Is een SPOC open?

Vanochtend kwam ik in een twitterdiscussie met Wilfred Rubens (@wrubens) en Marco Derksen (@marcoderksen) over de vraag of een Small Private Online Course (SPOC) een vorm van open onderwijs mag worden genoemd. Wilfred was van mening van niet; ik had de mening van wel (en ik geloof dat Marco het met mij eens was). Omdat 140 karakters het lastig maakt de standpunten duidelijk over het voetlicht te krijgen hebben we afgesproken de discussie via deze blog voort te zetten.
Voor mij is het 5COE-model van Mulder & Janssen het denkmodel dat ik gebruik om open onderwijs te beschrijven. In een eerdere blogpost heb ik dat als volgt geformuleerd:

Fred Mulder en Ben Janssen hebben voor open onderwijs in het algemeen een model geformuleerd (het 5COE-model). In dat model onderkennen ze 5 componenten die ieder een bepaalde mate van openheid kunnen hebben (te bepalen door de instelling die het open onderwijs aanbiedt): aanbod (leermaterialen, services en onderwijsinspanning) en vraag (van de lerende en van de omgeving). Ze onderscheiden openheid in zowel een klassieke opvatting (openheid in tijd, plaats, programma, tempo en toegang) als een digitale opvatting (gratis toegang tot leermaterialen; toegang (maar niet noodzakelijkerwijs gratis) tot services en onderwijsinspanning voor anderen dan formeel geregistreerde lerenden; en leermaterialen beschikbaar onder een open licentie).

Beschikbaarheid onder een open licentie betekent in mijn opvatting dat een gebruiker de vijf rechten heeft die door David Wiley zijn beschreven als 5R:

  1. Retain – het recht om kopieën van het leermateriaal te maken, in eigendom te nemen en te beheersen (bv. download, dupliceren, opslaan en beheren)
  2. Reuse – het recht om leermateriaal te hergebruiken op alle mogelijke wijzen (bv. in een klas, een studiegroep, op een website, in een video)
  3. Revise – het recht het leermateriaal aan te passen, bij te stellen en te wijzigen (bv. door het naar een andere taal te vertalen)
  4. Remix – het recht om het originele of aangepaste leermateriaal te combineren met andere open leermaterialen om zo nieuw materiaal te verkrijgen (bv. door het leermateriaal in een mashup te gebruiken)
  5. Redistribute – het recht om kopieën van het originele leermateriaal, het aangepaste leermateriaal of remixes verder te verspreiden (bv. door een kopie van het leermateriaal aan een collega te geven).

Gebaseerd op deze beschrijving hanteer ik de volgende omschrijving van open onderwijs:

  1. Het leermateriaal is gepubliceerd onder een open licentie. De open licentie geeft de voorwaarden aan waaronder de gebruiker vrij is de 5R-rechten toe te passen.
  2. Het onderwijs voldoet aan tenminste één van de volgende kenmerken:
    1. Open in tijd;
    2. Open in plaats;
    3. Open in tempo;
    4. Open in programma;
    5. Open in toegang;
  3. Het onderwijs en de leermaterialen zijn gratis beschikbaar voor iedereen met internettoegang.
  4. Extra services of onderwijsinspanning (zoals het afleggen van een examen onder geconditioneerde omstandigheden of extra begeleiding van een tutor) hoeven niet gratis te worden aangeboden, zolang de lerende altijd in staat is ook zonder deze services en onderwijsinspanningen het onderwijs te volgen. Bijvoorbeeld: de MOOC-aanbieder Coursera biedt voor certificering een keuze tussen een gratis Statement of Accomplishment en een niet-gratis Verified Certificate

Wellicht niet af te leiden uit de beschrijvingen van 5COE en 5R is het vierde criterium, met name het gratis alternatief die een lerende in mijn ogen altijd moet hebben. Maar in feite is dit een gevolg van criterium 3.
Nagaan of een SPOC een vorm van open onderwijs kan worden genoemd betekent het nalopen van deze vier criteria. En dan wreekt zich het feit dat een SPOC niet goed gedefinieerd is. In de (Engelstalige) Wikipedia staat de volgende omschrijving van een SPOC:

Small Private Online Course (SPOC) refers to a version of a MOOC (Massive Open Online Course) used locally with on-campus students. University of California -Berkeley Professor Armando Fox first coined the word in 2013 to refer to a localized instance of a MOOC course that was in use in a business-to-business context.

Strikt genomen zou een SPOC volgens deze definitie een vorm van open onderwijs mogen worden genoemd (indien het aan de vier criteria voldoet), maar ik ben het hier wel met Wilfred eens dat, door de beperking dat alleen geregistreerde on-campus studenten toegang hebben tot zo’n SPOC, het wel een hele beperkte vorm van open onderwijs is. Impliciet verwacht je bij open onderwijs dat ook toegang wordt verleend aan belangstellenden die niet geregistreerd staan als student bij de aanbiedende instelling. Wellicht zou dat criterium moeten worden toegevoegd aan de bovenstaande set.
Er zijn echter ook implementaties van een SPOC die wel toegankelijk zijn voor studenten die niet geregistreerd staan bij de aanbiedende instelling, zij het niet in onbeperkte aantallen (vandaar Small POC). Het mooiste voorbeeld vind ik de SPOC Sharia in the West van de Universiteit Leiden. Door de on-site studenten te mixen met studenten uit gebieden die voor het cursusonderwerp relevant zijn ontstaat op die wijze een international classroom. En deze opvatting van een SPOC vind ik wel degelijk een vorm van open onderwijs. Temeer omdat Marja Verstelle (Programma Manager Online and Blended Learning Bestuursbureau & Centre for Innovation Universiteit Leiden) me in een tweet het volgende vertelde:

Ofwel: het leermateriaal van de MOOC (en ik verwacht ook van de SPOC, maar dat is een aanname) komt onder een open licentie beschikbaar.
Naast het al eerder door mij aangegeven mogelijk extra criterium levert de opvatting die ik hierboven heb geformuleerd wel meer discussiepunten op:

  • Waarom moet het leermateriaal per se open zijn in de 5R zin? Is gratis toegankelijk (al dan niet beperkt tot de tijdsduur van de cursus) niet al voldoende? (Open beschikbaar stellen van de leermaterialen zou op zijn minst een streven moeten zijn. Wellicht kan dat niet voor alle gebruikte materialen, maar het helpt om een grotere verspreiding, aanpasbaarheid en herbruikbaarheid te bereiken)
  • Waarom hoeft maar aan één van de klassieke opvattingen voor open te worden voldaan? (Een instelling bepaalt uiteindelijk welke vormen van open geboden worden. Er kunnen overwegingen zijn om (bv. vanuit didactisch oogpunt) niet alle vormen toe te laten.)
  • Criterium 3: “voor iedereen” of “voor iedere belangstellende, eventueel met een bovengrens aan aantal”? En is een selectieprocedure zoals in Leiden dan wordt toegepast dan niet te beperkend? (Net als bij het vorige punt: er kunnen overwegingen zijn om dergelijke beperkingen op te leggen. Essentie is dat belangstellenden van buiten worden toegelaten.)

Ik ben dus nog steeds zoekende en probeer ook steeds mijn opvatting aan te scherpen. Voor mij leiden dit type discussies in ieder geval tot meer inzicht in (on)mogelijkheden van openheid (in welke opvatting dan ook) voor het onderwijs. En dat is uiteindelijk waar het om moet gaan.
Wilfred (en andere belangstellenden): the floor is yours! En om reacties via twitter alvast te ontmoedigen: deze blog telt ruim 7000 karakters, het equivalent van meer dan 50 tweets.

Lunchlezingen open en online onderwijs

In het kader van de internationale Open Education Week van 9 t/m 13 maart werd in Nederland op alle werkdagen een lunchlezing gehouden. Een verscheidenheid aan onderwerpen is daarbij de revue gepasseerd. Het primaat lag bij de instellingen voor hoger onderwijs, maar één lezing werd ingevuld door een niet-onderwijsinstelling (Kennisland). De meeste lezingen werden live gestreamd. Tijdens de lezing was er de mogelijkheid via twitter te reageren (hashtag #surfoeweek) en de opnames zijn achteraf te bekijken. SURFNet coördineerde de lezingen door een verzamelpagina op SURFSpace te onderhouden, via social media iedere dag te attenderen op de lezing en tijdens de lezing een moderatorrol te vervullen (monitoren van de tweets en vragen daaruit doorspelen naar degene die de lezing verzorgde).
Een verscheidenheid aan onderwerpen is aan bod gekomen:

  • De Universiteit Tilburg trapte af op maandag. Petra Heck en Esther Breuker presenteerden over hun Flex-Ed project, de ervaringen die ze daarbij meemaakten en welke uitdagingen ze daarbij tegenkwamen. Het project loopt bij Liberal Arts and Sciences en heeft tot doel een flexibeler aanbod te creëren, gebruikmakend van online elementen en open leermaterialen.
  • Dinsdag gaf Willem van Valkenburg van de TU Delft een overzicht van wat er ionternationaal gebeurt en over hun activiteiten bij de TU. Deze lezing was een opname van een keynote die hij de dag ervoor had verzorgd tijdens een on site event in Delft.
  • Woensdag gaven mijn collega Pierre Gorissen en ikzelf een presentatie over twee initiatieven die bij Fontys Hogescholen lopen (het FINE-project en mijn lectoraat Open Educational Resources).
  • Donderdag vertelde Lisette Kalshoven van Kennisland over mythen rondom OER die ze zelf ervaart in haar contacten met docenten, maar die ook verzameld worden op een website OER Mythbusting!. Tevens gaf ze meer achtergronden over auteursrecht en open licenties.
  • Vrijdag presenteerden Simone Buitendijk en Edwin Bakker over de plannen en ervaringen die de Universiteit Leiden heeft met MOOC’s. Meest getweet daarbij was de mededeling dat Coursera hun MOOC’s on demand gaan aanbieden. Dat maakt hergebruik beter mogelijk (niet meer gebonden aan één starttijdstip).

Overall waren dit mijn indrukken:

  • De lezingen gaven een grote verscheidenheid aan initiatieven. Veelal zijn die opgezet in het kader van een experiment onderwijsvernieuwing, waarbij centraal gelden ter beschikking zijn gesteld en via interne tenders projectvoorstellen konden worden gedaan.
  • Naast deze lunchlezingen waren er in het kader van de Open Education Week nog activiteiten op de UvA (een editathon) en lokale activiteiten in Delft en Leiden. Daarnaast was ik zelf betrokken bij een internationale 24-uurs twittermarathon (hashtag #AllAboutOpen) van het Open College van de Kaplan University, waarbij in een half uur informatie over het GO-GN research netwerk werd gedeeld. Helaas viel die samen met de lezing van Lisette Kalshoven, maar gelukkig hebben we de opnames nog.
  • De hoeveelheid reacties via twitter was erg verschillend. Soms vroeg de moderator bij SURFNet actief naar reacties en dat hielp wel. Bij de meeste lezingen waren er twee of drie personen die meerdere malen reageerden en dat kwam de levendigheid van zo’n lezing wel ten goede. Bij alle lezingen (behalve die van Kennisland) was er ook lokaal live publiek aanwezig die ook vragen kon stellen. Doordat er daarbij vaak geen microfoon werd gebruikt waren die niet altijd duidelijk voor de toehoorder online. Het was jammer dat de lezing op dinsdag een opname was van de dag ervoor. Wellicht verklaart dat ook dat er toen geen twittervragen waren (in ieder geval niet met de hashtag #surfoeweek). Bij iedere lezing hadden de deelnemers twee stellingen geformuleerd die vooraf via twitter werden gecommuniceerd, maar waar weinig reacties op kwamen.
  • Helaas heb ik wel veel technische problemen ervaren. Op diverse plekken heb ik de lezingen bekeken (Fontys werkplek met laptop, bij SURFNet, thuis op een bekabelde desktop), maar bufferproblemen (op dinsdag en vrijdag; de opnames van vrijdag hebben die problemen nog steeds) en de Silverlight plugin waarbij ik pas na 30 minuten doorkreeg dat ik handmatig moest accepteren in mijn Chrome browser (op maandag), zorgden ervoor dat ik delen van de lezingen heb gemist. Direct reageren via twitter was dan ook beperkt mogelijk voor mij.

Concluderend: de lezingen waren erg divers qua onderwerp en daardoor voor elk wat wils. Het was daarbij ook mooi te horen over de activiteiten die er in het land ontplooid zijn op het gebied van open en online onderwijs. Persoonlijk brachten de lezingen in Tilburg en Leiden voor mij het meeste nieuws. Het is waardevol om dit format volgend jaar te herhalen. Ik hoop dan op deelname van andere instellingen, want er gebeurt veel meer dan deze week aan bod kwam.
Opnames van alle lezingen zijn te benaderen via de verzamelpagina op SURFSpace.

NMC Horizon Report 2015 en MOOC's

Deze week verscheen de 2015-editie van het NMC Horizon Report voor Hoger onderwijs. Wilfred Rubens en Judith van Hooijdonk hebben er in hun blogs al aandacht aan besteed. Ik verwijs graag naar hun analyses van het rapport. In deze blogpost wil ik inzoomen op de rol die NMC ziet voor MOOC’s.
Samengevat presenteert dit rapport de volgende issues:
Key trends als drijvende kracht voor adoptie van educational technology in het HO

  • Lange termijn (drijvende kracht voor >5 jaar): verbeteren van cultuur voor veranderingen en innovatie; vergroten van cross-institutionele samenwerking
  • Middellange termijn (3-5 jaar): Verspreiding van OER; groeiende focus op meten van leren
  • Korte termijn (1-2 jaar): hoger gebruik van blended leren; herontwerpen van learning spaces

Uitdagingen

  • Oplosbaar: begrepen en weten hoe aan te pakken: blenden van informeel en formeel leren; verbeteren van digitale vaardigheid
  • Lastig: begrepen, maar aanpak is nog onduidelijk: personaliseren van leren; doceren van complex denken
  • Venijnig: omschrijven is al lastig, laat staan de aanpak: concurrerende onderwijsmodellen; belonen van doceren

Belangrijke ontwikkelingen

  • Time-to-Adoption Horizon: < 1 jaar: BYOD; Flipped Classroom
  • Time-to-Adoption Horizon: 2-3 jaar: Makerspaces(ook wel hackerspaces, hack labs, of fab labs genoemd); Wearable technologie (computers/devices die op het lichaam worden gedragen, bijvoorbeeld verwerkt in kledingstukken of om de pols)
  • Time-to-Adoption Horizon: 4-5 jaar: adaptieve leertechnologie; the Internet of Things

Bij de preview op een eerdere editie van dit rapport verbaasde ik me al over de bijna afwezigheid van MOOC’s. Om te zien waar MOOC in het rapport genoemd wordt, heb ik het document doorzocht op de zoekterm MOOC.
Aantal hits: 19

  • 1x genoemd in de beschrijving van de middellange termijn trend OER, als onderdeel van de open strategie van Unisa
  • 4x genoemd in de beschrijving van de korte termijn trend Blended leren. Daar worden ze met name beschouwd én als te gebruiken vorm én als aanjager voor het denken over en toepassen van vormen van blended leren.
  • 7x genoemd in de beschrijving van de venijnige uitdaging Concurrerende onderwijsmodellen. Hier worden MOOC´s genoemd als middel voor concurrentie tussen onderwijsaanbieders op de markt voor hoger onderwijs. Naast MOOC’s worden in de beschrijving ook programma’s voor volwassenen gebaseerd op innovatieve modellen die menselijke interactie en multidimensionaal leren benadrukken en competentiegericht leren genoemd.
  • 3x genoemd in de beschrijving van de lange termijnontwikkeling Adaptieve leertechnologie als een praktijkvoorbeeld waarbij een MOOC met adaptieve leertechnologie werd uitgebreid
  • 4x genoemd in de totaal 284 referenties achterin het document

Dit bevestigt de ontwikkeling die MOOC’s doormaken sinds 2012. Gartner voorspelde vorig jaar in zijn hype cycle al het realisme dat in het denken over MOOC’s steeds meer aanwezig is:

In die grafiek is te zien dat MOOC beschouwd wordt als een technologie die binnen afzienbare tijd obsolete is. Dat betekent niet dat het dan verdwenen is, maar wel dat het beschouwd kan worden als één van de vormen die bij onderwijs en leren gebruikt kan worden; geschikt in sommige situaties, ongeschikt in andere. Sommige van die geschikte situaties worden in het Horizon report gespecificeerd.
Een gezonde ontwikkeling in mijn ogen. MOOC’s kunnen op hun waarde worden beschouwd en dienovereenkomstig worden gebruikt. Want voor de juiste situaties hebben ze zeker potentie. Het is nu zaak te ontdekken en te experimenteren waar en onder welke condities. En dat gebeurt ook al volop, gegeven de steeds grotere schat aan literatuur die hierover ontstaat. Zie bijvoorbeeld dit mooie overzicht, dat gecureerd wordt door Katy Jordan.
 

Babson survey 2015: online onderwijs in USA

 
Deze week kwam de 12e editie van het rapport Grade Level: Tracking Online Education in the United States uit. Deze studie wordt sinds 2002 uitgevoerd door de Babson Survey Research Group (BSRG), met partners Pearson, Tyton en Online Learning Consortium. Dit rapport verschijnt kort na hun onderzoek naar adoptie van OER, waarover ik in oktober een blogpost schreef. In de onderhavige studie wordt breder gekeken naar de stand van zaken rondom aanbod van (al dan niet open) online onderwijs.
Een complicatie bij deze editie is dat ze voor het eerst ook gebruik maken van data aangeleverd door Integrated Postsecondary Education Data System (IPEDS). Dat heeft als voordeel dat er veel meer data aanwezig is (instellingen moeten verplicht data aanleveren aan dit instituut), maar het maakt vergelijkbaarheid met eerdere jaren lastiger omdat er verschillen in definities zijn tussen IPEDS en de BSRG. Om de resultaten beter te kunnen interpreteren is het goed te weten welke omschrijvingen gehanteerd worden voor de begrippen Online en Distance Education.
De volgende tabel geeft de gebruikte omschrijving van een online cursus:

Aandeel online Type cursus Omschrijving
0% Traditioneel Geen gebruik van online technologie. Content wordt schriftelijk of mondeling overgedragen
1 – 29% Webgefaciliteerd Gebruikt webtechnologie voor ondersteuning van een face-to-face cursus. Kan gebruik maken van een ELO of webpagina’s om een syllabus of opdrachten te publiceren.
30 – 79% Blended / hybride Cursus mixt online en face-to-face overdracht. Een substantieel deel van de content wordt online overgedragen, gebruikt online discussies en heeft een beperkte hoeveelheid face-to-face momenten
80+% Online Cursus met (bijna) alle content online aangeboden. Kent doorgaans geen face-to-face momenten

De omschrijving van distance education van IPEDS: A course in which the instructional content is delivered exclusively via distance education. Requirements for coming to campus for orientation, testing, or academic support services do not exclude a course from being classified as distance education. Deze omschrijving zorgt bij de instellingen voor onduidelijkheid. Tellen bijvoorbeeld blended of hybride cursussen mee?
In een apart hoofdstuk in het rapport wordt uitgelegd welke gevolgen het heeft voor de vergelijkbaarheid. De resultaten die ik in deze blog presenteer worden minder beïnvloed door deze overgang, zeker waar het jaar-op-jaar veranderingen betreft.
Het rapport gebruikt responses van ruim 2800 colleges en universiteiten en de IPEDS data van nog eens 4891 instellingen. De steekproef vertegenwoordigt 78,7% van de inschrijvingen in het hoger onderwijs.
De volgende resultaten vond ik de meest opvallende uit het rapport. Bedenk hierbij wel dat dit de situatie in de US meet. Deze kan niet één-op-één worden vertaald naar de situatie in Europa, maar kan wel input zijn voor overwegingen die instellingen voor hoger onderwijs in Nederland kunnen gebruiken wanneer ze nadenken over beleid of activiteiten op het gebied van online onderwijs.
De volgende tabel geeft het aantal studenten dat in 2012 en 2013 is ingeschreven in een distance education course, uitgesplitst naar type instelling.

2012 2013 Delta
Public 3.584.745 3.750.745 166.000 4,6%
Private not-for-profit 684.030 770.219 86.189 12,6%
Private for-profit 799.417 736.415 -63.002 -7,9%
Total 5.068.192 5.257.379 189.187 3,7%

Opvallend zijn hier de verschillen bij de private instellingen. Het rapport geeft hier geen verklaring voor, maar wellicht dat bij die not-for-profit instellingen al in 2013 MOOC’s onderdeel van hun aanbod uitmaakten (al dan niet hergebruikt), waar dat bij for-profit instellingen nog teveel onzekerheid geeft (bijvoorbeeld over de kwaliteit of de toestemming voor hergebruik).
Dat het belang van online onderwijsaanbod steeds groter wordt gevonden geeft de volgende grafiek weer.

Over een positief effect op de leeruitkomsten zijn de meningen wat gereserveerd, gegeven de resultaten voor de vergelijking Learning outcomes in online education compared to face-to-face. Over de jaren heen is men wel wat positiever geworden, maar de meerderheid ziet geen verschil of denkt zelfs dat de resultaten slechter zijn.

Acceptatie van online education door de staf is in de loop van de jaren niet veel gewijzigd, met wel een lichte stijging in het aantal responses voor niet-acceptatie:

In verschillende jaren is ook gemeten of het vasthouden van studenten bij online onderwijs lastiger is dan bij face-to-face onderwijs. Het percentage respondenten dat het eens is met deze stelling stijgt gestaag. Wellicht dat de meningen meer en meer op (negatieve) ervaringen worden gebaseerd in de loop der jaren door de groei in online aanbod.

Moeite met vasthouden van studenten bij online onderwijsaanbod wordt door 65,3% als een (heel) grote barrière beschouwd voor acceptatie van online onderwijs. Andere barrières zijn het meerwerk voor de facultaire staf (77,9%) en het gebrek aan acceptatie van een online graad door potentiële werkgevers (37,5%).

MOOC’s

In de survey zijn drie vragen over MOOC’s gesteld. Omdat deze vragen in drie achtereenvolgende edities zijn gesteld, is vergelijking van de resultaten mogelijk. Allereerst de resultaten over het aanbod van MOOC’s door instellingen:

Misschien verrassend vanwege alle aandacht en de hype die er de afgelopen jaren was, maar het overgrote deel van de respondenten overweegt nog geen MOOC te publiceren. Wellicht dat de resultaten van de andere vragen een verklaring hiervoor vormen.
De tweede vraag meet de mening over duurzaamheid van aanbieden van een MOOC:
Hieruit blijkt dat in de loop van de afgelopen jaren steeds meer instellingen vraagtekens zetten bij de duurzaamheid van een MOOC als vorm van cursusaanbod. Ik ben mede daarom wel benieuwd naar de resultaten wanneer naar plannen voor hergebruik van een MOOC van derden zou worden gevraagd.
De laatste vraag peilt de meningen over de waarde van een MOOC om ervaring te krijgen met online didactiek:

Uit deze resultaten blijkt dat instellingen minder geloof krijgen in een MOOC als middel om ervaring op te doen met online didactiek. Experimenten zullen wellicht plaatsvinden met andere vormen van online onderwijs, zoals SPOC of webinars. Maar misschien dat ook meer geëxperimenteerd wordt met blended vormen van onderwijs, waarbij online didactiek aangevuld wordt met offline werkvormen.
Binnen het EU-gefinancierde HOME-project is een survey uitgevoerd, waarbij vergelijkingen met eerdere edities van deze Babson survey konden worden gemaakt. De resultaten daarvan zullen binnenkort gepubliceerd worden. Dan zal ook blijken in hoeverre de situatie in Europa al dan niet vergelijkbaar is met die in de US waar het MOOC’s betreft.

Seminar OER support through policies

Op 30 januari was ik, samen met Ronald Slomp van het Ministerie van OCW, aanwezig bij een seminar OER support through policy – exchange and discussion of good practices, georganiseerd door OECD/CERI. Dit seminar was een onderdeel van een studie naar effecten van beleid op OER. De input van dit seminar wordt gebruikt bij het later dit jaar op te leveren eindrapport.
Bij de start werden de eerste resultaten van een survey naar beleidsmaatregelen gepresenteerd. De survey werd gehouden van augustus tot en met november 2013. Enkele findings:

  • 33 landen hebben gereageerd (Noord-Amerika,veel landen uit Europa, Brazilië, China, Indonesië, Japan en Oceanië; geen Afrika)
  • 25 landen (76%) meldden overheidsbeleid om OER productie en gebruik te stimuleren.
  • Vormen van ondersteuning waren meestal een combinatie van subsidies, codes of practices & informatiecampagnes

Ieder van de presentaties op het seminar was een voorbeeld uit één van de vier door hen onderscheiden invloedssferen voor beleid op OER:

  • Beleid ondersteunt totstandkoming van repositories en beschikbaarstelling van open gelicenseerd leermateriaal
  • Beleid ondersteunt totstandkoming van Communities of Practice van docenten om productie en gebruik van OER te stimuleren. Onze presentatie over de aandacht in het Wikiwijs programma voor professionalisering van docenten viel in deze categorie
  • Beleid zorgt voor wijzigingen in de condities voor formeel onderwijs door regelgeving aan te passen, nieuwe tools te stimuleren en verdeling van werk toe te wijzen. Dit gebeurt op verschillende niveaus (nationaal, regionaal, instituut,…)
  • Additioneel: er is meer onderzoek nodig om het systeem beter te begrijpen. Het debat wordt nu gevoerd door advocaten van de open beweging; onderzoek over werkelijk gebruik van OER is schaars.

Hoewel de meeste gepresenteerde cases wel bekend waren, was het interessant om in wat meer detail van de voorbeelden te leren. Alle voorbeelden spelen in het primair (soms) en voortgezet onderwijs. Instellingen voor hoger onderwijs zijn in de meeste landen autonoom, waardoor beleid op OER lastiger te realiseren is.
Wat mij betreft was Noorwegen de meest interessante en ook verrassende case. Interessant, omdat Noorwegen in veel opzichten op Nederland lijkt en zij ook, evenals Nederland indertijd met Wikiwijs, een nationaal programma voor OER hebben. Verrassend, omdat de case, zeker in vergelijking met de aanpak in Nederland, enkele opmerkelijke verschillen kent. In een eerdere blog heb ik naar aanleiding van hun MOOC-onderzoek al eens over dit land geschreven. Ik heb daar toen aangegeven dat Nederland en Noorwegen op veel gebieden vergelijkbaar zijn. Tijdens dit seminar werd de Norwegian Digital Learning Arena (NDLA) gepresenteerd. NDLA is een virtuele organisatie, waarin docenten, redacteuren en private partijen in 18 van de 19 provincies samenwerken aan het creëren van open digitaal leermateriaal voor voortgezet onderwijs in een open infrastructuur. Docenten worden betaald voor het maken van leermateriaal, maar de producten worden open beschikbaar gesteld. Door de provincies worden hiervoor gelden ter beschikking gesteld.
De resultaten zijn verbluffend:

  • 98 % van alle docenten kennen NDLA
  • Meer dan 60 % gebruikt NDLA in hun lespraktijk (meer dan 50% zelfs heel veel)
  • Hoge scores voor waarde en kwaliteit
  • Hoog niveau publiek-private samenwerking
  • 66 % van budgetten worden in de open markt besteed
  • Jaarlijkse kosten: €55 per leerling

Volgens hen bepalen de volgende factoren het succes bij hen:

  • Publiek commitment door lange-termijn financiële ondersteuning
  • Betrokkenheid van docenten is essentieel, in het hele proces. Daag hen uit om hun vaardigheden te gebruiken.
  • Kritieke succesfactoren zijn gebruik van open licenties, metadata en open formaten
  • Vind niet alles uit, maar integreer met wat al goed werkt

Oostenrijk werd vertegenwoordigd door een presentatie over Eduthek, een repository met e-learning materialen. Dit maakt onderdeel uit van hun portaal bildung.at, een initiatief van het Bundesministerium für Bildung und Frauen (!). Bronnen uit diverse repositories worden via het portaal vindbaar gemaakt. Hun motto daarbij is Content finds teacher in plaats van Teacher finds content. Dit wordt gerealiseerd door content te koppelen aan een competentieraamwerk (Bildungsstandard), enigszins vergelijkbaar met de leerdoelen die door de overheid voor het voortgezet onderwijs zijn vastgelegd. Om de kwaliteit van het aanbod te garanderen hebben ze een bijzondere aanpak. OER worden als bouwblokken beschikbaar gesteld, maar mogen niet worden gewijzigd (een Creative Commons licentie CC BY-ND). Wat docenten wel mogen is die bouwblokken combineren tot grotere eenheden. Uitgevers worden gestimuleerd ook dergelijke basisbouwblokken beschikbaar te stellen, maar of daar veel response voor is is onbekend. Meer informatie.
De aanpak om OER te laten maken door organisaties en instellingen (en die daarvoor te betalen), waarna docenten die voor lokaal gebruik kunnen aanpassen wordt ook gehanteerd in het OER-initiatief van Washington State. Het verschil met de Oostenrijkse situatie is dat docenten de beschikbare OER ook kunnen bewerken (maar niet delen via de repository). In Washington State is er veel vraag naar leermaterialen die aansluiten bij de Common Core Standard. Uitgeverijen hebben bij het aanpassen aan Common Core geen goed werk geleverd. Daarom (en vanwege de hoge kosten voor leerboeken) is dit initiatief ontstaan. Kwaliteitsborging gebeurt hier door materiaal te laten reviewen door hiervoor opgeleide en betaalde reviewers.
De grootste verschillen met de Nederlandse situatie (m.n. Wikiwijs) zijn volgens mij de volgende:

  • Langdurige fondsen beschikbaar vanuit overheden om open leermaterialen te laten maken en beoordelen in Noorwegen, Oostenrijk en Washington, niet als een programma met een beperkte looptijd.
  • Nauwe samenwerking met private uitgeverijen die materiaal onder een open licentie beschikbaar stellen. Binnen Wikiwijs zijn er wel experimenten geweest om de koppeling tussen de open en gesloten wereld tot stand te brengen, maar deze lijken in schoonheid te zijn gestorven. Op het portaal van Wikiwijs zijn beide werelden wel vertegenwoordigd, maar zonder onderlinge koppelingen.
  • De aandacht voor docentprofessionalisering binnen Wikiwijs ontbreekt bij de andere initiatieven.

De afsluitende discussies leverden nog enkele vragen op die mogelijk in het eindrapport zullen worden meegenomen:

  • Moet beleid top-down, bottom-up of beide tegelijk worden aangepakt? En op welk niveau (nationaal, regionaal)?
  • Zijn er wetswijzigingen nodig om OER te stimuleren?
  • Hoe worden overtredingen tegen copyright aangepakt? Wie neemt daarin het initiatief? De auteur wiens rechten geschonden zijn of de overheid?

Het eindrapport van deze studie wordt in de zomer verwacht.
Een interessante aan dit onderwerp gerelateerde publicatie kwam toevalligerwijs rond dit seminar uit: Open Educational Resources and Collaborative Content Development: A Practical Guide for State and School Leaders van TJ Bliss, DeLaina Tonks en Susan Patricks. De publicatie bevat o.a. tools als een stappenplan om een succesvolle samenwerking tussen partijen op te zetten, daarbij sterkten en zwakten te herkennen en links naar diverse bronnen met OER en informatie over OER.
Hier zijn de slides van onze presentatie.

OER: voordelen in de US, maar ook in Nederland?

De laatste post in de altijd interessante blog van David Wiley is getiteld
Adopting OER is Better for Everyone Involved. Hij geeft daarin aan welke voordelen hij heeft waargenomen, in veel gevallen ondersteund door “harde” metingen, bij onderwijsinstellingen in de Verenigde Staten wanneer ze commerciële leerboeken vervingen door met name open textbooks.
Onder meer de volgende waarnemingen worden gedeeld:

  • Beter voor studenten, omdat ze tenminste gelijke waar krijgen voor (veel) minder geld. Deze waarneming wordt ondersteund door diverse studies. Oorzaken zijn onder meer toegang tot alle leermaterialen vanaf de start van de cursus.
  • Beter voor de docenten, omdat bij adoptie van een open textbook de docent zich kan afvragen welke aanpassingen hij of zij wil maken (omdat dat ook toegestaan en mogelijk is), zodat het open textbook optimaal aansluit bij de gewenste didactiek en inhoud en de aanwezige doelgroep. Hierdoor wordt hij meer aangesproken op zijn docentprofessionaliteit. Uiteraard is de docent ook vrij een open textbook as-is te gebruiken, maar bij commerciële tekstboeken is dat de enige modus.
  • Beter voor de instelling, omdat uitval kleiner is en daarmee de outputfinanciering op peil blijft of verbetert.

Een aantal van deze voordelen zijn het gevolg van het feit dat commerciële leerboeken in de VS vaak schreeuwend duur zijn, waardoor studenten deze niet (kunnen) kopen en daardoor een grotere kans lopen het betreffende vak niet te halen. Dit is een van de redenen dat open textbooks in de VS een steeds hogere vlucht nemen (zie bijvoorbeeld hier en hier). De vraag is of deze situatie ook voor Nederland geldig is. Tot voor kort was ik geneigd te zeggen dat de Nederlandse situatie niet te vergelijken is met de VS en dat je daarom voorzichtig moet zijn om ontwikkelingen op het gebied van open en online onderwijs één-op-één naar de Nederlandse situatie te vertalen. Bij een bijeenkomst van het kernteam van de SIG Open Education gisteren kwam de vraag naar voren of, juist vanwege dit verschil tussen de VS en Nederland, open textbooks voor Nederland wel net zo’n hot topic zijn als in de VS. En daar werd opgemerkt dat, met de invoering van het leenstelsel in het vooruitzicht, economische motieven om op open textbooks over te gaan, wellicht zwaarder gaan wegen dan tot nu toe het geval is.
Mede omdat veel van de voordelen die David Wiley onderkent onafhankelijk zijn van financiële omstandigheden, is nader onderzoeken van wat open textbooks voor Nederland kunnen gaan betekenen de moeite waard. Onder meer kan daarin worden meegenomen of en zo ja, welke rol een commerciële uitgever kan hebben in deze ontwikkeling. Ook een productieproces zoals bij Siyavula gebruikt wordt, waarbij een community van docenten in een textbook sprint een open textbook creëert is het waard nader bekeken te worden.

Silicon Valley in de EU

Als start van 2015 attendeerde collega Eric Slaats me op een overzicht van 15 “edtech” start-ups in de EU. Naast voor mij bekende initiatieven als Iversity, Alison en Futurelearn bevat de lijst ook enkele mij nog onbekende initiatieven. De vermelde initiatieven zijn in diverse stadia van ontwikkeling. Een aantal ervan is alleen tegen betaling te gebruiken, een aantal kent een freemium model en een aantal is geheel vrij te gebruiken. Daar waar het gaat om delen van content zijn soms wel en soms niet de voorwaarden voor hergebruik duidelijk (lees: wordt soms wel en soms niet vermeld onder welke open licentie het leermateriaal te hergebruiken is).
Een paar initiatieven uit de lijst, waarbij delen van content het oogmerk is, heb ik nader bekeken. Hier mijn indrukken.
Eliademy: een Fins initiatief. Eliademy is een platform waar docenten en lerenden cursussen kunnen creëren, delen en volgen. Hun motto is “Democratizing education with technology“. Alle functies zijn vrij beschikbaar. Je kunt zelf bepalen of je een cursus vrij of tegen betaling aan wilt bieden. Bij het laatste gaat 30% van de opbrengst naar Eliademy. Dat lijkt hun verdienmodel te zijn.
Cursussen kunnen self-paced of cohortgewijs worden opgezet. Er is de mogelijkheid discussieforums aan cursussen te koppelen. De auteursomgeving is erg rijk met diverse opties als aanmaken van quizzes, hergebruiken van bestaande content of zelf creëren van eigen content.
Volgens hun Terms of Use blijft alle content die je upload jouw eigendom. Er worden geen rechten overgedragen aan Eliademy.
Sowiso: een spin-off van de Technische Universiteit Eindhoven. Beoogt digitale wiskundecursussen aan te bieden. Lijkt geen open modus te hebben.
Coursio: een Zweeds initiatief. Omschrijft zichzelf als “a simple publishing service for education oriented content and courses“. Voor zover ik kon nagaan zijn er alleen cursussen beschikbaar die tegen betaling te volgen zijn (behalve de cursussen die meer over Coursio vertellen). Onduidelijk is hoeveel publiceren van een cursus kost. Er is een API beschikbaar.
Gibbon: een initiatief uit Leiden. Op dit platform is het mogelijk zgn. playlists te maken en te volgen. Een playlist is een verzameling bronnen, in een logische volgorde geplaatst door een expert. Die playlists kunnen variëren van een lijst van video’s (veelal beschikbaar via Youtube of Vimeo) tot een combinatie van diverse bronnen, zoals teksten en afbeeldingen, al dan niet elders beschikbaar of in de omgeving gecreëerd. Daarnaast biedt het platform community faciliteiten via een discussieforum, gekoppeld aan de inhoud.
Het platform is ideaal voor een docent om cursussen te creëren of te hergebruiken, eventueel als halffabrikaat en daar opdrachten aan koppelen, omdat het platform voor zover ik kon zien dit laatste niet ondersteunt. De omgeving is vergelijkbaar met de Wikiwijs Maken omgeving.
Voor zover ik kon zien zijn alle services vrij beschikbaar. In de Terms of Service wordt duidelijk dat Gibbon alle gebruikers bijdragen die op het platform wordt geplaatst mag gebruiken voor allerlei doeleinden. Het verdienmodel achter de site is niet duidelijk.
Digischool: niet te verwarren met de Nederlandse Digischool (PO en VO), hoewel het deels wel vergelijkbaar is. Lijkt op wat Wikiwijs en KlasCement beogen (delen van leermaterialen door docenten), maar is qua uitvoering meer vergelijkbaar met KlasCement (team van redacteuren die content eerst beoordeelt). Staat op punt van starten. Verdienmodel en mate van openheid is onduidelijk.
Van de hier bekeken initiatieven vond ik Eliademy de beste indruk achterlaten: een rijke omgeving met ook al veel content beschikbaar. De andere hier vermelde intiatieven zijn wel de moeite waard om te volgen qua ontwikkeling.
 
 
 

OER, MOOC en ECO: een case in openheid

ECO (Elearning, Communication, Open-data) is een EU-project met onder meer de volgende doelen (met accentuering van mij):

  • ECO will focus on expanding the most successful experiences with MOOCs in Europe into a pan-European scale. This will be achieved through pilots and demonstrations of the best practices implemented in regional hubs of excellence all over Europe, and also through evaluations of outcomes, results and lessons learnt from them in an open and mobile learning context.
  • ECO will use leading-edge technology to create a combined MOOC platform – based on individual platforms and resources provided by project partners – making it possible to combine and transfer pilot activities in all the hubs involved.

Ik werd getriggerd door een statement op hun site (met accentuering van mij):

Open Educational Resources (OER) have the potential to broaden access to education and to improve the quality and cost-effectiveness of teaching and learning in Europe. The best way to put OERs into practice is through Massive Open Online Courses (MOOCs).

Ik vroeg me daarbij een paar zaken af:

  1. Waarom is dat “the best way”? Waaraan meet je dat af?
  2. Geldt dit statement zowel voor lerenden als docenten?

Ik wil het in deze blogpost hebben over de tweede vraag. Daarbij ga ik eerst in op de verschillen in doelgroep van OER en MOOC. Daaruit leid ik af wat het belang van een open licentie is. Vervolgens analyseer ik ECO op hun gebruik van open licenties. Tenslotte trek ik wat conclusies uit deze beperkte case study en formuleer ik een lesson learnt voor projecten die zich bezighouden met publiceren van OER.

Doelgroepen OER en MOOC

Voor mij is het grote verschil tussen een MOOC en OER verschillen in doelgroep, gekoppeld aan ervaren gemak.
De doelgroep van een MOOC is een lerende. Die ervaart een gemak doordat een expert op een vakgebied een juiste mix heeft gemaakt van content en die tot een samenhangend geheel heeft gebundeld. Een docent heeft bij hergebruik van een MOOC vaak echter weinig keuze: take it or leave it (als hergebruik al wordt toegestaan, wat in sommige gevallen niet zo is). Het gemak van aanpassing aan de eigen context is met name aanwezig wanneer de leermaterialen gepubliceerd zijn als OER (dus onder een open licentie).
De doelgroep van OER is vooral een docent. Deze staat voor de taak om voor een lerende een juiste combinatie van OER en ander (al dan niet gesloten) materiaal te maken om daarmee specifieke doelstellingen te kunnen behalen. Het ervaren gemak daarbij is de mogelijkheid die materialen te kunnen bewerken en aan te passen aan de eigen context. Voor een lerende zijn grotere samenhangende OER-materialen zoals open textbooks of OER die expliciet bepaalde topics adresseren, zoals video’s bij de Kahn Academy, bruikbaar. Het door docenten ervaren gemak van mogen aanpassen zal voor hem echter niet gelden; vrije toegankelijkheid is voldoende. De in het statement geaccentueerde deel zal m.i. daarom hoogstens gelden voor een lerende.

Belang van een open licentie

Uit de verschillen in doelgroep volgt dat aanwezigheid van een open licentie, waarmee duidelijk wordt welke rechten een gebruiker heeft wat betreft aanpassing van de OER, vooral nuttig is voor een docent. Eerder dit jaar publiceerde de OER Research Hub een OER Evidence Report 2013-2014. Deze publicatie geeft een uitstekend beeld van de stand van zaken rondom gebruik van OER, hun effecten en uitdagingen.
De volgende findings rondom licenties en hergebruik werden daarbij duidelijk:

  • 86,3% van docenten passen OER aan om hun eigen doelen mogelijk te maken
  • Vrij beschikbare materialen brengen docenten ook vaak op ideeën, zonder dat deze materialen daadwerkelijk worden hergebruikt. Dat duidt niet op direct op de noodzaak voor een open licentie, maar aanwezigheid van een open licentie stimuleert docenten wel meer tot hergebruik van de ideeën.
  • 12,4% van docenten publiceren hun materialen onder een open licentie (voornamelijk Creative Commons). 67,5% van de docenten vinden open licenties belangrijk. Deze twee resultaten lijken tegenstrijdig, maar worden verklaard door de finding dat 26,8% van de docenten aangepaste materialen niet open “durven” te publiceren door onduidelijkheid over toestemming om materiaal aan te passen of te wijzigen.

Soortgelijke findings waren er ook bij het in oktober verschenen rapport van de Babson Survey Research Group met de resultaten van een survey bij instellingen voor hoger onderwijs in de USA naar adoptie van OER. Ik heb daar eerder over geblogd.
Voordelen van OER zoals kwaliteitsverbetering van leermaterialen door een community van gebruikers, worden pas echt gerealiseerd als herpublicatie van aangepaste OER ook daadwerkelijk plaatsvindt. Deze activiteit is belangrijk in wat wel wordt aangeduid als het OER ecosysteem (zie bijvoorbeeld hier en hier). Duidelijkheid over de rechten die een hergebruiker heeft is dan een nodige voorwaarde. Dit alles geeft aanleiding tot het formuleren van de volgende best practice:

  • Gebruik bij een MOOC waar mogelijk OER om de mogelijkheid tot optimalisering aan de context waarin hergebruik van een MOOC plaatsvindt, maximaal te maken
  • Geef duidelijkheid over onder welke condities de OER mogen worden hergebruikt door vermelding van de gebruiksvoorwaarden en de open licentie die gebruikt wordt

Hoe doet ECO dit?
Hoewel ECO zich presenteert als een MOOC-project en de verbinding met OER niet direct wordt gelegd, suggereren ze door hun statement over MOOC als de beste wijze om OER in de praktijk te gebruiken wel dat die verbinding er zou moeten liggen. En omdat demonstratie van best practices ook als een doel van ECO genoemd wordt, zou de in de vorige paragraaf geformuleerde best practice terug te vinden moeten zijn.
In een van hun deliverables wordt het volgende aangegeven (p. 21; accentuering toegevoegd door mij):
“The copyright licenses proposed for the public deliverables which will be uploaded to the website and for the courses are Creatice Commons (CC) Licenses. (…) The copyright license to be used in MOOCs still has to be decided by the ten hubs participating in the project. They must be supported by the system.”
Dit geeft bij mij onduidelijkheid en wekte ook verbazing:

  • Onduidelijkheid: dit statement staat onder het kopje “Licenses to be used in ECO-deliverables”. Maar (zoals ik heb geaccentueerd) het lijkt ook voor cursussen te gelden. Verderop staat echter dat over de licentie voor MOOC’s nog geen besluit is genomen. Wat is nu het verschil tussen “course” en “MOOC” in dezen?
  • Verbazing: de betreffende deliverable is gepubliceerd als pdf-document, maar is copy-protected. Het is onmogelijk teksten uit die deliverable te kopiëren. Als aan deze deliverable een open licentie gekoppeld moet worden (en dat is hun intentie), dan zou kopieerbaarheid toch ook eenvoudig mogelijk gemaakt moeten worden (één van de gevolgen van de “Right to Retain”, als onderdeel van de 5R van David Wiley). Een kleine steekproef leerde me dat geen enkele van de door mij bekeken documenten gepubliceerd is onder een open licentie. Zo weet ik bijvoorbeeld ook niet of ik de afbeelding van het projectlogo bij deze blogpost wel mag gebruiken.

Om te achterhalen hoe ECO presteert op het publiceren van OER als onderdeel van hun MOOC en over de duidelijkheid hierover zoals geformuleerd in de best practice uit de vorige paragraaf, heb ik binnen iedere MOOC op hun portal steekproefsgewijs de leermaterialen bekeken. Bij één MOOC had ik geen toegang tot de leermaterialen; het daar gebruikte platform verlangde van mij opnieuw registratie om toegang te verkrijgen. Dat vond ik een brug te ver gaan.
Momenteel bevat ECO 15 MOOC’s in diverse talen (ongeveer de helft Spaans). Iedere betrokken instelling heeft een eigen platform waarop de MOOC’s draaien. Er is een portal van waaruit de MOOC’s van iedere instelling zijn te bereiken. Vaak zijn de leermaterialen een combinatie van video’s (beschikbaar in Youtube) en teksten (in pdf of Word). Sommige platformen gebruiken daarnaast of in plaats van tools als Prezi en Scribd voor de leermaterialen. Om een MOOC te kunnen volgen is een eenmalige registratie op het portal nodig.
Mijn bevindingen ten aanzien van de eerder geformuleerde best practice:

  • De portal bevat een Terms of service. De link loopt echter dood: er zijn geen Terms of service beschikbaar.
  • Bij een aantal video’s staat een Creative Commons licentie in de video aangegeven. Bij een aantal andere video’s staat in de Youtube-omgeving (maar niet in de leeromgeving) aangegeven dat de standaard Youtube licentie geldig is. Artikel 8 uit de Youtube Terms of Service geeft meer invulling aan deze licentie. Ik vind die zelf niet zo helder: het lijkt of alles wat onder CC-BY toegestaan is ook is toegestaan onder een standaard Youtube licentie. Bij alle andere door mij bekeken andere leermaterialen dan video’s staat nergens iets vermeld over de licentie.
  • Eén keer kwam ik in mijn steekproef copyright-protected materiaal tegen als onderdeel van de verplichte leerstof. Dit materiaal is wel vrij benaderbaar. (Off-topic: dit materiaal is afkomstig van een publiek orgaan (Ministerie van Jeugd, Sport en Training Raad van Malaga), dus betaald door de belastingbetaler, dus waarom niet onder een open licentie gepubliceerd?)

Conclusie

Om de statement over gebruiken van OER in een MOOC binnen ECO meer geloofwaardig te maken is nog wel wat werk nodig. Formuleren en publiceren van de gebruiksvoorwaarden, met aandacht voor de open licentie en het toevoegen van open licenties aan het leermateriaal zijn twee van de noodzakelijke activiteiten. Mijn kleine steekproef maakte ook duidelijk dat hier en daar copyright clearance nodig zal zijn wanneer gestreefd wordt naar 100% OER binnen de MOOC´s. Daarnaast zou het project ook de eigen intenties van publiceren van deliverables onder een open licentie waar moeten maken.
Publiceren van het leermateriaal als OER zal wellicht ook om een andere reden nuttig zijn. ECO is een project dat ergens in 2017 zal eindigen (mijn aanname, gebaseerd op het overzicht van deliverables). Blijft ECO dan als zelfstandig portal in de lucht (naast OpenUpEd) of zullen de MOOC’s via OpenUpEd bereikbaar worden (wat mij een veel betere keuze lijkt om versnippering over portals te voorkomen)? In dat laatste geval zullen ze moeten voldoen aan het kwaliteitslabel van OpenUpEd. Dit vermeldt onder het kopje Digital openness “Courses should be available online for free but in addition apply open licensing so that material and data can be reused, remixed, reworked and redistributed (e.g. using CC-BY-SA or similar)”.
Positief is dat de intenties goed geformuleerd zijn en dat er nog 2 jaar resten om ze ook geïmplementeerd te krijgen.
Deze casus leert andere projecten die zich bezighouden met publiceren van open leermateriaal het volgende:

Verschaf van meet af aan duidelijkheid aan de gebruiker betreffende voorwaarden en open licenties. Dat bespaart de tijd en kosten van achteraf moeten uitvoeren van herstelacties.

Open en online onderwijs: is er meer dan MOOC en OER?

Wanneer er over vormen van open en online onderwijs wordt gepraat, worden veelal MOOC en Open Educational Resources (OER) als voorbeelden genoemd. Bij de onlangs afgesloten reeks strategische workshops die SURF samen met de SIG Open Education organiseerde, kregen we regelmatig de vraag of er meer vormen van open en online onderwijs (hergebruiken danwel zelf aanbieden) zijn.
Fred Mulder en Ben Janssen hebben voor open onderwijs in het algemeen een model geformuleerd (het 5COE-model). In dat model onderkennen ze 5 componenten die ieder een bepaalde mate van openheid kunnen hebben (te bepalen door de instelling die het open onderwijs aanbiedt): aanbod (leermaterialen, services en onderwijsinspanning) en vraag (van de lerende en van de omgeving). Ze onderscheiden openheid in zowel een klassieke opvatting (openheid in tijd, plaats, programma, tempo en toegang) als een digitale opvatting (gratis toegang tot leermaterialen; toegang (maar niet noodzakelijkerwijs gratis) tot services en onderwijsinspanning voor anderen dan formeel geregistreerde lerenden; en leermaterialen beschikbaar onder een open licentie).
Open en online onderwijs wordt veelal beperkt tot de aanbodkant. Bij OER gaat het specifiek over leermaterialen, bij een MOOC gaat het naast leermaterialen ook over services (zoals certificering en examinering) en onderwijsinspanning (zoals een tutor die in een forum aanwezig is). Een speciale vorm van OER vormt de Open Courseware. Dit zijn alle leermaterialen van een cursus die open beschikbaar zijn. Merk trouwens op dat “open” in deze voorbeelden verschillende betekenissen hebben, waarbij de gemeenschappelijke noemer de gratis toegang tot de leermaterialen is.
Om andere voorbeelden van open en online onderwijs te vinden kan de volgende structuur, afgeleid uit het 5COE-model, een handvat bieden om een voorbeeld te karakteriseren:

  • Gaat het om leermateriaal?
  • Welke services worden open aangeboden?
  • Welke onderwijsinspanningen worden open aangeboden?
  • Om welke vormen van openheid gaat het? (Klassiek, gratis, 5R)

Een aanpak om voorbeelden van open en online onderwijs te identificeren is om je te laten inspireren door voorbeelden van e-learning en je bij ieder voorbeeld af te vragen of en hoe dit open en online kan worden aangeboden. Bijvoorbeeld hier en hier zijn voorbeelden van e-learning te vinden. Daarnaast kan inspiratie worden gevonden op overzichten van projecten van open en online onderwijs, waaruit vormen van open en online onderwijs gedestilleerd kunnen worden. Kijk bijvoorbeeld op de site van Tony Bates of de JISC OER Toolkit.
Onderstaande tabel geeft een opsomming waarbij volledigheid niet is nagestreefd. Vormen van OER die bij veld 1.8 in NL-LOM (aggregatieniveau) als “aggregatieniveau 1” worden gekenmerkt (zoals afbeeldingen) zijn niet meegenomen.

Voorbeeld Leermateriaal Service Onderwijsinspanning Klassiek open
OER Gratis, 5R Alle vormen
MOOC (*) Gratis, soms 5R Gratis examinering, soms gratis certificering, gratis forum Gratis lecturing,gratis tutoring in forum Toegang, plaats, programma, soms tijd en tempo
Open textbook Gratis, 5R Alle vormen
Weblecture (**) Gratis, soms 5R Gratis lecturing Alle vormen
Verrijkte weblectures Gratis, soms 5R Soms gratis leerlijn Gratis lecturing Alle vormen
Webinar (***) Gratis Soms chat Gratis lecturing Toegang, plaats
Podcast Gratis, soms 5R Gratis lecturing Alle vormen
Khan Academy Gratis, 5R Gratis leerlijnen, gratis certificering (badges) Gratis lecturing Alle vormen
Online toets/examen Gratis, soms 5R Gratis examinering Alle vormen

(*) Alle mogelijke verschijningsvormen van een MOOC (zie een eerdere blogpost van mij) onderscheid ik hier niet apart.
(**) Voorbeelden van weblectures zijn voor mij ook TedX lezingen, de colleges op de Universiteit van Nederland en de opnames van Robbert Dijkgraaf bij de DWDD-University.
(***) Wanneer opnames van een webinar achteraf beschikbaar worden gemaakt beschouw ik die opnames als een weblecture.
De tabel leert dat alle voorbeelden in ieder geval gratis beschikbare leermaterialen bevatten om onder open en online onderwijs geschaard te worden. Daar waar het voorbeeld alleen leermateriaal betreft dat gratis en onder een open licentie is gepubliceerd zijn het strikt genomen vormen van OER. Ik heb de voorbeelden toch vermeld omdat OER als paraplubegrip een erg grote verscheidenheid aan leermaterialen omvat en daardoor weinig handvatten geeft wanneer je als instelling op zoek bent naar meer concrete voorbeelden.
De in de tabel genoemde voorbeelden kunnen deels worden beschouwd als “basisblokken” waarmee andere vormen kunnen worden samengesteld. Denk bijvoorbeeld aan het aanbod op de P2P-University, waarbij leerlijnen kunnen worden samengesteld uit afzonderlijk beschikbare OER en MOOC’s.
Meer gedetailleerde raamwerken als basis voor categorisering zijn ook mogelijk. Voorbeelden van additionele criteria zijn MIME-type, didactiek en aggregatieniveau (geeft een indicatie van de nog gewenste inspanning die een docent moet maken om het als volwaardig leermateriaal aan lerenden aan te bieden). Toevoegen van deze criteria kan een verfijning van de voorbeelden mogelijk maken (bijvoorbeeld het criterium didactiek maakt een onderscheid in MOOC’s naar xMOOC en cMOOC mogelijk).
Voor sommige instellingen is het open aanbieden van nu nog gesloten weblectures als start van activiteiten op dit gebied te beschouwen als laaghangend fruit. Het zou een mooie eerste stap kunnen zijn op dit gebied.
Ik sta open voor andere, door mij nog niet vermelde, voorbeelden van open en online onderwijs.

Waarom ik de Open Universiteit ga verlaten

Vorig jaar werd de Open Universiteit geconfronteerd met een reeks bezuinigingen, waardoor gedwongen ontslagen niet te vermijden waren. Deze ontslagen vielen onder andere bij wat toen nog LOOK heette, mijn thuisbasis bij de OUNL. LOOK was een expertisecentrum waarin onderzoek werd gedaan waar ik met mijn beta-onderzoeksachtergrond minder bij paste. Omdat ik echter voor bijna 100% van mijn tijd gedetacheerd was bij externe initiatieven (vnl. Wikiwijs en daarnaast EU-projecten) was dat niet zo’n probleem. Met het voorziene einde van Wikiwijs ultimo 2013 zou ik 2013 gebruiken om binnen de OUNL op zoek te gaan naar een andere plek. De bezuiniging doorkruiste dit echter. Einde 2013 werd ik daarom boventallig verklaard. Er kwam een afspraak dat er gezocht zou worden naar een andere plek binnen de OUNL.
In juni van dit jaar ben ik voor drie dagen per week benoemd tot lector OER bij Fontys Hogeschool ICT in Eindhoven (een geweldige baan trouwens). Dat reduceerde de in te vullen vacature voor mij tot 2 dagen per week. Die interne vacature leek er te zijn. Ik heb gesolliciteerd, maar vanmiddag kreeg ik te horen dat de keuze op een andere interne kandidaat gevallen is.
Dat betekent dat er voor mij een einde is gekomen aan 12 jaar OUNL. Ik ga me nu bezinnen op hoe ik die twee dagen per week ga invullen. Dat dat met activiteiten op het gebied van open en online onderwijs zal zijn staat buiten kijf: daar ligt mijn hart. Ik sta open voor voorstellen!