OER and Marcus Porcius Cato Censorius maior


One of the arguments advocates of OER use to publish  learning materials under an open license is “learning materials payed by taxpayers money should be available for free”. This argument is also used in the Netherlands. Recently, SURF, the collaborative organisation for IT in Dutch higher education and research, published a position paper which stated “The Dutch Government should have as a starting point that all learning materials of polytechnics and universities, developed with taxpayers money, should be as default availble under an open license, unless there are good reasons to deviate from this.”
I do not know how often this argument is used in other countries and what its impact is, but in the Netherlands I notice it is hardly used and (even worse) hardly considered a convincing argument. When I was wondering about activities to initiate more discussion and awareness on this, I remembered the senator Cato in the Roman Empire. Marcus Porcius Cato Censorius maior lived from 234-149 BC. He was extremely worried about the growing power of Carthago, considering this a major threath for the reign of Rome. To articulate this worry and to generate continuous awareness and discussion on this matter, he accustomed to end each speech (regardless the subject) with the words “Ceterum censeo Carthaginem esse delendam” (Incidentally, I believe that Carthago should be destroyed).
This inspired me for the following ludic action. Because OER is a worldwide movement and Latin is a lingua franca for the world, we can end each presentation with the words

Ceterum censeo materia facta tributo oblatum esse gratuito

This means “Incidentally, I believe that learning materials, paid with taxpayers money, should be available for free”. Hopefully, this will add to generate more awareness and discussion on this standpoint, ultimately leading to open being the default for learning materials.
Using Latin instead of English solves a problem: which word is more to the point: “should” (making it an recommendation) or “must” (making it a certainty)? I leave it to the user to choose his/her version when translating!
In the end, Carthago was destroyed in 146 BC, at the end of the 3rd Punic War. Unfortunately, Cato did not witness this because of his dead three years before.
(Attribution to my brother-in-law Paul Hendriks for the translation in Latin.)
 

MOOC's en credit: docent- en instellingsview

In een vorige post heb ik het vraagstuk van erkennen van een MOOC vanuit een studentview beschreven. In deze post wil ik enkele beschouwingen maken bij overwegingen voor docenten of instellingen voor hoger onderwijs om al dan niet over te gaan tot erkenning van een MOOC in een regulier programma.
In de discussie op de Linkedingroep van de SIG OER werd gewezen op (voor het HBO) tamelijk stringente kwaliteitssystemen die een dergelijke erkenning in de weg zouden staan. De kwaliteit van het aanbod is uiteindelijk de verantwoordelijkheid van de instelling, zowel bij HBO als bij WO. Dat wil niet zeggen dat de kwaliteit van MOOC’s per definitie onder de maat zou zijn. Maar om die genoemde kwaliteitsverantwoordelijkheid invulling te kunnen geven, gecombineerd met de onzekerheid en onbekendheid onder studenten over de (on)mogelijkheden van een MOOC, zijn de volgende zaken wel van belang:

  • Het aanbod van MOOC’s groeit dagelijks. Om te voorkomen dat iedere willekeurige MOOC door studenten zouden kunnen worden ingebracht als alternatief voor een regulier vak en een docent voor de taak staat deze MOOC te moeten beoordelen op haar merites, zou een “White list” met toegestane MOOC’s vooraf kunnen worden opgesteld.
  • Opstellen van zo’n White List vergt veel investering van docent en instelling. Het is te vergelijken met de keuze voor een standaardboek als bron bij een vak. Daarbij spelen zaken als gewenste niveau en de mate van overlap met andere vakken een rol. Je komt daar alleen achter door ofwel een MOOC in haar geheel te volgen ofwel af te gaan op oordelen van peers. Het argument “bron = Ivy League, dus met de kwaliteit zit het wel goed” is onvoldoende. Immers: deze universiteiten hebben een naam op excellente research, niet op excellent onderwijs. Daarnaast komen steeds meer MOOC’s van andere dan Ivy League universiteiten. En de mate van overlap met andere vakken is onafhankelijk van de bron van een MOOC.
  • Juist vanwege de te maken investering wil je een grote mate van zekerheid hebben dat de betreffende MOOC niet slechts éénmaal wordt gegeven, maar dat het in de bekeken vorm langer aangeboden wordt.
  • Een minimum eis voor erkenning is ook de mate van zekerheid dat het behaalde certificaat op een eerlijke wijze is behaald. Een “proctored exam” is daarvoor noodzakelijk. Dat kun je als instelling zelf organiseren of je maakt afspraken met andere instellingen om dat voor je te verzorgen (maar beide opties zijn een investering).

De beschreven inspanningen kunnen verdeeld worden over alle instellingen voor hoger onderwijs door de resultaten van de evaluaties van MOOC’s te delen onder instellingen. Het raamwerk dat Gráinne Conole heeft opgesteld voor de beschrijving van een MOOC zou hierbij een rol kunnen spelen. Dit zou moeten worden aangevuld met een beschrijving in kernwoorden van de inhoud, zodat voor iedereen duidelijk is welke onderwerpen wel of niet behandeld worden. Het mooiste zou het zijn als die kernwoorden uit een thesaurus komen. Het onderwijsbegrippenkader, dat momenteel door Edustandaard wordt opgesteld, zou hiervoor gebruikt kunnen worden. Dat is echter nog wel werk in uitvoering. Met name voor het hoger onderwijs is daar nog niet veel voor gebeurd.

MOOC's en credit: studentview

Op de Linkedingroep van de SIG OER is een discussie gaande over erkennen van MOOC’s voor een regulier programma. De aanleiding was een vraag of een MOOC-certificaat kon meetellen voor professionaliseringspunten. Hoewel die aanleiding dus buiten een regulier curriculum lag, gingen de reacties in op al dan niet erkennen van een MOOC in een regulier programma en aan welke eisen dan voldaan zouden moeten worden. Ik wil in twee blogposts wat zaken hieromtrent op een rijtje proberen te zetten. In deze post behandel ik het vanuit een studentperspectief, in een volgende vanuit een docent- en instellingsperspectief. Ik beperk me daarbij tot de erkenning van MOOC’s voor reguliere studenten (dus niet in de context van een leven lang leren).
Eén van de redenen waarom instellingen voor hoger onderwijs nadenken over hoe om te gaan met MOOC’s is het hierboven geschetste vraagstuk: hoe moeten we reageren als een student om vrijstelling gaat vragen omdat hij/zij een MOOC heeft gevolgd en daar ook een certificaat voor heeft behaald? Deze vraagstelling gaat uit van de veronderstelling dat studenten uit zichzelf op zoek gaan naar alternatieven voor vakken die ze volgen bij hun opleiding en op die wijze ook op MOOC’s kunnen stuiten. Maar hoe reëel is deze veronderstelling?
In juni heeft Suzanne de Kort, als onderdeel van haar stage bij Wikiwijs, een onderzoek gedaan onder studenten hbo en wo over hun bekendheid met en gebruik van vrij beschikbare leermaterialen (in de survey hebben we dat “aanvullend digitaal leermateriaal” genoemd). Naast enkele kwalitatieve interviews heeft ze ook een survey gehouden. Deze had een response van ruim 180 inzendingen, redelijk gelijkelijk verdeeld over hbo en wo. Hoewel de data analyses (o.a. naar significantie) nog moeten plaatsvinden zijn er al wel op basis van puur frequenties enkele opvallende resultaten te melden.
Op de vraag “waarom zou je niet op zoek gaan naar aanvullend digitaal leermateriaal op internet?” kon een deelnemer meerdere antwoorden kiezen. In de 168 responses bij deze vraag waren de drie meest genoemde redenen:

  • Ik twijfel of de informatie betrouwbaar is (62%)
  • Door de hoeveelheid informatie op het internet raak ik het overzicht kwijt (39%)
  • Ik weet niet of ik het juiste leermateriaal uitkies (35%)

De survey bevatte ook twee vragen naar resp. de bekendheid met MOOC’s en de ervaring ermee. Op de vraag “Het afgelopen jaar zijn Massive Open Online Courses (afgekort tot MOOC, gratis cursussen op het internet van veelal gerenommeerde Amerikaanse universiteiten als Stanford, Harvard en MIT) sterk in opkomst. Ben je bekend met deze ontwikkeling?” antwoordde 80% van de 159 respondees “Nee”. Van degenen die wel bekend waren met dit fenomeen gaven 7 personen aan dat ze wel eens een MOOC deels hadden gevolgd en slechts één gaf aan ook het examen gedaan te hebben, overigens zonder een certificaat te hebben behaald.
De resultaten van deze vragen geven volgens mij aan:

  • Studenten zijn minder geneigd dan we misschien denken (hopen?) om op zoek te gaan naar aanvullend leermateriaal. Een enquete in de UK waarover ik eerder blogde gaf een soortgelijk resultaat. Hier ligt met name een rol voor docenten om bij hun vak expliciet aan te geven welke bronnen (inclusief MOOC’s) wel en welke niet de moeite waard zijn. Zeker in de Bacherlorfase mag je van studenten nog niet verwachten dat ze hiertoe in staat zijn. Ze missen immers het overzicht over hun vakgebied (daarom zijn ze nog geen Bachelor). De docent als curator dus!
  • Gegeven de onbekendheid met MOOC’s onder studenten hoeven we in de nabije toekomst nog niet te verwachten dat er massaal verzoeken zullen komen voor erkenning van MOOC’s.

Concluderend: hoewel het zeker verstandig is als instelling te anticiperen op verzoeken voor credits voor MOOC’s zullen we ook, als we het een goede ontwikkeling zouden vinden dat studenten dergelijk gedrag gaan vertonen, werk moeten maken van het kweken van besef bij studenten van het bestaan van dergelijke vrij beschikbare materialen en de potentiële mogelijkheden voor hen.

Internationalisatie: MOOC's of niet?

Net voor het zomerreces lanceerde minister Bussemaker het voornemen een actieplan op te stellen. Doel is “internationaal talent uit te dagen in Nederland te komen studeren en daarna ook te kiezen voor een carrière in Nederland”. Het CPB berekende dat “zo’n 64% van de masterstudenten in Nederland wil blijven, 16% vertrekt en de rest weet het nog niet. Voor promovendi zijn de cijfers vergelijkbaar.”.
Onderdeel van een dergelijk actieplan kan ook het meer inzetten van online onderwijs (al dan niet open) en MOOC’s zijn. Met name voor MOOC’s wordt de zichtbaarheid van de instelling voor potentieel interessante internationale studenten en onderzoekers als argument genoemd om ermee te starten. Maar het kent ook enkele uitdagingen en potentiële nadelen

  • De MOOC’s moeten concurreren met die van de Ivy League universiteiten. Onderscheidend zijn moet dan ofwel gebeuren door een toponderwerp gepresenteerd door een topdocent, ofwel door een onderscheidende didactiek.
  • Gegeven de ambities die uit het plan van OCW spreken zal met name gemikt worden op masterstudenten en onderzoekers. Juist in de masterfase komen hoorcolleges minder voor en gebeurt het onderwijs veel meer in andere vormen. Een (x)MOOC geeft dan geen goed beeld van deze fase. Ook dit pleit voor een onderscheidende didactiek die meer overeenkomt met wat in de masterfase gebruikelijk is.
  • Er zou met het aanbieden van de MOOC’s kunnen worden gemikt op geschikte bachelorstudenten met de verwachting dat de top daarvan tijdens die fase komt bovendrijven (“funnel-effect”). Deze aanpak is wellicht (te?) inefficiënt. Zijn er gegevens bekend van hoeveel van de huidige internationale studenten in de bachelorfase starten en dan doorstromen naar de master?
  • Online aanbieden van vakken (al dan niet open en al dan niet als een MOOC) zou de drempel voor daadwerkelijk inschrijven kunnen verlagen. Maar uiteindelijk gaat het er in het actieplan om talenten daadwerkelijk naar Nederland te halen. Een substantieel gedeelte on campus is daarom essentieel.

Ik denk dat online, al dan niet open, aanbieden van een deel van de masterfase zeker zal helpen bij het realiseren van de doelstellingen van het actieplan. Maar voorzichtigheid daarmee is dus wel geboden.
 

Fujitsu en MIT in maatwerk leren

Al enkele weken geleden lanceerden Fujitsu en MIT een bericht met de aankondiging van een platform (Guided Learning Pathways afgekort tot GLP) voor lerenden waarin lerenden geholpen werden op basis van hun voorkeuren een leerpad door open beschikbaar materiaal te ontwerpen. De basis van dat platform wordt gevormd door een database met zgn. nuggets. In een volzin:

Nuggets are learning materials that teach a single, atomistic concept with a domain like calculus (for example, derivatives). Examples of nuggets are a homework problem to be done online; a video snippet (e.g., lecture, real world application, Khan Academy video), shorter than ten minutes; a pop quiz for self-assessment of content knowledge; an animation, possibly interactive; a simulation, also possibly interactive; a web-based lab experiment; a short educational game; or a small section of textual material, typically less than one page in length.

De nuggets worden gecreëerd uit bestaand open beschikbaar materiaal.
Uit het bericht is het mij niet duidelijk geworden in hoeverre de beschreven ideeën al realiteit zijn of alleen nog op de tekentafel bestaan. De aanpak lijkt veelbelovend, hoewel ik er ook enkele vraagtekens bij zet:

  • Wanneer een leereenheid opgebouwd wordt uit een verzameling nuggets: hoe wordt de samenhang tussen die nuggets bewaakt? Bestaan er duidelijk omschreven interfaces waardoor de aldus on-the-fly gecreëerde eenheden een eenheid vormt?
  • Hoe denken ze de complexiteit in productie die ontstaat wanneer je materiaal voor eenzelfde onderwerp voor ondersteuning van diverse leervoorkeuren wilt creëren, te beheersen?

Maar ik ben een believer van een dergelijke assemble-to-order aanpak voor leermateriaal waarmee massa maatwerk gerealiseerd kan worden. Onlangs heb ik dat al beschreven in een column voor SURF Magazine. Ik ga deze ontwikkeling daarom nauwgezet volgen.
 

Vier jaar OER-programma in de UK

De Higher Education Funding Council for England (HEFCE) heeft van 2009 tot 2012 initiatieven op het terrein van OER en Open Educational Practices (OEP) gefinancierd. In het programma nam onderzoek naar de effecten van dit programma een ruime plaats in. Vorige week verscheen het rapport met de verzamelde resultaten en conclusies.
De term Open Educational Practices (OEP) refereert naar alle activiteiten die te maken hebben met het publiceren en gebruiken van OER, zowel beleidsmatig als operationeel.
 
Het programma richtte zich op vier focusgebieden:

  • Culture and practice
  • Releasing and using OER
  • Processes for sustainability
  • Benefits and impact

De volgende resultaten vond ik de meest opvallende uit dit rapport.
Gedurende de loop van het programma was er meer en meer samenwerking met en inzet van studenten bij creatie van OER, waarbij studenten ook steeds meer de rol van co-creator kregen. Er was een positieve impact op hun leren door het gebruik van OER, zoals meer zelfvertrouwen en een toename van aantal studieprojecten, ook internationaal. Issues waren er ook, met name onvoldoende digitale geletterdheid. Hoe deze situatie in Nederland is, is bij mijn weten nog niet onderzocht. Momenteel is een stagiaire bij Wikiwijs bezig met een onderzoek naar gebruik van vrij beschikbare leermaterialen door studenten in het HBO en WO. Wanneer de resultaten uit dit onderzoek bekend zijn zal ik hierover bloggen.
Er wordt een betere ondersteuning bij copyright vraagstukken waargenomen. Het meest  in het oog springende initiatief op dit terrein betreft het voorstel om te komen tot een Digital Copyright Exchange. Dit zou het eenvoudiger moeten maken om rechthebbenden te achterhalen en toestemming te vragen voor hergebruik van hun werk in een OER. In Nederland zou een dergelijke centrale service ook een belangrijk onderdeel van een Open Education ecosysteem kunnen worden voor alle onderwijssectoren.
De impact van OER en OEP werd middels diverse surveys gemeten. De top-3 van de grootste impact:

  1. Verbeterde toegankelijkheid voor lerenden (55%)
  2. Didactische verbeteringen (49%)
  3. Meer delen van bronnen tussen docenten in dezelfde discipline (41%)

Door als instelling met OER en OEP te beginnen werden discussies over strategie, beleid en processen aangezwengeld. Dit zien we nu ook in Nederland gebeuren door de opkomst van de MOOC’s, zoals ook Ria Jacobi in haar blog signaleert.
De grootste barrières die worden gemeld zijn:

  • Gebrek aan tijd om OER van elders aan te passen aan de eigen context
  • Copyright vraagstukken (ondanks de eerder vermelde betere ondersteuning hierbij is dit nog steeds een barrière van betekenis)
  • OEP niet gestroomlijnd met de dagelijkse activiteiten van de betrokkenen

Beloning en erkenning werden beschouwd als de grootste enabler voor individuele docenten. Een belangrijke constatering was ook dat docenten die betrokken zijn bij (maken of gebruiken van) OER gestimuleerd worden tot heroverweging van bestaande content en overwegingen van hoe leermaterialen kunnen worden gebruikt in verschillende contexten (de docent als “reflective practitioner“).
Wat betreft duurzaamheid is geconstateerd dat éénjarige projecten nauwelijks kosteneffectief zijn te maken. Kosteneffectief maken van creatie en hergebruik van OER kan pas gebeuren als de processen en activiteiten hiervoor goed zijn opgezet, inclusief aanpassing van de kwaliteitszorg. Dit vergt een meerjaren aanpak, maar uiteindelijk loont zich dat wel.
Dit rapport bewijst voor mij weer eens de vooraanstaande positie die de UK heeft op het gebied van onderzoek naar OER. Behalve de hier genoemde feiten zijn er nog veel meer leerpunten uit de rapportage te halen. Verplichte kost voor iedereen die, op welk niveau dan ook, aan het nadenken is over beleid of activiteiten op het gebied van OER of Open Education.

LOOK moet blijven!


Normaal blog ik hier over open onderwijs, maar ditmaal even een ander onderwerp. LOOK, het wetenschappelijk centrum lerarenonderzoek van de Open Universiteit, wordt ernstig bedreigd. Het ministerie van OCW wil LOOK opheffen en daarmee een einde maken aan praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek naar professionele ontwikkeling van leraren, in nauwe samenwerking met leraren.
Ik roep hiermee iedereen met hart voor de professionele kwaliteit van leraren op om LOOK te steunen. Want opkomen voor LOOK is opkomen voor de kwaliteit van de leraar.
Wat doet LOOK?

  • LOOK doet wetenschappelijk onderzoek naar voor leraren uiterst relevante thema’s als motivatie, sociaal leren, reflectie en professionele ruimte.
  • LOOK voert praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek uit in nauwe samenwerking met leraren en scholen, met hoge eisen aan zowel praktijkrelevantie als wetenschappelijk niveau.
  • LOOK is het enige wetenschappelijke instituut dat leraren systematisch de mogelijkheid geeft met onderwijsonderzoek hun praktijk te verbeteren door die structurele samenwerking.
  • LOOK ontwikkelt vanuit de vragen van leraren en scholen concrete oplossingen, kennis en instrumenten die ook andere leraren en scholen direct kunnen benutten.
  • LOOK onderzoekt samen met de beroepsgroep leraren de thema’s professionele ruimte, werkplekleren, het imago van het beroep en bekwaamheidsbevordering. Thema’s die volgens het ministerie van OCW belangrijke speerpunten zijn voor kwalitatief hoogwaardig onderwijs. Met dit voorgenomen besluit voert het ministerie dus beleid dat daarmee in strijd is.
  • LOOK werkt in tientallen lopende projecten direct samen met honderden leraren. En via andere partijen werkt LOOK voor honderden scholen en tienduizenden leraren.
  • LOOK speelt een bepalende rol in projecten als Leraar24, Wikiwijs, KNOW en het lerarenprogramma in Caribisch Nederland.

Als het plan van het ministerie doorgaat, valt niet alleen de unieke expertise van LOOK als praktijkgericht wetenschappelijk instituut weg, maar komt aan alle hierboven genoemde activiteiten abrupt een einde.
Wat kunt u doen?
Het gaat om een voorgenomen besluit van het ministerie van OCW dat nog door de Tweede Kamer moet worden bekrachtigd. Als u het unieke belang van LOOK onderschrijft, roepen wij u op om de leden van de vaste Kamercommissie te overtuigen af te zien van dit besluit. Dat kan door deze Kamerleden rechtstreeks te benaderen. Op de volgende website vindt u de e-mailadressen van deze Kamerleden.
http://www.tweedekamer.nl/kamerleden/commissies/OCW/
Er is ook een factsheet met meer informatie.

Presenteren op afstand

Afgelopen donderdag zag ik om 12:30 uur een tweet in mijn tijdlijn met het verzoek of ik een uur later (!) kon invallen bij het Springbreak-evenement in Roermond voor het geven van een presentatie over MOOC’s. Omdat ik door omstandigheden aan huis ben gebonden kon ik niet op dit verzoek ingaan, maar zou het wel op afstand kunnen. Dit aanbod werd in dank aanvaard door de organisatie. Snel een presentatie die ik eerder had gebruikt aanpassen aan de gelegenheid (een paar sheets eruit, een paar andere erin). Ik nam de vrijheid het kader breder te schetsen: open online onderwijs is meer dan alleen MOOC’s en kan voortbouwen op een traditie vanuit zowel open universiteiten als OER.
Via Google Hangout zou e.e.a. plaatsvinden. Voor mij was die omgeving nieuw, maar het bleek zich bijna vanzelf te wijzen. Helaas was er geen duplex-verbinding mogelijk, zodat ik tijdens de presentatie geen visuele en auditieve feedback kreeg. Ik voelde me een beetje zoals een nieuwslezer zich moet voelen en kreeg daardoor ook meer respect voor deze beroepsgroep. De Q&A na afloop werd via mobiele telefoon gedaan: de vragensteller stelde de vraag, ik gaf antwoord en de vragensteller vatte het antwoord samen voor de rest van de toehoorders.
Al met al een leuke ervaring, maar face2face contact met het publiek heeft toch mijn grote voorkeur. De organisatie heeft deze ervaring vanuit hun perspectief ook beschreven.
De presentatie die ik heb gebruikt staat hier.

Kwaliteit, docenten en MOOC

De afgelopen weken verschenen verschillende publicaties over (gebrek aan) kwaliteit van onderwijs en de rol van docenten en studenten daarbij. Wilfred Rubens reageerde op een artikel van een 6 VWO-leerling die aangaf niets op school te hebben geleerd. Wilfred gaf aan in zijn eigen middelbare schooltijd slechts één inspirerende docent te hebben gehad. In een blogpost getiteld Mooc, Schmooc reageert de auteur (Mark Childs) op de kritiek op MOOC’s dat credits kunnen worden gehaald zonder één college te hebben bezocht. Dat gebeurt al jarenlang, ook al vóórdat MOOC’s verschenen. Hoeveel tentamens heb je eigenlijk gehaald zonder één college te hebben bezocht omdat daar toch alleen maar een boek werd voorgelezen? Hoogleraar Jan Derksen van de Radboud Universiteit constateerde eind 2012 een gebrek aan belangstelling van studenten en pleitte daarom voor afschaffen van hoorcolleges. Daar kwam veel kritiek op, waarbij met name gesuggereerd werd dat hij zijn colleges aantrekkelijker zou moeten maken. Kritiek op studenten kwam er ook in een onlangs verschenen blogpost van Roger Berkowitz als reactie op een essay van Aaron Bady. Roger onderscheidt twee typen studenten: zij die alleen het resultaat (diploma) belangrijk vinden en zij die ook hechten aan academische vorming.
Terugdenkend aan mijn eigen schoolcarrière ben ik over de docenten op de middelbare school alleen maar positief. Ik zat op het Dominicuscollege in Nijmegen en heb daar het grootste deel van mijn VWO (1968-1974) gedaan. Met name in de laatste 2 jaren waren mijn docenten stuk voor stuk “kanjers” die mij inspireerden en door hun wijze van lesgeven aanmoedigden het beste uit mij te halen. Wat minder positief moet ik helaas zijn over mijn docenten op de universiteit. Zowel bij de (toen nog zo geheten) Katholieke Universiteit Nijmegen (wiskunde, 1974-1980) als bij de TU Eindhoven (Informatica als werkstudent, 1983-1989) waren de echt inspirerende docenten op de vingers van één hand te tellen. Als er toentertijd een keuze zou zijn geweest tussen face 2 face college volgen of een online alternatief (bijvoorbeeld een MOOC), zou ik vaak voor het laatste hebben gekozen omdat de face 2 face bijeenkomst voor mij weinig zou toevoegen aan een online ervaring.
En wellicht zit daar een toekomst voor MOOC’s en andere vormen van online onderwijs. Daar waar docenten onder de maat presteren of waar studenten weinig belang hechten aan de academische vorming zou een online alternatief kunnen worden gepresenteerd. Dat roept wel vragen op:

  • Zou kwaliteit van docenten bij het hoger onderwijs niet nog meer een issue moeten zijn dan het nu al is geworden door invoering van het verplichte BKO?
  • Moet je accepteren dat er in feite twee “soorten” afgestudeerden gaan ontstaan, namelijk zij die wel en zij die minimaal een academische vorming hebben gehad? Of is dat eigenlijk een formalisering van een status quo die er nu ook al is? Deze vraag wordt hardop gesteld nu Georgia Tech heeft aangekondigd vanaf 2014 een online Master Computer Science aan te bieden in samenwerking met MOOC-producent Udacity voor een fractie van de prijs die een campusstudent moet betalen voor dezelfde opleiding.

Food for thought!

Blog verhuizen

Ruim zes jaar is mijn blog gehost op de servers van de Open Universiteit. Omdat ik nog de enige was die gebruik maakte van een WordPress-installatie was dat niet meer haalbaar. Ik liep al langer rond met het idee om een eigen website te beginnen. Het niet meer kunnen hosten van mijn blog was het laatste zetje dat ik nodig had om het ideee werkelijkheid te laten worden.
Ik zal op deze nieuwe plek blijven schrijven over Open Educational Resources in het bijzonder en Open Education in het algemeen. Ik ga wel proberen dat wat regelmatiger te doen.
Rest mij nog de medewerkers van ICTS (de IT-afdeling van de OU) te bedanken voor hun jarenlange ondersteuning bij het in de lucht houden van de server. De oude URL (blog.opener.ou.nl) is ge-redirect naar deze nieuwe blog.