Is er invloed van "open" op leren?

Gisteren sprak ik op het SURF seminar Delen van open educational resources: hoe organiseer je dat?. Bij de afsluitende paneldiscussie werd de vraag gesteld wat een OER repository kon bijdragen aan realiseren van actieve(re) vormen van leren. Mijn antwoord was dat beschikbaarheid van digitale leermaterialen en ICT dergelijke realisaties konden ondersteunen of zelfs dat zonder deze beschikbaarheid sommige van deze vormen niet of heel lastig mogelijk zouden zijn, maar dat dit niet samenhing met het feit dat ze open beschikbaar waren. Hoogstens zou meer beschikbaarheid van open leermaterialen een grotere hoeveelheid bronnen geven waaruit een docent kan kiezen en zou de open licentie de docent de mogelijkheden bieden de leermaterialen te contextualiseren wat dan wellicht tot betere ondersteuning van de gewenste didactiek zou leiden.
Achteraf knaagde dit antwoord bij me en had ik het gevoel iets te hebben gemist daarbij. Toeval of niet, vanochtend kwam ik een blogpost tegen, gisteren geschreven, dat ook dit thema behandelt: How does the “Open” in OER improve student learning? van John Hilton III. Hij refereert in deze blogpost naar studies naar deze effecten die verzameld zijn in het Review Project. Samenvattend komt hij tot dezelfde gevolgtrekking als ik hierboven in mijn antwoord heb vermeld. In het Review project is ook een paper te vinden A multi-institutional study of the impact of open textbook adoption on the learning outcomes of postsecondary students. Hoewel OER hier verengd wordt tot open textbooks komen ze tot de conclusie dat, als er al effecten op resultaten te meten zijn, deze zijn terug te voeren op betere beschikbaarheid van open textbooks vergeleken met closed textbooks. Studenten kopen bijvoorbeeld pas na een paar weken een closed textbook als ze zeker ervan zijn dat ze de betreffende course ook blijven volgen. De achterstand die ze dan hebben opgelopen vertaalt zich in een lager resultaat dan wanneer ze van meet af aan de beschikking zouden hebben gehad over het materiaal.
John Hilton III besluit zijn blogpost met een aantal observaties die input voor verdere research kunnen zijn. Onder meer stipt hij aan:

  • de wijze van meten van effecten van OER (andere metrieken gebruiken?), 
  • verbinden van OER adoptie aan didactische revisies die leren door studenten verbeteren (indirecte invloed van OER op verbeterd leergedrag) en 
  • meer aandacht voor effecten van grootschalige adoptie van OER (niet in de context van één cursus, maar bijvoorbeeld in een heel curriculum). 

Op het seminar presenteerde ik over de lessen die geleerd zijn bij het Wikiwijs programma over duurzaam krijgen van OER-initiatieven. De sheets van deze presentatie zijn via Slideshare te bekijken.

Tenslotte een off topic P.S. Grainne Conole gaf een presentatie via video vanuit een kroeg in Engeland. Bij vlagen was dit, door technische onvolkomenheden, lastig te volgen. Hoe komt het toch dat we blijkbaar goed in staat zijn robots op Mars en een komeet te laten landen en informatie over te laten zenden, dat we zelfs in staat zijn effecten die kleiner zijn dan de afmetingen van een atoomkern te ontdekken, maar dat we met een videoverbinding via internet nog steeds geconfronteerd worden met haperende verbindingen? Deze vraag is retorisch bedoeld ;-).

Is er een toekomst voor OER repositories?

Vrijdag j.l. kwam tijdens een discussie tussen Janina van Hees (SURFNet), Martijn Ouwehand (TU Delft) en ondergetekende het nut van OER repositories ter sprake. Het ging daarbij over open platformen voor het delen van open leermateriaal die niet aan een instelling zijn gebonden. Wikiwijs is een voorbeeld van een dergelijk open platform (delen en gebruiken van de leermaterialen kan door iedereen die dat wil), maar de Open Courseware repository van de TU Delft niet (delen van leermateriaal is alleen voorbehouden aan de TU Delft; gebruik is voor iedereen). In de afgelopen periode is dit onderwerp meerdere keren voorbij gekomen bij mij:

  • Een onderzoek naar requirements voor een platform om leermaterialen te delen dat ik medio vorig jaar in opdracht van SURFNet heb uitgevoerd
  • De ambitie van Bussemaker, vermeld in de strategische agenda HO2025 “De waarde(n) van weten“, dat in 2025 alle docenten in het hoger onderwijs hun leermaterialen delen. “Daarbij verken ik of en hoe een (inter)nationaal platform waarop onderwijsmateriaal gedeeld, bewerkt en gebruikt kan worden, bijdraagt aan het realiseren van deze ambitie.”(p. 34 uit die agenda)
  • De onlangs gestarte pilot “Delen van open leermaterialen via Sharekit” van SURFNet

Tijdens de discussie vrijdag, en ook bij het onderzoek van vorig jaar, kwam met name de vraag naar boven “worden die repositories eigenlijk wel gebruikt? Welk nut hebben ze eigenlijk in het ecosysteem van publiceren en delen van open leermaterialen?”

Cijfers over gebruik

Naar aanleiding van de discussie ben ik in de data gedoken van de onderzoeken naar OER van de OER Research Hub. Ik heb daar eerder al eens over geblogd. Eén van de vragen die in hun onderzoek wordt gesteld is “Which of the following repositories have you used?“. Op een totaal van 7279 respondenten die deze vraag hebben beantwoord (waarvan 4034 uit de US of UK kwamen) gaf dit het volgende resultaat.

Hier (en ook bij de andere figuren) zijn de percentages genomen van het aantal responses in de betreffende categorie (bv. bij Youtube staat dat iets minder dan 40% van de 4034 respondenten uit US/UK (de lichtgroene staaf) deze bron gebruikt als vindplaats).
Uitgesplitst naar de rol van de respondent (educator, formal learner, informal learner) geeft dit het volgende beeld:

Uitgesplitst naar aantal jaren ervaring (alleen educators) geeft dit:

Deze resultaten geven aan dat specifieke OER repositories (Jorum, Curriki, Connexions, CK12, Merlot, Openlearn) qua gebruik ver achterblijven bij generieke bronnen als Youtube, Tedtalks en iTunes. Het onderzoek geeft geen redenen waardoor dat komt. Mijn analyse, onder meer gebaseerd op onderzoeken naar hindernissen voor adoptie van OER (zoals het zojuist gepubliceerde onderzoek bij BCCampus in Canada), suggereert de volgende oorzaken:

  • Onbekendheid met deze bronnen bij de respondenten
  • Ontevredenheid over deze bronnen bij de respondenten (zoals onvoldoende kwaliteit van de voor hen relevante leermaterialen)
  • Problemen bij het bepalen van de kwaliteit van de gevonden leermaterialen
  • Wellicht teveel bronnen, waardoor bezoek per bron verwatert. Ik heb hier alleen al bijna 140 bronnen verzameld. 
  • Onvoldoende besef van aanwezigheid en nut van OER bij docenten en lerenden (en de idee dat alles op het web gebruikt mag worden onder alle omstandigheden)
Een eind vorig jaar vanuit mijn lectoraat door Ben Janssen en mij uitgevoerd onderzoek naar de stand van zaken rondom OER en MOOC in het hoger onderwijs gaf over dit item een resultaat in lijn met die van de OER Research Hub. Een sneak preview (het verslag met de resultaten van ons totale onderzoek verschijnt binnenkort):

Wanneer worden repositories wel gebruikt?

Is het opzetten van een dergelijke open (d.i. niet instituutsgebonden) repository, met deze resultaten over gebruik, dan wel een handige actie? De volgende argumenten indiceren van wel:
  • Voor kleinere instellingen is opzetten en beheren van een eigen repository met OER minder haalbaar. Gebruik van een centrale faciliteit zou voor hen een uitkomst kunnen bieden;
  • Met name voor het hbo is open Nederlandstalig leermateriaal belangrijk;
  • Voor docenten die starten met OER in hun lespraktijk zou een one stop shop voor OER een goed startpunt vormen. Zo geven de bovenstaande grafieken weer dat Khan Academy en Saylor.org open platformen zijn die goed gebruikt worden, met name door docenten met weinig ervaring.

Het succes van dergelijke open repositories is ook afhankelijk van aangeboden functionaliteiten die het méér maken dan alleen een vindplaats van leermateriaal. De Khan Academy en Saylor.org bieden ook mogelijkheden als configureren van leerpaden, class management en forums. Bij Saylor.org zou de vorm van de OER (open textbooks voor complete curricula) ook wel eens een succesfactor kunnen zijn. In Nederland lijkt Wikiwijs steeds meer gebruikt te gaan worden in het PO en VO, getuige dit fragment uit een bericht van november 2015 (volledig bericht):

Navraag bij Kennisnet leerde me dat de tool Wikiwijs Maken (een laagdrempelige tool om leermateriaal te configureren uit andere materialen, al dan niet samen met andere ontwikkelaars) als een belangrijke meerwaarde wordt beschouwd door docenten die Wikiwijs gebruiken. Daarmee (en ook met andere functies binnen Wikiwijs) wordt een invulling gegeven aan een belangrijke rol van dergelijke repositories in het OER ecosysteem: fungeren als focuspunt van een community van brengers en halers, die gezamenlijk zorgen voor het in stand houden van de kwaliteit van de gedeelde leermaterialen. Wellicht zouden mede daarom meer vakgerichte repositories van OER beter gebruikt worden. Ik ben in dat kader wel benieuwd naar gebruik van repositories als Computer Science Open Educational Resources (OER), Economics Network Online Learning and Teaching Materials, of MathWorld.

Conclusie

Dit alles afwegend concludeer ik: ja een open platform voor delen van leermaterialen voor het hoger onderwijs in Nederland heeft toekomst, mits de randvoorwaarden voor succes (voldoende additionele functionaliteit, kwaliteitszorg en community ondersteuning) voldoende ingevuld zijn.

MOOCs in 2015

In 2013 schreef ik al over Class-Central, een portal waar oorspronkelijk een tamelijk compleet overzicht van MOOC-aanbod van diverse platformen te vinden was (op die compleetheid kom ik later terug). Inmiddels biedt de site veel meer dan alleen een overzicht van aangeboden MOOCs. Eén van de opties is toegang tot diverse publicaties over MOOC’s, hun aanbieders of reviews van aangeboden cursussen. In december 2015 publiceerden ze onder de titel MOOC roundup 2015 een aantal rapporten over de ontwikkeling die MOOC’s hebben doorgemaakt in 2015. De rapporten zijn gebaseerd op data die de portal over de bij hen vindbare MOOC’s heeft verzameld. Soms waren de rapporten elders al gepubliceerd.

Enkele statistieken

Het aantal aangeboden MOOC’s groeide in 2015 met 1800 tot 4200 aangeboden cursussen (cumulatief vanaf de start van de portal in 2012; veel van de cursussen bestaan inmiddels niet meer). Totaal 550 universiteiten hebben bijgedragen aan dat aanbod. 2200 cursussen werden in 2015 voor de eerste keer aangeboden. Op basis van ruim 7000 reviews op het portal was de cursus A Life of Happiness and Fulfillment (afkomstig van de Indian School of Business, via Coursera) de best gewaardeerde.
De figuur hieronder toont hoe de 4200 cursussen verdeeld zijn over verschillende vakgebieden. 38,7% van het aanbod bestaat uit betavakken.

Van de 37 providers waarvan het aanbod vindbaar is, is 53,7% afkomstig van Coursera en EdX samen (in een verhouding van ongeveer 2:1), met Canvas.net als 3e met 6,9% van het aanbod.

Trends

Class-central signaleerde een aantal trends:
2015 lijkt het einde van de vrij beschikbare certificaten te hebben ingeluid, in ieder geval bij Coursera, EdX en Udacity. Een snelle check leerde me dat Canvas.net het aan de aanbieder van een cursus overlaat of het al dan niet een certificaat aanbiedt, al dan niet tegen betaling. Coursera is zelfs zover gegaan dat een beoordeling van opdrachten niet meer beschikbaar is in de gratis versie van een cursus. In een reactie op een tweet hierover medio december vroeg ik me al af wat in zo’n geval een MOOC nog onderscheidt van Open Courseware; iets wat ik me nog steeds afvraag. Vaak is een MOOC dan zelfs minder dan Open Courseware, wanneer de leermaterialen bij een MOOC niet onder een open licentie beschikbaar zijn voor hergebruik en aanpassing.

De door Udacity en Coursera gecreëerde credentials (resp. nanodegrees van Udacity en specializations van Coursera) vormen een steeds grotere bron van inkomsten. Hoewel de marktwaarde van dergelijke credentials nog steeds niet duidelijk is, lijkt dat voor cursisten geen beletsel te vormen om ze te verkrijgen.
Een andere trend is dat meer en meer cursussen (tot ultimo 2015 20% van het aanbod) self-paced beschikbaar is. Dit vergroot uiteraard de flexibiliteit in gebruik ervan. Tenslotte signaleert Class-central dat MOOC’s zich meer en meer ook richten op het voortgezet onderwijs, met name als voorbereiding op hoger onderwijs (proeven aan onderwerp en moeilijkheidsgraad of op niveau krijgen van vereiste kennis).

Hoe compleet is het aanbod op Class-central?

Zoals ik eerder meldde leverde Class-central in 2013 een tamelijk compleet overzicht van MOOC-aanbod. Om te zien of dat nog steeds geldt bekeek ik hun overzicht van 37 providers. Een opvallende afwezige daarin is OpenUpEd. Navraag bij Darco Jansen van EADTU leerde me dat hij dit al had aangekaart bij hen. Een van de redenen van niet aanwezig zijn in de lijst was de opvatting die Class-central heeft over wat een MOOC mag worden genoemd:
Class Central is always looking to list quality MOOCs. (…) We focus on what people expect from ‘MOOCs’, that is courses affiliated with prestigious universities and institutions taught by expert faculty“.
Is die laatste karakterisering hun toetssteen voor “quality MOOCs“? En is aanwezigheid op een MOOC-platform dan voldoende? Canvas.net bijvoorbeeld is een open platform waar iedere instelling en zelfs individu een open cursus kan plaatsen, met een minimale check op kwaliteit van het aanbod. Toch is dat aanbod wel zichtbaar op Class-central. Daarnaast zou ik als gebruiker ook een complete cursus, inclusief vrij beschikbare services als feedback op opgaven en examen verwachten. En of die toets uitgevoerd wordt op het aanbod is mij niet duidelijk.
Ze geven ook aan dat het vraagstuk van ontdekken van goed aanbod voor hen nog niet volledig opgelost is. Dat wordt wat mij betreft onderschreven door een vergelijking van hun providers met een overzicht dat bij moocs.co te vinden is. Niet-Westerse aanbieders als Chinesemooc.org, Ewant (beide uit China), OpenEdu (Rusland) en Veduca (Brazilië), aanwezig bij moocs.co, ontbreken bij Class-central, terwijl platforms als Rwaq, Edraak (beide Midden-Oosten) en NPTel (India) wel bij Class-central voorkomen.
Class-central geeft dus niet meer een volledig overzicht van MOOC-aanbod. Desondanks, ook door de vele extra functies die ze aanbieden, blijft het voor mij wel de beste.

Trendrapport open en online onderwijs 2012 t/m 2015

Op 10 november is tijdens de Onderwijsdagen in Rotterdam het vierde trendrapport open en online onderwijs gepresenteerd. Uit het persbericht van SURF hierover haal ik de volgende zinsnede over de inhoud:

In het trendrapport gaan diverse experts in op recente ontwikkelingen en de uitdagingen van open en online onderwijs voor het Nederlands hoger onderwijs. In artikelen en korte intermezzo’s komen bijvoorbeeld de kansen van open education voor het campusonderwijs aan de orde. Verder is er aandacht voor de mogelijke nieuwe doelgroepen voor open en online onderwijs, hun behoeften en de invulling hiervan door onderwijsorganisaties. Andere onderwerpen die aan bod komen zijn de mogelijkheden aan een online onderwijsaanbod ook een valide online toetsing te verbinden en de behoefte aan een landelijke infrastructuur om deze vormen van onderwijs te ondersteunen. Tot slot is er aandacht voor docentprofessionalisering, voor de uitdagingen op het gebied van learning analytics, voor de rol die bibliotheken kunnen spelen bij de ontwikkeling en inzet van open leermateriaal en voor de verbindingen van open education met bijvoorbeeld open access.

>> Downloaden Trendrapport 2015
In deze blogpost wil ik terugkijken op de vier verschenen trendrapporten en bekijken welke trends er in die vier uitgaven te bespeuren zijn. Ik heb hiertoe van de inhoud van ieder trendrapport een wordle gemaakt op wordle.net. Daarbij heb ik de volgende instellingen gebruikt:

  • Language: remove numbers; all words lowercase; remove common Dutch words
  • Lay out: rounded edges; horizontal; maximum 150 words
  • Font: Kenyan Coffee
  • Color: milk paints

Dit gaf de volgende vier resultaten voor de jaren 2012 t/m 2015. Klik op een figuur voor een grotere versie ervan.

2012 2013
2014 2015

Observaties

Hoewel het algoritme achter Wordle.net niet open beschikbaar is (zie hier voor een uitleg waarom), is de interpretatie van een wordle rechttoe-rechtaan:

  • De (maximaal) 150 woorden die het meeste voorkomen in de tekst worden in de wordle opgenomen
  • Hoe vaker een woord voorkomt in de tekst, hoe meer nadruk (in grootte) het woord krijgt. Ik zal de grootte van het woord in een tekst ten opzichte van de andere woorden verder aanduiden als het relatief belang van dat woord

Op basis van deze interpretatie hier enkele observaties over een aantal kernwoorden voor open en online onderwijs. Bedenk daarbij dat de inhoud van de trendrapporten van 2012, 2013 en 2014 geschreven werd in het najaar van resp. 2011, 2012 en 2013. De inhoud van het huidige trendrapport 2015 is geschreven gedurende de maanden juni-september 2015.

  • Onderwijs krijgt een steeds groter relatief belang gedurende de jaren. Hetzelfde geldt voor leren/learning, maar daar is de groei en het relatief belang minder dan bij onderwijs.
  • Online krijgt een steeds groter relatief belang
  • OER heeft in 2012 het grootste relatief belang. In 2014 is het afwezig; in 2015 keert het weer terug. De afwezigheid in 2014 kan worden verklaard door de switch die de SIG dat jaar gemaakt heeft (van SIG OER naar SIG Open Education), evenals de grote belangstelling voor open en online onderwijs (m.n. MOOC’s) in het jaar dat de artikelen in het rapport werden geschreven (2013). Dit wordt ook geïllustreerd door de bestuursreis die SURF toen heeft georganiseerd rondom het thema open en online onderwijs.
  • MOOC(‘s) is afwezig in 2012, heeft het grootste relatief belang in 2014 en heeft in 2015 een ongeveer evengroot relatief belang als OER. Dit illustreert het groeiend besef dat open en online onderwijs meer is dan aanbieden van een MOOC.
  • Bijna parallel aan de groei van het relatieve belang van MOOC(‘s) is ook de groei van analytics. Het komt niet voor in 2012 en krijgt in de volgende versies steeds meer relatief belang.
  • Docent(en) hebben een wisselend relatief belang dat ook minder is dan student(en). Wellicht een aandachtspunt: voor adoptie van open onderwijs is de docent de belangrijkste stakeholder. Hoe komen de inzichten uit deze trendrapporten bij de docenten?
  • Opvallend is dat qua woordgebruik voornamelijk universiteit(en) of instelling(en) voorkomt. Hogeschool is alleen zichtbaar in 2015, met minder relatief belang dan universiteit(en). Ook dit is een aandachtspunt: de eigenheid van een hbo-instelling vertalen naar kansen en toepassingen voor open en online onderwijs. In eerdere blogposts heb ik daar al eens over gefilosofeerd (hier, hier en hier).

Disclaimer

Bij de bovenstaande observaties kunnen de volgende kanttekeningen worden gemaakt:
  • De tekst die is geanalyseerd omvat ook alle referenties die bij de artikelen voorkomen. Alleen de colofon is steeds buiten beschouwing gelaten. Dat verklaart wellicht het voorkomen van enkele (achter)namen in de verschillende wordles.
  • Bij de observaties is geen rekening gehouden met aanwezigheid van synoniemen. Zo wordt OER ook vaak genoemd als “open leermateriaal”, maar die laatste is niet meegenomen in de beschouwingen. Een handmatige telling in het trendrapport 2014 leerde dat OER 20 keer voorkwam, maar open leermateriaal 32 keer. Ter vergelijking: MOOC(‘s) kwam ruim 300 keer voor in die versie.
  • Voor woorden die zowel in enkelvoud als meervoud voorkomen zouden de relatieve belangen moeten worden opgeteld om een beter beeld te krijgen. Dat is niet gebeurd bij de bovenstaande observaties
  • Om vergelijkingen van groei in relatief belang over de jaren heen te kunnen maken moeten de figuren dezelfde afmetingen hebben. Aan die voorwaarde is voldaan: iedere afbeelding is in full size 812×526 pixels.
  • Voor mij onverklaarbaar is de aanwezigheid van jaartallen in de wordles, hoewel de instelling was “remove numbers”.

Conclusies

Om meer en gedetailleerdere uitspraken te kunnen doen over ontwikkelingen door het tellen van voorkomen van begrippen zou een geavanceerdere methode moeten worden gebruikt dan nu is gebeurd. Het zou bijvoorbeeld ook interessant zijn om te kijken welke woorden “hot” waren in 2012 en nu niet meer voorkomen en andersom. Een snelle analyse van de wordles leert bijvoorbeeld dat ocw (open courseware) voorkomt in 2012, maar daarna niet meer. Andersom is proctoring een term die voor het eerst in 2015 voorkomt.
Wat een dergelijke analyse niet leert is of de samenstellers van de trendrapporten belangrijke ontwikkelingen hebben gemist. Omdat steeds de focus van het hoger onderwijs in Nederland is gekozen zijn bijvoorbeeld ontwikkelingen op het gebied van open textbooks niet zichtbaar. Ook lijkt een onderwerp als hergebruik weinig aandacht te krijgen (is alleen in 2015 zichtbaar), terwijl dit met name in het hbo “onder de radar” veel voorkomt.
De resultaten van dergelijke analyses kunnen in ieder geval, met de eerder genoemde aandachtspunten, voor SURF en de SIG Open Education voldoende input voor een volgende versie opleveren.

 
 

Data Reports OER Research Hub

In the previous weeks, the OER Research Hub published results of their latest surveys on OER. In total 7500 responses were received. The results were presented for the categories Informal learner, Formal learner and Educator. Instead of creating large reports with results, they made short summaries of each category and published infographics. The full dataset is available for further analysis (in CSV-format or Excel-format).
In this blogpost I focus on formal learners (and educators. Using the infographics, I have compared some results and using the dataset, I created some cross-links between different data in the dataset.
The following table gives a break-down of responses on being US-resident or not and having English as first language or not for both educators and formal learners. Blank responses on either item are not counted.

Formal learners Educators
US Non-US Total US Non-US Total
English 595 675 1270 398 551 949
Non-English 169 660 829 39 491 530
Total 764 1335 2099 437 1042 1479

Because of the stimulation programs in the US to adopt open textbooks, I was interested in comparing the use of open textbooks by both educators and learners in the US and outside of the US, and if having English as the first language influences this (assuming most open textbooks are in English). Related to the break-down the following percentages of use are extracted:

Use of open textbooks
Formal learners Educators
US Non-US US Non-US
English 76% 54% 48% 38%
Non-English 86% 77% 51% 50%

It seems open textbooks are more used by formal learners than by educators, more in the US than outside and more by non-English speaking users.
On the impact of using OER, a comparison between the infographics reveals that both learners and educators agree on the top-2 (educators counting (strongly) agree):

On challenges for educators when using OER, I was interested in the effect of teaching experience and subject area. The following table shows the percentage of educators per subject area that consider Finding suitable resources in my subject area a challenge. The column Total displays the total number of educators having indicated they use OER for that subject area (more than one subject area is possible per educator)

Total #Challenge % Challenge
Math 233 96 41,2%
Science 434 162 37,3%
Languages & Linguistics 200 71 35,5%
Social Science 201 71 35,3%
Literature 155 52 33,5%
Computing & information science 175 57 32,6%
Health & Social Care 102 33 32,4%
Psychology & Philosophy 194 60 30,9%
History & Geography 172 51 29,7%
Medicine 88 26 29,5%
Education Studies 201 59 29,4%
Applied science & engineering 148 41 27,7%
Physical Education 57 15 26,3%
Special Education 46 12 26,1%
Arts 153 39 25,5%
Economics, Business & Management 134 34 25,4%
Religious studies 74 13 17,6%
Total       2767 892

This result surprises me a bit. Considering Math and Science as two areas with a lot of OER available, I would have expected finding suitable resources less a challenge. Maybe the wealth of resources, poorly described by metadata, is an explanation. Overall, support for finding suitable resources is very useful because for most subject areas more than 25% have difficulties with this.
The last two analyses I have performed is to find out about the influence of teacher experience. The following figure displays experience vs the way OER is used by the educator.

It seems the more experience an educator has, the more activities with OER are undertaken. Furthermore, community-based activities like adding comments to a repository are less common than creating and publishing resources.
Finally, the next two figures displays challenges in using OER, related to teaching experience of an educator. The first one considers the challenges related to doubt and difficulties with OER.

It seems that educators having >10 years of experience encounter more challenges in finding the right resources and judging the quality of them than educators with less teaching experience. The previous figure indicates that the latter category uses OER less, and therefore did not encounter these challenges.
The next figure displays the challenges in using OER, posed by the environment of the educator.

Again, educators with the most teaching experience encounter the most challenges, with not having enough time to look for suitable resources as the largest challenge. This can be overcome to both provide this time by the institution and to improve support on findability of the right OER.
 

Open Education Information Center

Tijdens de afgelopen zomervakantie is de eerste versie van het Open Education Information Center (OEIC) van het Open Education Consortium gepubliceerd. Het doel van het OEIC is antwoord te verschaffen op allerlei vragen die bij het bezig zijn met Open Education naar boven kunnen komen. Het vervangt de Toolkit die eerder vanaf die website toegankelijk was, maar die sterk verouderd was.
Bij de opzet van het OEIC is ervoor gekozen om vijf ingangen te kiezen:

  • Staf (docenten, ondersteuners) (Faculty)
  • Studenten
  • Administrator
  • Onderzoekers
  • Beleidsmakers

Bij iedere categorie zijn vragen verzameld vanuit de praktijk. Deze vragen zijn binnen de categorie ingedeeld in clusters. Een voorbeeld van zo’n cluster is Using OERs in my classroom in de categorie Faculty. Het antwoord bij iedere vraag bestaat uit een korte tekst en verwijzingen naar bronnen (meestal websites) met een uitgebreidere toelichting.
Deze vraagbaak zal voortdurend worden aangevuld met nieuwe vragen. Iedere gebruiker kan eigen vragen indienen via een Submit Info button op de startpagina van het OEIC. Dat gaat nu nog via e-mail, maar het is de bedoeling hier een webformulier achter te plaatsen.
Behalve vragen indienen kunnen ook opmerkingen over antwoorden en suggesties voor bronnen bij bestaande vragen worden voorgesteld. Bij iedere vraag is ook een item gemaakt in een Community Forum. Gebruikers kunnen hun opmerkingen bij een vraag ook daar achterlaten. Zoals bij veel van dergelijke communities is er nog weinig activiteit daar. Een grotere bekendheid van het OEIC, resulterend in meer traffic, is voorwaardelijk voor meer community activiteit.
Vorig jaar hebben Bert Frissen (Avans, maar inmiddels pensionado), Pierre Gorissen (HAN) en ondergetekende een opzet beschreven voor functies die een dergelijke informatiesite beter toegankelijk zouden maken voor iedere belangstellende, met name voor docenten die bij adoptie van OER problemen ondervinden. Het OEIC beschouw ik als een eerste aanzet van implementatie van dat idee. Wat mij betreft zou een eerste uitbreiding bestaan uit het categoriseren van de bronnen waarnaar verwezen wordt in vereist kennisniveau van het betreffende onderwerp om de bron nuttig te laten zijn (bijvoorbeeld geen of weinig kennis vereist – gemiddelde kennis vereist – veel kennis vereist). Tevens zou de ingang naar te onderscheiden aspecten die nu deels in de clusters is terug te vinden wellicht moeten worden verfijnd.
Het Open Education Consortium heeft mij gevraagd de verdere uitbouw van het OEIC aan te sturen. Ik heb volmondig ja hierop gezegd omdat ik een one-stop-shop waar iedereen met belangstelling voor Open Education terecht kan uiterst waardevol vind voor adoptie van Open Education.
Ik ben erg benieuwd naar ervaringen die gebruikers met deze site hebben. Schroom niet die te delen met het Open Education Consortium en, indien u tevreden bent, maak reclame voor deze site in uw netwerk. Gebruik en participatie in het forum is voor iedereen; je hoeft dus geen lid te zijn van het Open Education Consortium (hoewel ik lidmaatschap wel wil bepleiten, maar dat is een ander verhaal).
 

Platform voor delen van open leermateriaal: requirements

Een paar ontwikkelingen in de afgelopen periode wijzen erop dat er steeds meer aandacht komt voor het delen van leermaterialen tussen instellingen voor hoger onderwijs in Nederland. In de strategische agenda HO2025 is dit als een expliciete ambitie geformuleerd voor 2025 (zie een eerdere blogpost hierover). Bij de Open Space sessies die SURFnet in juni en juli heeft georganiseerd kwam meermalen de wens naar voren een platform te hebben waarop leermaterialen open gedeeld kunnen worden. Parallel hieraan kwam bij SURFnet vanuit Saxion Hogeschool de vraag of ze een platform hebben om hen te ondersteunen in hun ambitie leermaterialen te delen met een aantal andere hogescholen. Potentieel zou Sharekit en de HBO Kennisbank (na aanpassingen) hiervoor geschikt kunnen zijn. Om dit te kunnen nagaan heeft SURFnet mij gevraagd de eisen en wensen voor delen van leermateriaal te inventariseren en na te gaan welke aanpassingen er aan Sharekit en de HBO Kennisbank zouden moeten worden gerealiseerd. In deze blogpost een samenvatting van aanpak en resultaten van dit onderzoek.
>> Volledige onderzoeksrapport

Deelnemers onderzoek

Naast SURFnet en SURFmarket waren vertegenwoordigers van Saxion Hogeschool, Haagse Hogeschool, Hogeschool Utrecht, Universiteit Twente en Universiteit Utrecht betrokken.

Afbakening

Om activiteiten die een platform moet ondersteunen te kunnen beschrijven is gebruik gemaakt van een beschrijving van de OER Life Cycle van de Commonwealth of Learning.

In dit onderzoek is het uitgangspunt dat de focus primair op de activiteiten Publish and deliver en Review ligt. Deze activiteiten zullen door het platform moeten worden ondersteund.

Model

Voor het verzamelen van de eisen en wensen enerzijds en het evalueren van platforms anderzijds is op basis van diverse documenten (o.a. dit onderzoek) een model opgesteld. In dit model is een aantal categorieën beschreven voor eisen en wensen die aan een platform kunnen worden gesteld.

Nr. Categorie Item Omschrijving
1 Toegankelijkheid Bepalen van niveau van toegang Mogelijkheden: bepalen van welke partijen toegang hebben gebeurt

  • per leermateriaal;
  • per set leermaterialen van een instelling
  • per instelling alle leermaterialen.
Voorwaarden voor delen Zijn de voorwaarden voor delen steeds dezelfde? Heeft een koppeling met categorie 5 (auteursrechten)
Default toegangsniveau Moet er een default toegangsniveau worden bepaald?
Inloggen Welke inlogmethodes moeten mogelijk zijn?

  • Via instellingsaccount
  • Via LinkedIn account
  • Via Facebookaccount
  • Via Google+ account
  • Via een eigen accountsysteem van het platform
Anonieme toegang
  • Is anonieme toegang mogelijk?
Functies anonieme toegang Wat is toegestaan bij anonieme toegang

  • Uploaden van leermateriaal
  • Zoeken naar leermateriaal?
  • Evalueren van leermateriaal (zie categorie 7)?
  • Contact zoeken met profielgebruikers?
2 Koppeling met eigen ELO Welke ELO?
Kopie of linken Op welke wijze wordt het leermateriaal uit de ELO beschikbaar gesteld in het platform:

  • via een kopie van het leermateriaal
  • via een link naar het materiaal in de ELO
Toegang tot ELO Indien via linken naar de ELO: is er open toegang tot de ELO voor personen van andere instellingen?
Platformonafhankelijkheid Is het leermateriaal platformonafhankelijk?
3 Metadateren Waar metadateer functie? Gebeurt metadatering van het leermateriaal al op het instellingsplatform?
NL-LOM Zo ja, wordt dan NL-LOM gebruikt als standaard?
Additionele metadata Zo ja, worden er aan NL-LOM additionele metadata elementen gebruikt? Welke?
Additionele metadata op platform Welke additionele metadata elementen moeten er op het platform mogelijk worden gemaakt?
4 Kwantiteit Aantal leermaterialen Om hoeveel leermaterialen gaat het naar schatting?
Vakgebieden Om welke vakgebieden / opleidingen gaat het?
Niveau Om welk opleidingsniveau gaat het (Propedeuse, Bachelor, Master)?
Aggregatieniveau leermateriaal Om welk niveau leermateriaal gaat het (halfproduct/cursus/opleiding)
5 Auteursrechten Aanbod open licenties Welke open licenties moeten op het platform ondersteund worden?
Bepalen open licentie Is er overeenstemming over welke open licentie wordt gebruikt:

  • Binnen de instelling
  • Tussen de instellingen
6 Onderhoud en versiebeheer Nieuwe versie leermateriaal Hoe worden aanpassingen aan gedeeld leermateriaal aangebracht?

  • Nieuwe versie met overschrijven van de oude versie
  • Beide versies naast elkaar laten bestaan
Recht op publiceren nieuwe versie Wie mag een nieuwe versie publiceren?

  • Alleen de auteur
  • Andere gebruikers binnen het consortium (indien delen tussen een consortium van instellingen plaatsvindt)
  • Iedereen
7 Evaluatie Niveau gebruikersevaluatie Op welk niveau moet evaluatie plaatsvinden

  • Evaluatie per leermateriaal
  • Evaluatie per set van leermaterialen van een instelling
Wijze van evalueren
  • Sterrenbeoordeling
  • Commentaar geven (evt. in vorm van review)
Ranken commentaren Moeten commentaren van bezoekers door andere bezoekers kunnen worden beoordeeld (bv. via likes)?
Anonieme evaluatie Kan beoordelen of commentaar geven anoniem gebeuren? (Zie ook categorie 10 (profielen))
8 Zoekfuncties Filters Op welke filters moet kunnen worden gezocht?
Recommender Moet er een recommender functie zijn? Zo ja, welke?
9 Beschikbaar krijgen leermateriaal Wijze van beschikbaar krijgen van gevonden leermateriaal
  • Downloaden
  • Embedden
  • Via een SCORM-pakket
10 Gebruikersprofiel Mogelijkheid profiel Moet aanmaken van een gebruikersprofiel mogelijk zijn?
Gegevens profiel Welke gegevens moeten worden vastgelegd in een profiel?
Koppeling profiel Moeten koppelingen van profiel met sociale media mogelijk zijn (Facebook, LinkedIn, Google+,…)
Mogelijkheden bij profiel Welke additionele mogelijkheden krijgt een gebruiker met een profiel

  • Kunnen beoordelen van leermateriaal
  • Default zoekfilter kunnen instellen
  • Met andere profielgebruikers contact leggen
  • Kunnen aangeven of hij wel/niet benaderd mag worden door andere gebruikers
11 User interface Herkenbaarheid leermateriaal
  • Logo van instelling plaatsen bij leermateriaal?
Herkenbaarheid instelling
  • Profielpagina instelling?
  • Toegang tot platform via een eigen startpagina (met eigen URL en mogelijke filters op resultaten)?
Taal van de user interface
  • NL
  • EN
  • NL/EN, zelf in te stellen door gebruiker
12 Statistieken Welke statistieken beschikbaar
  • Aantal downloads per leermateriaal
  • Aantal views per leermateriaal
  • Idem, maar dan totalen per instelling

Belangrijkste requirements

Het voert te ver hier alle requirements te formuleren. Degene waaraan een platform minimaal moet voldoen zijn:

  • Zowel leermaterialen als verwijzingen naar leermaterialen (referatory) moeten kunnen worden toegevoegd en beschreven
  • Tot op niveau van leermateriaal kunnen bepalen wie er toegang toe heeft
  • Kunnen bepalen van een open licentie moet per leermateriaal mogelijk zijn (waarbij een instelling een default kan instellen). Alle Creative Commons licenties moeten daarbij gekozen kunnen worden
  • Inloggen op het platform via een instellingsaccount
  • Anonieme toegang mogelijk voor zoeken van leermaterialen
  • Een metadateerfunctie die NL-LOM geconfigureerd is moet aanwezig zijn
  • Zowel halfproducten als materiaal voor een complete cursus moeten kunnen worden gedeeld
  • Zoekfilters moeten aanwezig zijn op alle metadateervelden waarvoor vocabulaires (waardenlijsten) bestaan
  • Functies om anderen te kunnen attenderen op leermateriaal moeten aanwezig zijn
  • Leermateriaal moet zowel kunnen worden gedownload naar als worden embed in de eigen omgeving
  • Het moet duidelijk zijn van welke instelling voor hoger onderwijs leermateriaal afkomstig is
  • De taal van de user interface moet instelbaar zijn door de gebruiker (NE/EN)
  • Aantal downloads en aantal views per leermateriaal moet opvraagbaar zijn (tenminste voor een admin van de instelling waarvan het leermateriaal afkomstig is)

Essentieel is gebruiksgemak voor een gebruiker. Dit kan bijvoorbeeld gerealiseerd worden door waar mogelijk taken te automatiseren (bijvoorbeeld waarden van sommige metadatavelden). Daarnaast is flexibiliteit van het platform belangrijk om in te kunnen spelen op toekomstige requirements.

Geschiktheid Sharekit en de HBO Kennisbank

Analyse van de mogelijkheden van Sharekit en de HBO Kennisbank gaf aan dat er een aantal aanpassingen moeten worden gedaan aan het platform om het aan de eisen en wensen die een hoge prioriteit hebben te laten voldoen. Deze aanpassingen lijken weinig ingrijpend. Een vraagpunt daarbij is het al dan niet direct implementeren van community functies. Bij een open platform zou een meerwaarde moeten bestaan in een actieve community van gebruikers die de leermaterialen beoordelen, aanpassen en verder doorontwikkelen zodat een beter beeld van de kwaliteit ervan mogelijk wordt. Maar een dergelijke community vereist veel inspanning om op te zetten en actief te houden om te voorkomen dat het nauwelijks bezocht wordt en er daardoor geen meerwaarde ontstaat. Tevens wordt momenteel Sharekit en de HBO Kennisbank niet gebruikt door universiteiten. De vraag is daarom of acceptatie van dit platform door universiteiten gehinderd kan worden. De beide deelnemende universiteiten aan dit onderzoek gaven daar geen blijk van en er zijn inmiddels ook twee andere universiteiten die hebben aangegeven “iets” met Sharekit te willen doen.
Daarnaast is ook een zestal andere open platforms bekeken op voldoen aan de eisen en wensen. Een van die platformen is Wikiwijs. Met enkele aanpassingen zou dit een goed alternatief kunnen zijn voor Sharekit. Er zijn echter niet-technische (imago en organisatorische) redenen die de geschiktheid van Wikiwijs minder maken (zie volledige rapport). Die andere platformen geven ook ideeën voor additionele functies bij het platform zoals toekennen van badges voor community prestaties of publiceren van kwalitatief goed leermateriaal. Additionele functies die andere activiteiten in de OER Life Cycle ondersteunen zijn bij andere platformen ook te vinden, zoals de remix-omgeving bij Wikiwijs, een laagdrempelige omgeving voor het op eenvoudige wijze creëren van nieuw leermateriaal door combineren van bestaande leermaterialen. Deze functie is voor veel gebruikers van Wikiwijs belangrijk. Het is te overwegen dergelijke functies op termijn aan een platform voor delen van leermaterialen toe te voegen.

Tenslotte

Is creëren van een zoveelste repository met open leermaterialen wel de weg die ingegaan moet worden? In een eerder onderzoek heeft een deelnemer al eens aangegeven dat hij een vraag naar leermateriaal uitzet in zijn sociale media kanalen en van daaruit response krijgt. Docenten zullen altijd eigen wegen vinden om aan geschikt leermateriaal te komen. Naast een centraal platform zullen daarom andere initiatieven (veelal kleinschalig of individueel) altijd aanwezig blijven. Delen van leermateriaal is geen groene weide. Centrale en decentrale initiatieven kunnen daarom goed naast elkaar bestaan.
Een centrale repository met open leermaterialen kan ook uitgroeien tot een focuspunt voor verdere samenwerking tussen instellingen aan ontwikkelen van deze elementen van open onderwijs. En met de HO2025 agenda van het ministerie in het achterhoofd is meer samenwerking tussen instellingen noodzakelijk om de ambities waar te maken. Daarover wellicht meer in een latere blogpost.

Effecten van OER op kwaliteit van onderwijs

Zojuist presenteerde minister Bussemaker de strategische agenda HO2025. Science Guide presenteerde de belangrijkste punten daaruit (hier het OCW-origineel). Veel van de voorgestelde maatregelen beogen de kwaliteit van het onderwijs te verhogen. Op het gebied van open onderwijs werden twee ambities uitgesproken (nadruk door mij aangebracht):

  • Nederlandse hogeronderwijsinstellingen blijven internationaal koploper op het vlak van de mogelijkheden van Open en Online Onderwijs. Nederland onderstreept deze ambitie tijdens het Europees voorzitterschap in 2016. Instellingen experimenteren met de mogelijkheden, en passen de lessen toe over de volle breedte van hun onderwijsaanbod. De middelen die beschikbaar komen met het studievoorschot maken het mogelijk de huidige stimuleringsmaatregel voor Open Online Hoger Onderwijs uit te breiden.
  • Alle docenten stellen in het ho in 2025 hun onderwijsmaterialen vrij beschikbaar zodat zij gebruik kunnen maken van elkaars digitale leermaterialen. Verkend wordt of en hoe een (inter)nationaal platform waarop onderwijsmateriaal gedeeld en bewerkt kan worden hieraan bijdraagt. Daarnaast worden instellingen opgeroepen om elkaars MOOC’s te erkennen.

Ik ben heel blij met de ambitie die bij de tweede bullet vetgedrukt geformuleerd is. Dit sluit aan bij de in 2008 door OCW geformuleerde ambitie rondom mainstream maken van OER, de doelstelling van het toen uitgevoerde 5-jarenprogramma Wikiwijs. In de praktijk is mij echter de afgelopen jaren gebleken dat het niet voor iedereen direct duidelijk is hoe OER kunnen bijdragen aan verhoging van de kwaliteit van het onderwijs. In mijn lectorale rede heb ik argumenten geformuleerd die door instellingen wereldwijd gebruikt worden om met OER aan de slag te gaan. Vanuit die argumenten kan de koppeling met kwaliteit van onderwijs worden aangegeven.

Argument Omschrijving Effect op kwaliteit onderwijs
Moreel Leermateriaal met publiek geld betaald moet publiek beschikbaar komen;Toegang tot kennis is een universeel recht van iedere mens. OER helpt (financiële) drempels tot die toegang te verlagen Geen directe invloed. Hoogstens indirect doordat er dan meer OER beschikbaar komt en daarbij een van de andere argumenten sterker kan gelden
Financieel De gratis beschikbaarheid van OER haalt een financiële drempel voor toegang weg Beperkte invloed, bv. wanneer leermaterialen voor een deel van de studenten financieel niet haalbaar is. Dat speelt in Nederland bij mijn weten niet. Dit zou wellicht wel kunnen gaan spelen wanneer de basisbeurs wordt afgeschaft
Efficiency Hergebruiken van OER voorkomt uitvinden van wielen Grote invloed. De gedachte is dat OER dat wordt hergebruikt zich al heeft bewezen in andere situaties (dus de aanname is dat het kwalitatief aan de maat is). Door de open licentie kan het materiaal worden aangepast aan de eigen context en worden verbeterd (bv. door het te actualiseren, door extra opgaven toe te voegen etc.). Hierdoor ontstaat uiteindelijk een hogere kwaliteit leermaterialen
Interne communicatie Door open publiceren van leermateriaal wordt bij andere faculteiten duidelijker wat er gebruikt wordt Potentieel grote invloed. Doordat faculteiten op deze wijze transparanter worden kunnen onderwijsprogramma’s beter op elkaar worden afgestemd.
Rendement Aankomende studenten krijgen beter beeld van een studie Beperkte invloed. Doordat er op deze wijze een betere selectie aan de poort kan plaatsvinden zijn studenten geschikter voor de studie en kan daardoor een hoger peil worden bereikt.
Innovatie OER publiceren en hergebruiken betekent zowel jouw kennis aan de wereld geven als kennis van elders binnenhalen in je onderwijs Grote invloed. Je kunt geïnspireerd raken door een aanpak die je in een OER vindt; grotere beschikbaarheid van OER maakt meer en innovatieve onderwijsvormen mogelijk (er is geen schaarste aan geschikt leermateriaal) (Stel jezelf de vraag of de Khan academy ook zo’n invloed zou hebben gehad op de ontwikkeling van bv. de flipped classroom als de video’s niet open beschikbaar zouden zijn)
Marketing en profilering Door bestaande leermaterialen open te stellen bereikt de onderwijsinstelling niet alleen de relatief kleine groep ingeschreven studenten, maar ook getalenteerde potentiële studenten, ‘self learners’, wetenschappers en het bedrijfsleven in binnen- en buitenland. Indirecte invloed. Goede docenten worden hierdoor geïnteresseerd om te gaan doceren aan de aanbiedende instelling.
Research Publiceren van OER geeft de mogelijkheid te experimenteren met digitaal leermateriaal buiten het (geaccrediteerde) curriculum. Potentieel grote invloed wanneer dit leidt tot betere toepassingen van digitaal leermateriaal

Mogelijk kan dit overzicht instellingen helpen bij het onderbouwen van hun beleid op open onderwijs, meer specifiek hergebruiken en publiceren van OER, zodat de ambitie uit de strategische agenda beter haalbaar wordt.

Hbopener: naar een open hbo-curriculum

Gisteren was voor mij de “dag die je wist dat zou komen”: mijn lectorale rede waarmee ik officieel mijn benoeming tot lector Open Educational Resources bij Fontys Hogeschool ICT heb aanvaard. In meerdere opzichten is deze dag onvergetelijk voor mij geworden.
Het begon bij het eraan voorafgaande symposium. Dagvoorzitter was Ben Janssen van OpenEd Consultancy, sprekers waren emeritus hoogleraar van de UNESCO OER leerstoel Fred Mulder en Michiel van Genuchten, lid van het management team van VitalHealth Software. Met alledrie personen heb ik vele jaren samengewerkt en ik vond het mede daarom een genoegen hen op dit symposium op de bühne te hebben. Daarnaast presenteerde mijn kenniskring zich ook met eerste resultaten en ideeën van onze activiteiten: een onderzoek naar de mening van studenten naar de plannen die FHICT heeft met inzetten van een MOOC in het onderwijs resp. onderzoek dat we willen gaan doen over creatie van OER door studenten en de rol die docenten daarin zullen krijgen.
In mijn eigen rede heb ik een overzicht over het gebied van open onderwijs gegeven, heb ik betoogd waarom juist een hbo-curriculum in het algemeen en dat van FHICT in het bijzonder meer openheid zou moeten nastreven en ben ik ingegaan op de specifieke doelstellingen van mijn lectoraat en de activiteiten die ik wil gaan uitvoeren. Ik onderscheid daarbij 4 categorieën voor onderzoek:

  1. Docenten en OER zijn object van onderzoek. De activiteiten in deze categorie zullen zich primair richten op concrete vraagstukken die in de praktijk van de docent ontstaan bij gebruik en publiceren van OER en andere vormen van open onderwijs. Ervaringen ermee zullen leiden tot requirements voor hulpmiddelen die ontwikkeld kunnen worden. Onderzoek moet duidelijk maken in welke mate hindernissen ervaren worden, hoe de hulpmiddelen bijdragen aan het verkleinen van de hindernissen en (uiteindelijk) of dat inderdaad leidt tot grotere adoptie van OER. Onderzoek naar de rol van de student hierbij behoort ook tot deze categorie.
  2. Het onderwijsproces is object van onderzoek. Activiteiten in deze categorie richten zich met name op het verkrijgen van meer inzicht in hoe OER en andere vormen van open onderwijs kunnen bijdragen aan de verbetering van de kwaliteit van het onderwijs bij FHICT. Meer inzicht hierin kan een positieve invloed hebben op besef van de mogelijkheden van OER en daardoor uiteindelijk een opener curriculum. Onder meer zal daarbij ook aandacht worden gegeven aan effecten op onderwijs voor specifieke doelgroepen.
  3. FHICT / Fontys is object van onderzoek. Komen tot een grotere adoptie van OER en andere vormen van open onderwijs vereisen ook organisatorische maatregelen. Processen zoals zoeken naar en aanpassen van leermaterialen zullen veranderen wanneer die leermaterialen OER zijn. Vraagstukken betreffen het optimaliseren van dergelijke processen:
    • Welke doelstellingen van FHICT en Fontys kunnen mede behaald worden door inzet van vormen van open onderwijs?
    • Wat kunnen we leren van (open) innovatieprocessen in (externe) organisaties om benutten en openbaren van open onderwijs optimaal te krijgen?
  4. Relatie onderwijsinstelling – externe organisatie is object van onderzoek. Het onderzoek dat in deze categorie valt heeft als uitgangspunt dat de externe organisatie een visie heeft op open innovatie en naar middelen zoekt om die visie te realiseren. Vraagstukken hierbij betreffen hoe vormen van open onderwijs de externe organisatie kan helpen die visie te realiseren, in samenwerking met een onderwijsinstelling en wat dit voor gevolgen heeft voor de samenwerking tussen beide organisaties.

>>> Opname van de rede
>>> Publicatie van de lectorale rede
>>> Verslagen van het symposium en de lectorale rede door Wilfred Rubens
>>> Een Storify verslag van symposium en rede door Pierre Gorissen
En helaas. Ondanks vele malen checken en herchecken, ook door anderen, heb ik het eerste foutje in het boekje al ontdekt. Gelukkig niet ernstig en ik ben ook benieuwd of het iemand zal opvallen.
Tenslotte de inspiratie voor de opening van mijn rede. Ook gewoon, omdat ik het een mooi nummer vind.

Open jouw opvatting over openheid

Gisteren woonde ik het seminar over MOOC research bij, uitstekend georganiseerd door de VOR, divisies ICT en HO. Over de presentatie die ik daar heb gehouden heb ik gisteren al een blogpost geschreven (slides presentatie).
Tijdens dat symposium werd me weer eens duidelijk dat bij open onderwijs de termen zeer slecht gedefinieerd zijn. Bij de sprekers die de moeite namen te omschrijven wat ze onder het begrip MOOC verstaan kwamen drie opvattingen naar voren:

  1. Een MOOC is een digitale cursus, online aangeboden, met massive deelname, met gratis toegang en de leermaterialen gedeeld onder een open licentie.
  2. Een MOOC is een digitale cursus, online aangeboden, met massive deelname, met gratis toegang (maar leermaterialen niet per se beschikbaar onder een open licentie).
  3. Een MOOC is een digitale cursus, online aangeboden, met 25-700 deelnemers, geen gratis toegang, waarbij deelnemers soms vrije inschrijving hebben en soms in cohorten vanuit één organisatie deelnemen. De spreker noemde deze MOOC een Corporate MOOC.

De lezing waarbij de laatstgenoemde opvatting werd gebruikt was getiteld High completion corporate MOOCs. Gegeven de aandacht voor completion rates binnen MOOC´s is het mooi te vernemen wat ervoor kan zorgen dat deze omhoog gaan. Om de waarde van de findings uit deze presentatie te kunnen beoordelen op geschiktheid voor de eigen situatie is de beschrijving van de door de spreker gebruikte opvatting van een MOOC dan wel essentieel, met name omdat het sterk afwijkt van de beide andere gebruikte opvattingen.
Ook het verschil in opvatting over openheid in een MOOC (het verschil tussen opvatting 1 en opvatting 2) heeft gevolgen. Te verwachten valt dat onderzoek naar omstandigheden waarin herbruikbaarheid van MOOC´s vruchtbaar kan zijn bij opvatting 1 andere resultaten zal geven dan bij opvatting 2.
Eerder dit jaar is er via de sociale media al eens gediscussieerd over te gebruiken terminologie (zie hier en hier). SURF heeft onlangs een eerste versie van een begrippenkader online onderwijs uitgebracht, waarin ook open vormen van online onderwijs worden beschreven.
Dat laatste document is een goede aanzet om te komen tot standaardisatie van begrippen, maar ik denk ook dat veel begrippen al teveel zijn ingeburgerd om daarbij tot één gedeelde en gebruikte opvatting te komen. Ook wereldwijd is de status quo nu eenmaal niet anders.
Op zich valt met deze situatie goed te leven. In veel omstandigheden zal het voor de discussie niet zoveel uitmaken of je bijvoorbeeld bij een MOOC wel of niet leermaterialen verwacht met een open licentie, of als je open onderwijs alleen in de klassieke opvatting opvat. Maar daar waar het wel uitmaakt moeten we in staat zijn om a. te herkennen dat het uitmaakt en b. de door jou gebruikte terminologie te communiceren. Als dan blijkt dat er verschillende opvattingen bestaan is dat de winst die je behaalt: het is vaak niet nodig om tot één gemeenschappelijke opvatting te komen, maar je bent wel in staat om de gevolgen van de verschillen in opvatting te kunnen inschatten. Het eerder genoemde SURF document kan het startpunt zijn voor eenieder om zijn of haar eigen begrippenkader op te bouwen.
Bij bijeenkomsten waar researchresultaten uitgewisseld worden zou een dergelijke communicatie echter een verplicht nummer moeten zijn, zodat de waarde van de resultaten door iedere aanwezige binnen het eigen framework van begrippen kan worden ingeschat.