stOER, OpenUP, Wikiwijs en….

Sinds de start van OpenER in 2006 is er rondom open content aan de OU veel gebeurd. Een stand van zaken op dit moment:
– OpenER is nog steeds in de lucht. Rondom OpenER ben ik momenteel bezig een business case te schrijven voor OpenUP. Dit op basis van ervaringen met en op aanvraag van het Cals college in Nieuwegein. Het afgelopen jaar hebben leerlingen daar OpenER-cursussen bestudeerd en er tentamen in gedaan, begeleid door eigen docenten. Dit is daar zo goed bevallen dat ze dit jaar weer willen starten hiermee en ze in hun kielzog ettelijke andere scholen meenemen. Intern zal er dan wel e.e.a. gestructureerd moeten worden en daar gaat de business case over.
– Spinozasite staat even stil qua ontwikkeling. Achter de schermen gebeurt echter wel het een en ander. Binnenkort wellicht meer nieuws!
– Zoals op Huisnet was te lezen is ook het project stOER gestart. Het uiteindelijke doel is een strategie rondom OER aan de OUNL te implementeren, waarbij de kosten van het gratis beschikbaar stellen van OER worden gedekt door allerlei diensten eromheen en een daarbij horende grotere toeloop van klanten. Een poging dus om OER op een duurzame wijze gerealiseerd te krijgen, onafhankelijk van projectsubsidies.
– De OUNL is samen met Kennisnet druk bezig met het realiseren van Wikiwijs, het landelijke platform voor creëren en delen van OER door alle onderwijssectoren. Wikiwijs kent een ambitieus tijdschema met een oplevering van de eerste versie op 14 december. De OUNL is met name verantwoordelijk voor Onderzoek (o.l.v. Hans van Buuren), Professionalisering (o.l.v. Darco Jansen) en Content (o.l.v. ondergetekende). Bij dit laatste project gaat het er niet om zelf content te maken, maar ervoor te zorgen dat (open) content beschikbaar komt, dat er een kwaliteits”systeem” gerealiseerd wordt, een model voor versiebeheer van de content ontworpen en geïmplementeerd wordt, en allerlei andere aspecten die direct met content te maken hebben.
Naast deze projecten lopen ook nog Netwerk Open Hogeschool (voornamelijk binnen Informatica), het EU-project ShareTEC (Europese repository voor OER voor Teacher Education), een project met DigilessenVO (een stichting van 30 samenwerkende VO-scholen waarin open leermaterialen worden gecreëerd en gedeeld), Leraar24 (voornamelijk vrij beschikbare video’s waarin aspecten van professioneel handelen van onderwijsgevenden in beeld worden gebracht), TenCompetence (ontwikkeling van open tools voor levenlang leren), en waarschijnlijk vergeet ik er nog wel enkele.
Concluderend mag wel worden gezegd dat het adjectief Open in onze naam zo een geheel nieuwe dimensie heeft gekregen.

Taalkwestie

Photo by shawn-i-am@flickr.comGisteren was ik, ter gelegenheid van het afscheid van een oud-collega, uitgenodigd bij een BBQ aan de TUE, bij de vakgroep Information Systems van de faculteit Industrial Engineering & Innovation Sciences (in “mijn tijd” de vakgroep Information Technology bij de faculteit Technische Bedrijfskunde). Om eens te kijken wie er daar nog rondliep uit de periode dat ik er werkte bezocht ik hun webpagina. Daar viel mijn oog op de volgende passage uit een Engelstalige vacaturetekst voor een UD: “Candidates have an excellent mastering of the English language in writing and speaking; mastering of the Dutch language is a pro but not a strict requirement.”. Hoewel ik begrijp dat in de wetenschap Engels de lingua franca is, vond ik met name de laatste toevoeging toch wel erg ver gaan. Aan de TUE studeren in de Bachelorfase vooral Nederlanders en de UD zou ook daar colleges moeten verzorgen.
Navraag leerde me echter dat de achterliggende reden eenvoudig was. De vacature bestaat al enige tijd en er zijn geen Nederlandstaligen te vinden die in voldoende mate aan het profiel voldoen. Of zoals de vakgroepsvoorzitter het formuleerde: “Als we de keuze hebben tussen een goede Nederlander en een wat betere buitenlander die het Nederlands niet beheerst, kiezen we de eerste”.
Iets om over na te denken. Binnen onze OU zijn de meeste cursussen Nederlandstalig en de evaluaties bij OpenER leerden dat cursussen in een andere taal als een drempel worden ervaren. Zouden onze faculteiten, wanneer ze geen geschikte Nederlandstalige kandidaten kunnen vinden, dan toch een dergelijke passage in vacatureteksten moeten overwegen?

Wikiwijswerkweek

WikiwijswerkweekDe afgelopen week zat de projectgroep Wikiwijs een aantal dagen “op de hei” om meters te kunnen maken met het in juli op te leveren projectplan. “De hei” was ditmaal het Studiecentrum Eindhoven, waar we uitstekend verzorgd werden door de staf van dat centrum, waarvoor mijn dank. Naast de vaste projectgroep (waar namens de OU Darco Jansen en ondergetekende deel van uitmaken) werden op gezette tijden ook anderen ingevlogen om deel te nemen aan de discussies en de planvorming.
Aan bod kwamen o.a. het bepalen van de stakeholders, de planning voor het hele programma met de onderlinge afhankelijkheden, de risico’s en maatregelen daartegen, juridische aspecten, communicatie, vastleggen van beelden van de diverse aspecten (zoals de rol van communities en de eisen die aan content moet worden opgelegd), kwaliteit van de content enzovoorts, et cetera. Al met al hebben we zeer veel voortgang gemaakt tijdens deze dagen en ik heb er groot vertrouwen in dat we zullen slagen in onze opdracht.
Onvermijdelijk tijdens dergelijke intensieve sessies zijn de momenten dat je even de teugels laat vieren en in een wat melige bui komt. Bij ons resulteerde dat in varianten op de naam Wikiwijs die bij een aantal aspecten van Wikiwijs gebruikt kunnen worden. Een kleine bloemlezing:

  • Een bus die het land rondtoert om Wikiwijs te promoten: maak een wikireis
  • De prijs voor de school met de beste bijdragen: de wikiprijs
  • Een reclametune (bijvoorbeeld op stations): wiki-wijsje…
  • …Uiteraard te beluisteren onder het genot van een wiki-ijsje…
  • …Aan je verkocht door een wikimeisje
  • Het programma van eisen: de wikilijst
  • Leermiddelen, gericht op de categorie senioren (HOVO): wikigrijs
  • En mocht het programma toch mislukken, dan komt de man met de wikizeis

Een opener RdMC

Naar aanleiding van mijn vorige post kreeg ik van mijn gewaardeerde collega (laat ik hem voor het gemak maar DJA noemen) een reactie over de achtergronden voor bijvoorbeeld het besluit geen Creative Commons licentie aan RdMC-producten te “hangen”.
Allereerst mijn kritiek over het niet open zijn van de RdMC materialen. DJA wijst op de algemene voorwaarden. Daarin staat dat gebruikers ons materiaal mogen bewerken, distribueren en herpubliceren. Nog sterker: men doet dat al, meestal met kennisgeving.
We hebben eigenlijk een variant van CC-BY-NC waarbij expliciet ervoor gekozen is om dit niet in een CC-licentie te verwoorden. Dit heeft te maken met de beperktheid doelgroep (alleen onderwijsgevenden). De andere reden is gerelateerd aan het lastig kunnen omschrijven van wat commercieel gebruik is en wat niet. Bij OpenER hebben we dit echter wel gedaan, dus waarom is dat bij het RdMC lastiger? Een derde beperking t.o.v. CC heeft te maken met portret- en beeldrechten: men mag het alleen hergebruiken voor de beoogde toepassing waarvoor auteur dan wel portrethebbende toestemming heeft gegeven. Voer voor juristen: is deze laatste beperking niet in aanvullende beschrijvingen toch in te passen in een CC-licentie?
DJA merkt verder op: eigenlijk voldoen we een aan alle criteria van openheid als we ‘iedereen’ veranderen in ‘iedere docent, school en niet commerciele opleiding’. Vrij en niet altijd voor iedereen: CC-NC is een licentie voor open leermiddelen maar sluit een deel van iedereen uit…. Gegeven de opstelling van de overheid t.o.v. openheid (o.a. wat met publieke middelen is vervaardigd moet vrij beschikbaar komen) is het te overwegen de discussie met het Ministerie aan te gaan over deze beperkte doelgroep.
Maar ondertussen gebruiken, herbewerken ook commerciële instellingen onze materialen. In werkelijkheid wordt al ons materiaal hergebruikt, zelfs in methodes van uitgevers (zonder naamvermelding dan wel). Zou dit laatste juist niet pleiten voor een CC-licentie, waarbij je kunt afdwingen dat naamsvermelding plaatsvindt, zodat voor de gebruiker van de commerciële methode het duidelijk is dat er ook een vrij beschikbare variant aanwezig is, zodat hij of zij kan kiezen?

Open en het Ruud de Moorcentrum

Eén van de eerste reacties die ik kreeg van een collega van het Ruud de Moorcentrum (RdMC) toen ik drie jaar geleden benaderd werd om het OpenER project te leiden was “het RdMC produceert al jaren alleen maar open materiaal”. Nu, drie jaar verder, wil ik wel reflecteren op deze uitspraak en met name het waarheidsgehalte daarvan nagaan.
(Digitaal) materiaal is open als het voldoet aan 4 criteria:

  1. Vrij (gratis) beschikbaar voor iedereen
  2. Vrij te bewerken door iedereen
  3. Vrij te distribueren door iedereen
  4. Vrij te (her)publiceren door iedereen

Wanneer we de RdMC-producten afzetten tegen deze vier criteria voldoen ze alleen aan het eerste criterium en dan nog niet volledig. De producten die het RdMC maakt zijn (conform de voorwaarden van het Ministerie van OCW) om niet beschikbaar voor de doelgroep. Dat is beperkter dan “iedereen”. De overige criteria zijn niet van toepassing op de RdMC-producten. Met name de vraag “gaat het RdMC de producten ook zelf exploiteren?” is van belang wanneer we als RdMC willen overgaan naar echt open producten. Immers: dat bepaalt of je de enige leverancier van diensten rondom de producten wilt zijn of niet. Maar ook de vraag “willen we dat anderen dan RdMC-medewerkers de producten kunnen aanpassen en herpubliceren?”.  Zorg over kwaliteit van de producten beïnvloedt de beantwoording van die vraag.
Er zullen dus nog stevige discussies moeten plaatsvinden over het beleid dat het RdMC wil voeren in dezen voordat de uitspraak van mijn gewaardeerde collega met een volmondig “inderdaad” kan worden gekarakteriseerd (als het al ooit zo ver komt). Misschien iets voor Stradivarius 2? (Voor de niet-RdMC-ers: Stradivarius is de naam van het strategische plan voor RdMC).

Open licenties

Photo by share@Flickr.comPubliceren van open leermiddelen betekent ook aandacht geven aan de licentie waaronder het wordt gepubliceerd. Een veelgebruikte licentie hiervoor is de Creative Commons (CC) licentie. Bij een CC-licentie maak je voor de gebruiker duidelijk welk soort gebruik toegestaan is. Bij de meest liberale CC-licentie wordt (her)gebruik toegestaan als naamsvermelding plaatsvindt van de oorspronkelijke bron. In het CC-jargon heet dat “CC-BY”. Deze licentie kan restrictiever worden gemaakt door alleen niet-commercieel hergebruik toe te staan (“CC-BY-NC”) en/of geen afgeleide werken toe te staan (“CC-BY-ND”) en/of herpublicatie alleen toe te staan onder dezelfde CC-licentie (“CC-BY-SA”).
In een eerdere blogpost heb ik al eens de problematiek beschreven die optreedt bij andere dan de meest liberale CC-licentie. In een publicatie van Surfdirect wordt uitgebreid ingegaan op allerlei problematieken rondom open licenties. Omdat SURF stelt dat de keuze voor een licentie geen hindernissen moet opwerpen voor toekomstig gebruik van hun repositories en mogelijk te ontwikkelen diensten die aangeboden worden wordt de meest liberale CC-licentie geadviseerd. Voor Wikiwijs moet de discussie hierover nog plaatsvinden, maar persoonlijk ben ik van mening dat ook daar de CC-BY licentie zou moeten worden gebruikt. De “open leermiddelen beweging” is het meest gebaat bij zo groot mogelijke uitwisseling en hergebruik van open leermiddelen, omdat daarmee de toegang tot kennis voor iedereen het meest wordt ondersteund en daarnaast de efficiëntie bij ontwikkeling groter wordt (wielen hoeven niet opnieuw te worden uitgevonden).
Bij de start van het OpenER-project in 2006 is nagedacht over de CC-licentie die zou moeten worden gebruikt. Gekozen is toen om alleen niet-commercieel gebruik toe te staan en herpublicatie alleen onder dezelfde CC-licentie toe te staan (CC-BY-NC-SA). Voor die cursussen waar de OUNL niet van plan is diensten eromheen aan te bieden (en dat geldt voor een groot aantal cursussen bij OpenER) zou de niet-commercieel restrictie kunnen vervallen. Derde partijen kunnen dan waarde toevoegen en een gebruiker heeft dan de keuze: gebruik maken van het vrij beschikbare materiaal of betalen voor een meerwaarde dat aan het materiaal is toegevoegd (waarbij, vanwege de naamsvermelding eis van CC-BY, duidelijk zichtbaar is dat het commercieel verkrijgbare materiaal ook als open leermiddel beschikbaar is). De OU zou daarmee kunnen bereiken dat (veelal voortreffelijke) leermiddelen breder gebruikt worden waardoor de bekendheid van de OU bij doelgroepen groter zou worden.
Bij de implementatie van het model dat de interne Taskforce OER eind vorig jaar heeft ontworpen zou een instellingsbrede discussie over de te gebruiken licentie een onderdeel moeten uitmaken. Achteraf wijzigen van een CC-licentie brengt namelijk erg veel werk met zich mee. Je moet weer terug naar alle rechthebbenden om hun toestemming te vragen.

Mythes rondom open leermiddelen

Photo by Rob Lee @ Flickr.comRondom open leermiddelen bestaan veel aannames die, hoewel hardnekkig, in de grond onjuist zijn. Samen met collega Darco Jansen van het Ruud de Moorcentrum heb ik een zevental van die mythes verzameld. Een uitgebreide beschrijving ervan zal later elders te lezen zijn. In willekeurige volgorde zijn dit de mythes:
1. Gratis leermiddelen zijn inferieur
2. Oude leermiddelen zijn inferieur
3. Gratis is gratis
4. Met open leermiddelen is nauwelijks geld te verdienen
5. Leraren krijgen weer een taak erbij
6. Open leermiddelen lokken ongewenst free riders gedrag uit
7. Schoolboeken zullen op den duur verdwijnen
Nu de start van de implementatie van Wikiwijs aanstaande is hopen we met de publicatie van deze mythes en hun weerlegging bij te dragen aan meer duidelijkheid over wat open leermiddelen nu inhouden.

Open Yale en Youtube

Momenteel ben ik in (een regenachtig) Monterey, Californië voor de jaarlijkse Hewlett Grantee meeting. Zoals gewoonlijk bij dit soort meetings vooral bedoeld om ervaringen uit te wisselen, te leren van elkaar en kennis te nemen van nieuwe ontwikkelingen en trends. Tevens een plaats waar oude banden kunnen worden aangehaald en nieuwe aangeknoopt.
Gisteren werd het geheel geopend met een overzichtsmarkt. Ik maakte daar onder andere kennis met een vertegenwoordiger van de Yale University, die momenteel 15 cursussen open beschikbaar heeft op hun website. Onderdeel van een cursus zijn ook opgenomen colleges die met ondertiteling (“Closed captioning”) worden gepubliceerd. Ze gebruiken daarbij een kanaal van Youtube. Maar (en dat maakte het voor mij heel bijzonder): bij die video’s is er de mogelijkheid te kiezen vooreen andere taal voor de ondertiteling. On the fly wordt de vertaalde ondertiteling dan getoond. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een betaproduct van Google. De vertaling is (uiteraard) niet foutloos. Gebrekkige zinsbouw en af en toe vreemde vertalingen (m.n. bij ambiguïteit; altijd het probleem bij vertalingen), maar wel degelijk begrijpelijk en zeker van waarde om het betoog van de spreker beter te kunnen volgen. Momenteel wordt deze optie voor 40 talen aangeboden, waaronder Nederlands.
Als voorbeeld hieronder een college over speltheorie: Backward induction: chess, strategies, and credible threats. Om de vertaling in te schakelen: na starten van de video klik rechtsonder op de knop met het driehoekje omhoog en op het dan verschijnende submenu op het pijltje naar links. Kies voor vertaling en dan de gewenste doeltaal.

Bezoek David Wiley

David WileyDe afgelopen paar dagen was David Wiley van Brigham Young University (Utah) op bezoek bij de Open Universiteit. Het doel van dit bezoek was om met hem van gedachten te wisselen over allerlei initiatieven rondom Open Educational Resources die er momenteel bestaan binnen en buiten de OU. Met name wilden we leren van zijn ervaringen.
Op woensdag hebben diverse groepen met hem gesproken over waar ze mee bezig waren. Donderdag achtereenvolgens gesprekken met Fred Mulder, Darco Jansen en ondergetekende, de interne Taskforce OER. Vrijdag een bijeenkomst op het Ministerie van OCW waar met ambtenaren van OCW en EZ en vertegenwoordigers van Kennisnet, SLO, Stichting Kennisland en Digischool over de Wikiwijs plannen werd gesproken.
David loopt al lang mee in de wereld van OER, maar hij was zeer onder de indruk van de initiatieven waarvan hij binnen en buiten de OU hoorde. Met name de ideeën voor de door de Taskforce voorgestelde OER-strategie, de plannen met de NOH Informatica en de ambities van Plasterk voor een door de overheid geïnitieerde infrastructuur voor OER (waar Wikiwijs een start voor is) deden hem verzuchten “I wish I lived in the Netherlands”. Op onze beurt hebben we zeer veel waardevolle ideeën opgedaan over zijn betrokkenheid bij de Open Highschool in Utah (een online Highschool waar alleen OER wordt gebruikt) en het FlatworldKnowledge initiatief (een uitgeverij waarbij via allerlei services rondom open textbooks een sustainable businessmodel lijkt te ontstaan). Bij deze laatste organisatie vervult David de rol van “Chief Openness Officer” (:-)). De bijeenkomst in Den Haag tenslotte was een groot succes. Er werd druk gediscussieerd over o.a. kwaliteit van OER, instrumentatie en hoe docenten betrokken te krijgen bij Wikiwijs.

Share-TEC workshop

Venetië - San ServoloVandaag begint in Venetië een projectbijeenkomst van het ShareTEC project. Dit is een EU project waar partners uit zes landen een portaal willen maken met toegang tot open materiaal bestemd voor “Teacher Education”. Vanuit de OU is Celstec daarbij betrokken en vanuit het RdMC ben ik afgevaardigd om daar mijn steentje aan bij te dragen. Uiteindelijk zullen de kennisbanken van het RdMC ook toegankelijk moeten worden gemaakt voor die portal.
In dit project ben ik vooral bezig geweest te komen tot een Common Metadata Model, wat door alle partners gedragen kan worden. In deze projectbijeenkomst zal een eerste versie van dat model verder bediscussieerd worden en aangescherpt worden.
Leuke aspecten in dit project zijn o.a. de problemen die ontstaan door verschillende talen en verschillende onderwijssystemen. Zo wil je bijvoorbeeld dat een leraar in Nederland die iets zoekt over wiskunde voor 4 HAVO, ook overeenkomstig materiaal in andere talen kan vinden en dat zoekproces ook in het Nederlands kan gaan doen. Maar wat is HAVO in Spanje (als er al een overeenkomstig niveau van voortgezet onderwijs daar bestaat)? Mede hiervoor is een ander projectresultaat een ontologie voor teacher Education. Ook die deliverable komt uitgebreid ter sprake en er zullen naar verwachting veel meer verbindingen tussen de groep die zich daarmee bezighoudt en de groep die zich bezighoudt met het metadatamodel tot stand komen.