met een beperking) zijn buiten beschouwing gelaten.
  • De grootte van een vlak geeft geen relatief belang of een persoonlijke voorkeur van dat vlak ten opzichte van de andere vlakken weer.

Dit raamwerk stelt ons in staat om de verschillende soorten leermaterialen die in het Versnellingsplan genoemd worden zoals “open”, “semi-open”, “gesloten”, “commercieel”,  ten opzichte van elkaar te positioneren.

Voor zover wij weten lijkt alleen voor de categorie “Open Educational Resources” een algemeen gangbare definitie te bestaan. Hier gebruiken wij deze definitie in de formulering van Creative Commons.

Open Educational Resources (OER) are teaching, learning, and research materials that are either (a) in the public domain or (b) licensed in a manner that provides everyone with free and perpetual permission to engage in the 5R activities:

  • Retain – make, own, and control a copy of the resource
  • Reuse – use your original, revised, or remixed copy of the resource publicly
  • Revise – edit, adapt, and modify your copy of the resource
  • Remix – combine your original or revised copy of the resource with other existing material to create something new
  • Redistribute – share copies of your original, revised, or remixed copy of the resource with others”

Deze definitie wordt o.a. gebruikt door de Hewlett Foundation.

In termen van het raamwerk definiëren we de in het Versnellingsplan gebruikte termen als volgt:

  • Semi-open materialen zijn onderwijs-, leer-, en onderzoeksmaterialen die beschikbaar zijn voor een beperkte groep personen en uiteindelijk in licentie worden gegeven op een manier die iedereen in deze groep gratis en eeuwigdurend toestemming geeft om de 5R-activiteiten uit te voeren, zij het met de restrictie dat herverspreiding alleen binnen de beperkte groep gebeurt.
  • Commercieel materiaal is onderwijs-, leer- en onderzoeksmateriaal dat alleen beschikbaar is onder financiële beperkingen.
  • Gesloten materiaal is onderwijs-, leer- en onderzoeksmateriaal dat niet beschikbaar is voor een persoon of een groep personen. Deze definitie is afhankelijk van het perspectief van de belanghebbende. Bv. semi-open leermateriaal, beschikbaar voor een groep, is gesloten voor personen buiten die groep.

In de volgende figuur hebben we de verzamelingen van OER, semi-open leermaterialen en commerciële leermaterialen in het raamwerk gepositioneerd.

Klik op de afbeelding voor een vergroting

Om het raamwerk te illustreren, hebben wij enkele voorbeelden toegevoegd.

Klik op de afbeelding voor een vergroting

We willen in het bijzonder wijzen op het voorbeeld “Default voor websites” linksonder in de figuur. Indien op een website geen verdere mededelingen over gebruik ervan te vinden is gelden de voorwaarden “Geen beperkingen op toegang” en “All Rights Reserved” (bron). We vermoeden dat onbekendheid met deze regel in de praktijk van hergebruik van leermateriaal de oorzaak is van veel schendingen op copyright.

In de volgende blog zullen we ons richten op ecosystemen voor (semi-)open leermaterialen en de problemen die we daarbij tegenkomen.

Referentie

Janssen, B. & Van Casteren, W. (2020): Digitale leermaterialen in het hoger onderwijs. Onderzoek in opdracht van het Koersteam Versnellingsplan Onderwijsinnovatie met ICT. Utrecht: Versnellingsplan Onderwijsinnovatie met ICT.


Deze blog is bijdrage 2 in een serie Een principieel-pragmatische visie op institutioneel OER-beleid. Eerdere bijdrage:

Nog te verschijnen:

  • Wat speelt rond open leermaterialen? Een systeembenadering
  • Waarom zijn open leermaterialen van belang? De waarde van open leermaterialen vanuit verschillende optieken
  • De noodzaak van visie en beleid met betrekking tot open leermaterialen op instellingsniveau en op het niveau van een community of practice

Een principieel-pragmatische visie op institutioneel OER-beleid

Photo by Ethan Dow on Unsplash

Deze blog is een coproductie van Ben Janssen (OpenEd Consult) en mij. Version in English.

Al jaren bepleiten wij de adoptie van open leermaterialen (Open Educational Resources, OER) in het Nederlandse (bekostigde) onderwijs. Een onderzoek dat we beiden hebben uitgevoerd in 2017 wees uit dat adoptie door de early en late majority van docenten nog niet grootschalig gebeurt (Schuwer & Janssen, 2018). En nog steeds is de graad van adoptie van OER in het Nederlandse (bekostigde) hoger onderwijs in onze ogen te laag om effect te hebben. Er zijn meer dan voldoende aanwijzingen om te mogen stellen dat gebruik van OER meervoudige positieve innovatieve effecten op en in het hoger onderwijs kunnen hebben (zie b.v. (Orr, Rimini & Van Damme, 2015)). Dit is onderkend in en door het Versnellingsplan Onderwijsinnovatie met ICT (afgekort tot het Versnellingsplan). Daarin is een van de hoofdthema’s inzet van digitale (open) leermaterialen.

In het Versnellingsplan werken instellingen, SURF en de VSNU en VH samen aan benutten van de kansen die digitalisering aan het hoger onderwijs in Nederland biedt. De missie van het Versnellingsplan is om binnen de eigen instelling én in samenwerking met andere universiteiten en hogescholen, substantiële stappen te zetten op het gebied van digitalisering in het hoger onderwijs in Nederland.

Het Versnellingsplan is opgedeeld in acht Versnellingszones, waarbinnen 39 universiteiten en hogescholen samenwerken op thema’s als professionalisering van docenten, gebruik van studiedata, flexibilisering van het onderwijs, aansluiting op de arbeidsmarkt en de inzet van digitale (open) leermaterialen. In de zone “Gezamenlijk koersen op versnelling” (kortweg het Koersteam) voeren zeventien bestuurders van hogescholen en universiteiten een bestuurlijk gesprek over digitalisering in het hoger onderwijs, met speciale aandacht voor de thema’s van het Versnellingsplan. Meer informatie over het Versnellingsplan.

In 2020 heeft het onderzoeksbureau ResearchNed (met als hoofdonderzoeker Ben Janssen) in opdracht van het Koersteam een onderzoek uitgevoerd naar de stand van zaken rond gebruik van digitale leermaterialen in het Nederlandse hoger onderwijs. Een publieksversie van hun verslag zal binnenkort beschikbaar zijn. Op basis van de uitkomsten heeft een werkgroep van de zone Naar digitale (open) leermaterialen van het Versnellingsplan (waaraan Robert Schuwer deelnam) een visiedocument op digitale leermaterialen opgesteld met een horizon van 2025.

Op basis van de resultaten van beide exercities werkt het Koersteam aan twee thema’s:

  1. Komen tot een landelijke set van afspraken met uitgevers van digitale leermaterialen over o.a. gebruik en eigenaarschap van gebruiksdata
  2. Formuleren en implementeren van een volwaardig open alternatief voor commerciële leermaterialen

Voor het tweede thema is het nodig dat instellingen een visie en beleid op open leermaterialen ontwikkelen.

In een serie blogs zullen wij argumenten aandragen die van belang kunnen zijn bij het formuleren van zo’n visie en beleid. Hoewel we ons daarbij primair richten op instellingen voor hoger onderwijs denken we dat ze ook van nut kunnen zijn voor koepelorganisaties, SURF en het Ministerie van OCW. We baseren ons daarbij op een principiële invalshoek op open leermaterialen, maar streven ook naar zoveel mogelijk pragmatiek daarin om directe toepasbaarheid van de argumenten zo groot mogelijk te maken.

In de komende weken zullen we blogs publiceren over de volgende onderwerpen:

  1. Waar hebben het over als we het hebben over digitale leermaterialen? Een voorstel voor ordening.
  2. Wat speelt rond open leermaterialen? Een systeembenadering
  3. Waarom zijn open leermaterialen van belang? De waarde van open leermaterialen vanuit verschillende optieken
  4. De noodzaak van visie en beleid met betrekking tot open leermaterialen op instellingsniveau en op communityniveau

Referenties

Orr, D., Rimini, R., & Van Damme, D. (2015). Educational research and innovation open educational resources a catalyst for innovation: A catalyst for innovation. OECD Publishing. https://doi.org/10.1787/9789264247543-en

Schuwer, R., & Janssen, B. (2018). Adoption of sharing and reuse of open resources by educators in higher education institutions in The Netherlands: A qualitative research of practices, motives, and conditions. The International Review of Research in Open and Distributed Learning19(3). https://doi.org/10.19173/irrodl.v19i3.3390

Boegbeeldproject hbo verpleegkunde en infrastructuur


Eind vorig jaar lanceerde (inmiddels demissionair) minister Bussemaker twee boegbeeldprojecten. Het doel van deze projecten is ervaring op te doen met instellingsoverstijgend open delen van leermaterialen. In het wo houden de 4 TU’s zich bezig met leermaterialen voor het vakgebied wiskunde (gestart in april, looptijd 16 maanden). In het hbo is gekozen voor delen van leermaterialen voor het vakgebied verpleegkunde (gestart in januari, looptijd 12 maanden). Bij dat laatste project zijn 5 hbo-instellingen in januari gestart, met als projecttrekker Fontys Hogeschool Mens en Gezondheid.
>> Meer informatie over de boegbeeldprojecten
In deze blog zal ik de context van het hbo-project beschrijven en de keuzes die we, met name voor de infrastructuur, in dit project hebben gemaakt. 

Context

Alle 17 hbo-instellingen die een Bachelor Verpleegkunde aanbieden, zijn verenigd onder de vlag van het LOOV: Landelijk Overleg Opleidingen Verpleegkunde. In 2016 presenteerden ze een plan voor een gezamenlijk curriculum, Bachelor Nursing 2020 (BN2020). Dat betekent dat op kernbegrippen, thema’s en globale leerdoelen de 17 hogescholen uniform zijn. Wel kan iedere hogeschool eigen accenten aanbrengen en variëren in onderwijsvormen.
Een dergelijke context maakt potentieel instellingsoverstijgend delen van leermaterialen kansrijk. Immers, door de afspraken in BN2020 spreekt iedere opleiding dezelfde taal en kunnen leermaterialen van elders daardoor beter inzetbaar zijn op verschillende plekken. Mede daarom heeft de Vereniging Hogescholen deze opleiding naar voren geschoven voor het boegbeeldproject. Naast Fontys participeren ook Hogeschool Zuyd, Saxion, Hogeschool Rotterdam en de HAN in dit project.

Aanpak

Mede op basis van ervaringen die over Wikiwijs zijn gerapporteerd, zijn de volgende uitgangspunten geformuleerd:

  1. Om gedeelde leermaterialen daadwerkelijk hergebruikt te laten worden is vertrouwen nodig bij docenten over de kwaliteit van het leermateriaal
  2. De kwaliteit van het leermateriaal moet na publicatie zichtbaar en herkenbaar zijn
  3. Om de leermaterialen actueel te houden en te leren van ervaringen ermee is een actieve vakcommunity nodig.

Tot nu toe hebben we binnen het project vooral gewerkt aan uitgangspunten 1 en 2. Er is een kwaliteitsmodel opgesteld waarin de eisen zijn geformuleerd waar goed leermateriaal voor hen aan moet voldoen. Dit model kan ook dienen als handvat voor docenten die een beeld willen krijgen van wat door de opleiding goed leermateriaal wordt genoemd. De eisen betreffen vakinhoudelijke kwaliteit, didactische kwaliteit, beschrijvende gegevens (metadata), vormgeving, taal(gebruik) en copyright.
Momenteel worden bestaande bronnen bij ieder van de vijf hogescholen langs dit model gelegd. Wanneer de materialen voldoen worden ze beschreven en gedeeld op een gemeenschappelijk platform. Deze materialen hoeven niet per se afkomstig te zijn van hen zelf. Bijvoorbeeld Youtube bevat veel geschikte leermaterialen die alleen adequaat moeten worden beschreven om daardoor beter vindbaar te zijn. In die zin vormen de docenten een curator rol omdat ze hierdoor op basis van het kwaliteitsmodel het kaf van het koren scheiden.
Wat betreft de infrastructuur is ervoor gekozen om gebruik te maken van wat er al aan beschikbare componenten bestaat in Nederland. De onderstaande figuur geeft een totaaloverzicht (erop klikken geeft een groot formaat)


De door het project tot nu gebruikte elementen zijn:

  • Edurep Delen: voor het beschrijven van geschikte materialen die al in diverse bronnen aanwezig zijn en uploaden van nieuwe materialen in de eigen database van Wikiwijs
  • NL-LOM als standaard voor metadateren
  • Een volgens assemble-to-order procedure gecreëerde startpagina van waaruit de leermaterialen vanuit diverse filters kan worden gezocht. De snelle en deskundige hulp van Linda le Grand van Kennisnet is hierbij van onschatbare waarde.
  • Zoeken maakt gebruik van de door Edurep verzamelde metadata.

Uit de figuur is verder te lezen dat we de keurmerkfunctie van Wikiwijs willen gaan gebruiken om de leermaterialen die aan het kwaliteitsmodel voldoen zichtbaar te maken. Dat gaat gebeuren door het toevoegen van een nog te maken icoontje aan het materiaal. Wanneer een gebruiker dat materiaal in de zoekresultaten krijgt kan hij/zij op dat icoontje klikken, waarna het kwaliteitsmodel dat gebruikt wordt zichtbaar wordt. Door die transparantie hopen we te bereiken dat er vertrouwen ontstaat in de kwaliteit van het leermateriaal en daarmee hergebruik positief wordt beïnvloed. Daarnaast willen we stimuleren dat gebruikers de leermaterialen gaan beoordelen, gebruikmakend van de mogelijkheden die Wikiwijs hiervoor biedt (sterren rating en maken van een review).

Hoe verder?

In de komende weken zullen we ervaring gaan opdoen met deze infrastructuur. Er zullen leermaterialen gedeeld worden en docenten bekend gemaakt worden met deze leermaterialen. Ze zullen geactiveerd worden ook zelf te gaan delen en hergebruiken. Tevens zullen keurmerken aan de materialen worden toegevoegd. Er zal een start gemaakt worden met een vakcommunity rondom die leermaterialen, waarschijnlijk startend met de meest actieve docenten. Verder zullen vocabulaires voor de bij verpleegkunde gebruikte terminologie worden opgesteld en als standaard worden aangemeld bij Edustandaard. Vanuit SURF zijn daar al acties in ondernomen.
In de huidige infrastructuur in Nederland ontbreekt nog een ondersteunend platform voor vakcommunities. Ik zie daarin een taak voor SURF. Hopelijk zal de komende ronde van de stimuleringsregeling open en online onderwijs, pijler open leermaterialen, met een focus op vakcommunities, zorgen voor ontwikkeling van een dergelijk platform, zodat de online activiteiten van een dergelijke community adequaat kunnen worden ondersteund.

Eerste resultaten stimuleringsregeling open en online onderwijs


Bij de eerste ronde van de stimuleringsregeling open en online onderwijs in 2015 werden 11 aanvragen gehonoreerd. Deze projecten zijn afgerond. Deze week verscheen een publicatie van SURF Checklist Aan de slag met open en online onderwijs waarin 9 geleerde lessen uit die projecten zijn geformuleerd.
>> Download publicatie
In deze publicatie staan de 11 projecten benoemd, met links naar de resultaten. Een soortgelijk overzicht staat ook op de website van SURF. In dat overzicht staan details van 8 van de 11 projecten. Omdat ik wilde weten waar dat verschil in aantal door te verklaren was en ook meer wilde weten over de openheid van de projectresultaten heb ik de resultaten nader bekeken. Janina van Hees, die vanuit SURF de stimuleringsregeling begeleidt, heeft me op aanvraag extra informatie gestuurd. Dit waren mijn bevindingen.

  • De 3 projecten die ontbreken in het overzicht op de website zijn Flipping the master (Erasmus Medisch Centrum), Data Science voor Alfa en Gamma (Universiteit Tilburg) en Open leerplatform met anatomische content (LUMC). De verwachting is dat de resultaten van de eerste twee genoemde projecten binnenkort ook via dat overzicht op de website toegankelijk worden. De reden waarom dat laatstgenoemde project ontbreekt in de overzichtstabel is mij niet duidelijk geworden.
  • De meeste projecten hebben keurig voldaan aan de eis dat ontwikkeld materiaal onder een Creative Commons licentie beschikbaar worden gesteld.
  • Een aantal projecten (waar het ontwikkeling van een MOOC betrof) heeft de voor die MOOC’s ontwikkelde video’s ook beschikbaar gesteld op Youtube, zodat deze materialen ook toegankelijk zijn zonder de plicht je eerst te moeten registreren voor die MOOC. Voor publicatie zijn diverse Creative Commons licenties gebruikt.
  • Soms is de licentie bij de bronnen niet duidelijk. Bijvoorbeeld bij de video’s van de MOOC FFESx van de Wageningen University is de licentie volgens het overzicht op de website van SURF CC BY-NC-ND, maar bij de video’s in Youtube staan geen licenties vermeld (afgezien van de trailer). Bij het project Denken, delen, doen van de NHL en de Haagse Hogeschool is een reader beschikbaar gesteld. In die reader ontbreekt de Creative Commons licentie. Daardoor is onduidelijk of en onder welke voorwaarden de artikelen in die reader mogen worden hergebruikt.
  • Bij het project Responsible Innovation van de TU Delft zijn cursussen ontwikkeld die niet vrij beschikbaar zijn. Janina van Hees meldde me dat de cursusmaterialen na de eerste run van die cursussen als Open Courseware beschikbaar komen. Voor het e-book dat onderdeel is van dit project staat in de colofon “© March 2016”. Het lijkt erop dat die publicatie niet onder een Creative Commons licentie is gepubliceerd.

Wat betreft de kwaliteit van de inhoud van de cursussen voel ik me niet capabel genoeg daar een uitspraak over te doen. Echter, voor mij springt het project Basisbeginselen statistiekonderwijs van de Universiteit Utrecht er uit. Prachtig materiaal, mooie opzet en dito inhoud. Een pareltje wat mij betreft!

Geleerde lessen

De publicatie vermeldt ook negen, veelal unaniem, gedeelde ervaringen uit de projecten, geformuleerd als aanbevelingen. Zes ervan betreffen online onderwijs, drie ervan open leermaterialen. Die laatste drie aanbevelingen zijn

  1. Steek als instelling én als overheid energie in het promoten van open onderwijsmateriaal.
  2. Maak gebruik van reeds beschikbaar open leermateriaal.
  3. De bibliotheek wil je graag helpen. Maak er gebruik van.

Bij aanbeveling 2 wordt gepleit voor “een ‘meta-platform’ dat een overzicht zou kunnen bieden van open leermateriaal dat inmiddels al gemaakt is door Nederlandse hogeronderwijsinstellingen. Het platform moet meer zijn dan een verzameling links naar repository’s, maar minder dan een database met individuele leerobjecten.” Dit platform bestaat er in potentie al: Wikiwijs. In deze blog beschrijf ik in meer detail de mogelijkheden van dit platform (en meer) die in het boegbeeldproject hbo verpleegkunde worden gebruikt. Daarnaast is SURF ook bezig met ontwikkelingen aan het platform Sharekit, waardoor delen van leermaterialen via dat platform mogelijk wordt. Welke functionaliteiten daar op termijn precies zullen worden aangeboden is nog niet duidelijk.

Vervolg

Momenteel kan voor de 4e ronde van de stimuleringsregeling worden ingeschreven. Ten opzichte van de voorgaande edities zijn er flinke wijzigingen. Zo is er meer geld beschikbaar (€ 1.1M) en worden twee categorieën (pijlers) onderscheiden: open leermaterialen (met focus op vakcommunities) en online onderwijs (met focus op peer feedback en peer assessment). Uit de voorwaarden van deze regeling kan worden afgeleid dat, wanneer er geen leermaterialen worden ontwikkeld, bij de laatste pijler projecten niet per se hoeven bij te dragen aan open onderwijs om toch in aanmerking te komen voor subsidie. Persoonlijk vind ik dat jammer; de intentie van de regeling was indertijd stimuleren van openheid in onderwijs. Voor de duidelijkheid kan daarom de regeling beter worden hernoemd naar Stimuleringsregeling open en/of online onderwijs.