Zoekt en gij zult vinden

Vindbaarheid van OER is een van de drempels die grootschalig gebruik ervan in de weg staat. Ik heb daar in deze blog al eerder over geschreven. Een van de oorzaken is dat er weinig overzichten zijn van collecties (repositories) met OER. Wil je zoeken in collecties dan moet je al weten welke collecties er zijn en dan vervolgens in ieder daarvan een zoekactie starten. Om dat laatste te vermijden kan een zoekmachine die verschillende repositories tegelijk doorzoekt uitkomst bieden. Een generieke zoekmachine als Google heeft het bezwaar dat zoekresultaten zich niet beperken tot OER, waardoor de gezochte pareltjes lastig te vinden zijn in de resultaten.
In deze blogpost een overzicht van initiatieven die ik ken op beide gebieden als een eerste handreiking voor degenen die op zoek zijn naar repositories met OER danwel de wens hebben over repositories heen te kunnen zoeken op trefwoord.
Overzicht van repositories

  • De OER Repositories World Map. Een initiatief van Javiera Atenas en Leo Havemann (University of London resp. Universitat de Barcelona).
  • WSIS Knowledge Communities. Een wiki van UNESCO waar bezoekers links naar repositories kunnen toevoegen met een korte beschrijving.
  • Serendipity. Een initiatief, vergelijkbaar met de OER Repositories World Map, maar gebaseerd op een andere technologie.

Overzicht van zoekmachines die verschillende repositories tegelijk doorzoeken
In de onderstaande tabel staat een overzicht van zoekmachines. Om een klein idee te krijgen van de kracht van de zoekmachine heb ik een search gedaan naar de termen “Einstein”, “Shakespeare” en “Keynes”. De aantallen gevonden OER staan vermeld in de tabel. Ik heb daarbij niet gecheckt of de gevonden materialen ook relevant waren bij die zoekterm.
 

Zoekmachine Omschrijving Resultaten
Mijn eigen zoekmachine Het overzicht van Javiera Atenas (dat hierboven is genoemd) is de basis van een aangepaste Google zoekmachine die ik op mijn eigen site heb geplaatst. Einstein: 23 miljoen
Shakespeare: 21,7 miljoen
Keynes: 6,54 miljoen
Google OER zoekmachine Een door Google University aangeboden aangepaste zoekmachine Einstein: 2,7 miljoen
Shakespeare: 2,74 miljoen
Keynes: 252.000
Open Courseware Consortium Zoekt door >25000 cursussen van members van dit consortium Einstein: 30
Shakespeare: 24
Keynes: 1
Open Tapestry Zoekt naar open resources die door bezoekers zijn gemeld (1)
Wikiwijs Zoekt in collecties vnl. afkomstig uit Nederland. Einstein: 2
Shakespeare: 3
Keynes: 0(alleen die resources die getagd staan voor HBO/WO)

(1) Er wordt geen totaaloverzicht getoond cq aantal resultaten, maar de resultatenpagina wordt in blokken opgebouwd bij het scrollen naar beneden (a la Google Images)
Deze overzichten hebben bij lange na niet de pretentie volledig te zijn. Een Google search op “OER search engine” (zonder de “”) gaf 359.000 resultaten. De twee eerstgenoemde resultaten daar zijn resp. de pagina “Finding OERs” uit de OER Infokit van JISC en “Look no Further for OER Search Engines” van Curriki (daterend uit 2010).
Een paar van de hierboven genoemde sites geven de mogelijkheid links naar OER zelf toe te voegen (met korte beschrijvingen) of OER die via de betreffende site gevonden wordt te beoordelen. Wat daarbij opvalt is dat met name dat laatste nauwelijks van de grond komt. Het vraagstuk om te beoordelen of gevonden OER daadwerkelijk is wat je zoekt blijft daardoor weinig ondersteund.

KNAW symposium over MOOC

Op 8 april werd in het Trippenhuis in Amsterdam, de lokatie van de KNAW, een symposium over MOOC’s gehouden. Uit de aankondiging:

Zijn MOOC’s een zegen voor het hoger onderwijs in Nederland? Als het aan de minister van OCW, Jet Bussemaker, ligt, zijn MOOC’s de toekomst van het hoger onderwijs. (…) Maar wat is de impact van deze ontwikkeling op de Nederlandse onderwijsinstellingen, op het onderwijsbeleid en de onderwijsvisie? Wat gebeurt er internationaal, in Europa en daarbuiten? Wat is het businessmodel voor universiteiten en hogescholen om succesvol MOOC’s te ontwikkelen en aan te bieden? En wat betekent de ontwikkeling van (commerciële) MOOC’s voor het publieke onderwijs in Nederland?

Arie den Boon (UvA), Gideon Shimson (RU Leiden) en Timo Kos (TU Delft) schetsten hun visie op en ervaringen met MOOC’s op hun instelling. Fred Mulder (Open Universiteit) plaatste het geheel in een kader waarbij hij MOOC’s en OER met elkaar vergeleek op een aantal waarden (zoals autonomie en gelijkheid). Ewout Frankema (Wageningen Universiteit) gaf vervolgens een korte reflectie op alle presentaties en opende daarmee de discussie tussen de presentatoren en de zaal.
Enkele zaken die mij op deze avond opvielen:

  • Ewout Frankema merkte terecht op dat het docentperspectief op deze avond ondervertegenwoordigd was. Deze observatie is bij een andere gelegenheid al eens gemaakt door Bert Frissen (Avans hogeschool). Hij constateert een kloof tussen de vele publicaties over en aandacht voor OER en MOOC’s en wat een docent daarvan meekrijgt op een wijze dat het direct en eenvoudig toepasbaar maakt voor hem/haar. Opzetten van professionaliseringstrajecten voor docenten is m.i. slechts een deel van de oplossing. Er zal ook gewerkt moeten worden aan het vertalen en eenvoudig toegankelijk maken van de aanwezige kennis.
  • Door verschillende sprekers werd gewezen op de voordelen die een MOOC kan hebben wanneer je het koppelt met lopend onderzoek. De MOOC wordt daarmee een MOOR (Massive Open Online Research). Een veel voorkomende vorm is die waarbij deelnemers aan een MOOC data (in allerlei formaten) aandragen die voor een onderzoeker waardevol zijn (zoals foto’s van toepassingen van zonne-energie bij een MOOC van de TU Delft, waardoor de grootste onderzoeksdatabase ter wereld op dit gebied is ontstaan).
  • Het grote verschil tussen een MOOC en OER werd ook op deze avond weer duidelijk voor me. Het gaat daarbij niet zozeer over al dan niet aanwezig zijn van een open licentie, maar meer over verschillen in doelgroep en ervaren gemak. De doelgroep van een MOOC is een lerende. Die ervaart een gemak doordat een expert op een vakgebied een juiste mix heeft gemaakt van content en die tot een samenhangend geheel heeft gebundeld. Een docent heeft bij een MOOC echter weinig keuze: take it or leave it (als hergebruik al wordt toegestaan, wat in veel gevallen niet zo is). Het gemak van aanpassing aan de eigen context is dan niet aanwezig. De doelgroep van OER is vooral een docent. Deze staat voor de taak om voor een lerende een juiste combinatie van OER en ander (al dan niet gesloten) materiaal te maken voor zijn of haar doelstellingen. Het ervaren gemak daarbij is de mogelijkheid die materialen te kunnen bewerken en aan te passen aan de eigen context. Een lerende zal (behoudens grotere samenhangende OER-materialen zoals open textbooks) problemen hebben de juiste OER te combineren tot een samenhangend geheel, mede omdat hij het overzicht over het vakgebied mist (hij is immers een lerende). Het door docenten ervaren gemak van mogen aanpassen zal voor hem ook niet gelden.
  • Hergebruik van MOOC’s van derden werd ook enkele malen genoemd. Naast de vraagstukken die dit oproept tav accreditatie vroeg ik me ook af of dan het Not Invented Here syndroom niet gaat spelen.
  • Hoewel in de aankondiging van dit symposium ook hogescholen werden geadresseerd kwamen die in de presentaties en in de discussie niet aan bod. Een gemiste kans.

 

Ontwerp en uitvoering van een MOOC

Gisteren verscheen een onderzoeksrapport The pedagogy of the Massive Open Online Course: the UK view van twee onderzoekers van de University of Edinburgh, onder de vlag van de Higher Education Academy in Groot Brittanië. De onderzoekers hebben 58 MOOC’s die door universiteiten in de UK worden aangeboden als onderwerp van hun onderzoek genomen. Er wordt geconstateerd dat de rol van de docent in een MOOC veelkoppig is: docent, ontwerper, mentor, marketeer voor je instelling etc. Een van de conclusies luidt:

MOOC pedagogy is not embedded in MOOC platforms, but is negotiated and emergent. Multiple social and material influences converge when MOOC pedagogy is enacted: teacher preferences and beliefs, disciplinary influences, patterns of learner expectation and engagement, and other contextual factors such as institutional teaching culture or the desire to generate analytics. We need to give greater attention to MOOC pedagogy as a socio-material and discipline-informed issue.

Deze conclusie kan ik onderschrijven. Ter illustratie enkele van de ervaringen die ik had met een aantal MOOC’s die ik heb gevolgd cq nog aan het volgen ben (op de platformen van Coursera, EdX en Futurelearn)

  • Op een video van een docent hoorde je de geluiden van een overvliegend vliegtuig en een brandweerwagen met loeiende sirene.
  • Afspelen van de video’s van een docent gaf pas een draaglijke ervaring bij snelheid 1.5
  • Bij meerkeuzevragen zijn er 5 opties, waarbij er meerdere correct zijn. Wanneer je geen idee hebt in welke richting je de oplossing moet zoeken moet je alle (maximaal) 31 combinaties uitproberen om de juiste te vinden, waarna je dan pas de terugkoppeling krijgt waarom dat antwoord correct is. Ik zou liever al wat hints krijgen bij een fout antwoord.
  • Bij een MOOC schrijft de docent een afleiding van een formule met krijt op een bord. Helaas staat hij vóór het bord, waardoor het geschrevene niet te lezen is.
  • De opbouw in moeilijkheidsgraad bij een MOOC over elementaire deeltjes is nogal abrupt, waardoor de stof ineens niet meer te volgen is. De toetsvragen daarna vragen echter alleen naar feitjes die eenvoudig te beantwoorden zijn, maar die het begrip van de stof niet toetsen.
  • Een docent kijkt veelvuldig naar beneden (waarschijnlijk om aantekeningen te bekijken). Dat gaat op den duur irriteren.

Geen misverstand: ik ben heel blij dat ik met gebruikmaking van MOOC’s mijn kennis kan uitbreiden of opfrissen en ik geniet van de leerervaringen. Aanbieden van MOOC’s om te experimenteren en ervaring op te doen met dit fenomeen is een prima zaak, maar besteed dan wel aandacht aan details als die hier genoemd zijn en die eenvoudig te voorkomen zijn. Dat zou de leerervaring volmaakt maken.
 
 

MOOC's in Noorwegen

In augustus 2013 startte een commissie, ingesteld door de Noorse regering, onderzoek naar wat MOOC’s voor Noorwegen zouden kunnen betekenen. In december kwam een tussenrapport uit. Deze week verscheen de Engelse vertaling ervan, getiteld Time for MOOC. Hoewel het een tussenrapportage is en de Noorse regering hier (bij mijn weten) nog geen acties of beleid aan heeft verbonden is het wel leerzaam dit rapport te vergelijken met de begin januari verschenen “Brief van Bussemaker“.
Als achtergrond, allereerst enkele gegevens over Noorwegen, vergeleken met Nederland.

Noorwegen Nederland
Aantal inwoners 5,1M 16,8M
Aantal studenten in HO 53K bron 239K bron
% Huishoudens met breedband bron 86% 83%
Aantal universiteiten 6 + 6 gespecialiseerde 14
Aantal hogescholen 25 + 2 kunstacademies + 29 particuliere instellingen
Bron
38 bron
Voertaal op universiteit/hogeschool Noors/Sami/Engels Nederlands/Engels

Noorwegen heeft veel gemeen met Nederland: hoog percentage breedbandverbinding, een klein land en een relatief weinig gesproken voertaal. Dat laatste betekent veelal een beperkte keuze in private leermaterialen in de voertaal. In Noorwegen zijn leermaterialen voor primair en secundair onderwijs gratis voor de lerenden. Dat heeft een hoge betrokkenheid van de Noorse regering tot gevolg bij initiatieven die open leermaterialen opleveren (bron).
<Update>. Collega Wilfred Rubens wees me op een groot verschil tussen Noorwegen en Nederland. Door de grotere afstanden en de weersomstandigheden is de nood om online te leren in Noorwegen een stuk groter dan in Nederland.</Update>
Hoewel de titel van het rapport anders doet vermoeden gaan de aanbevelingen van de commissie veel verder dan alleen MOOC’s. In vergelijking tot de brief van Bussemaker bevat dit rapport veel meer detail in de aanbevelingen (hetgeen wel logisch is; de brief bevat 11 pagina’s, het rapport telt 75 pagina’s). De overeenkomsten tussen beide stukken:

  • De aandacht voor MOOC’s als middel om toegang tot hoogwaardig onderwijs te verbeteren en verbetering van de kwaliteit van het onderwijs
  • Aandacht voor professionalisering van docenten op terrein van digitaal ondersteund onderwijs
  • Geen aanpassing nodig van bestaande wetgeving waar het erkennen van MOOC-certificaten voor een regulier programma betreft
  • Aandacht voor systematisch onderzoek naar digitaal ondersteund leren en doceren
  • Onderzoek assessment van skills die door deelname aan een MOOC zijn verkregen

Verschillen zijn er ook. De meest opvallende in het Noorse rapport:

  • Expliciete aandacht voor behoud van Noorse waarden in het onderwijs
  • Aandacht voor invloed op leven lang leren (zoals stimuleren dat bedrijfsleven de mogelijkheden van MOOC’s en soortgelijke middelen gaat gebruiken voor competentie ontwikkeling van hun werknemers)
  • Experimenten door Noorse instellingen voor hoger onderwijs om lerenden die niet voldoen aan de eisen voor reguliere toegang toegang tot MOOC’s te geven.
  • Onderzoeken welke gevolgen het ondersteunen van studenten in MOOC’s en andere vormen van webgebaseerd onderwijs heeft, zowel op financieel gebied als op de werkdruk bij instellingen
  • Versterken van de bestaande digitale infrastructuur en onderzoeken of er een nationaal platform voor MOOC’s moet komen en zo ja, of dat een eigen portal of een alternatief moet zijn

Opvallend is dat veel van de aanbevelingen gekoppeld zijn met voorstellen voor financiële ondersteuning door de overheid. Daar waar Bussemaker spreekt over € 1M per jaar komt het totaal aan aanbevolen ondersteuning in het rapport uit op € 7,8M (65M Noorse Kronen) per jaar. Deze cijfers zijn natuurlijk niet totaal vergelijkbaar, omdat het maar de vraag is welke aanbevelingen de Noorse regering zal overnemen en het totaalplaatje qua overheidsinvesteringen in deze ontwikkelingen ontbreekt. Maar kort door de bocht gerekend naar aantal inwoners betekent dat per inwoner € 1,53 in Noorwegen vs. € 0,06 in Nederland.
Voor de verdere beleidsvorming rondom open en online onderwijs in Nederland bevat dit rapport voldoende food for thought. Het eindrapport verschijnt in de zomer van 2014. Daarin zal o.a. aandacht worden besteed aan onderwijskundige aspecten van een MOOC, juridische vraagstukken, UDL en strategische samenwerkingen, zowel internationaal als binnen de Noorse HO-sector.

Beyond MOOC's

Deze week publiceerde het Britse onderzoeksinstituut Cetis een white paper Beyond MOOCs: Sustainable Online Learning in Institutions. Mijn collega Wilfred Rubens heeft in zijn blog deze paper besproken. De gevolgtrekkingen die hij daar maakt (beschouw MOOC’s als een proeftuin om te experimenteren met diverse onderwijsinnovaties, om op die manier de basis te leggen voor online leren van een hoge kwaliteit en voor nieuwe instellingsstrategieën rond online leren (inclusief business modellen) en de implicatie die dit heeft (vergelijk MOOC’s niet met reguliere cursussen, maar gebruik de inhoud van MOOCs wel daarvoor) onderschrijf ik.
Als aanvulling op zijn blog heb ik de elementen die in de paper worden onderscheiden (trends, kansen en strategische implicaties) in een figuur bij elkaar gezet. Ze zijn door de auteurs ingedeeld langs twee dimensies (impact en tijdshorizon). Sommige onderscheiden elementen gelden voor de meeste instellingen, andere slechts voor enkele.

Evenals de vorige publicatie over MOOC’s die deze auteurs vorig jaar uitbrachten is ook deze paper een must-read.

Onderzoek naar open en online onderwijs in Nederland

Begin deze week kwam een notitie “Ruminations on Research on Open Educational Resources” beschikbaar. De auteur is Marshall Smith, de architect van het OER-programma van de Hewlett Foundation. Deze private organisatie staat mede aan de wieg van de OER-beweging, met name door de financiële ondersteuning die ze aan veel projecten wereldwijd hebben gegeven. Deze notitie is mede gebaseerd op input op eerdere versies van vele experts wereldwijd, waaronder Fred Mulder en Ben Janssen van de Open Universiteit. De notitie is bedoeld om de vervolgkoers van de Hewlett Foundation te bepalen. Het inventariseert vraagstukken rondom OER waarvoor research zou moeten worden opgezet dan wel uitgebreid. Hij bouwt in deze notitie voort op het werk bij OLNET en de OER Research Hub.
Smith begint de notitie met een rechtvaardiging om specifiek onderzoek naar OER te formuleren en dit niet te beschouwen als een verbijzondering van onderzoek naar educatie in het algemeen:

I explore the hypothesis that the characteristics that define OER potentially “add value” that exceed and/or are different in nature from the effects achieved by a similar piece of non-OER technology or content.

De belangrijkste karakteristiek is de mate van openheid die OER kan hebben. Hij definieert hiervoor vier niveaus van toegang, waarbij een hoger niveau de lagere niveaus omvat:

  • Access level 1.0: vrije toegang (gratis)
  • Access level 2.0: recht op download, kopiëren, verspreiden, delen en hergebruik
  • Access level 3.0: recht op aanpassing
  • Access level 4.0: recht op commercieel gebruik

Wanneer van deze karakterisering wordt uitgegaan kunnen alle vormen van open en online materialen en onderwijs object van research worden gemaakt. Een xMOOC bijvoorbeeld valt veelal onder Access level 1.0, soms level 2.0 of level 3.0.
Smith definieert negen research “buckets”. In de tabel hieronder staan ze genoemd met bij iedere bucket een aantal researchvragen (niet uitputtend)

Bucket Voorbeeld
A: Policy Research – examine the positive and negative factors in the political environment that influence whether or not governments at various levels will create progressive OER policy- examine the characteristics and effectiveness of the variety of educational policies that constrain or enable the use of OER that currently exist in different countries and local jurisdictions
B: Access and Use – do the OER characteristics that distinguish them from commercial products add value?- what creates the “added value?”- how do we document this with valid evidence?
C: Effectiveness—Studies of how OER Improves Efficiency and Learning – Do OER cost less?- Do OER improve achievement?- Do OER improve attainment?
– Do OER that are adapted to fit local needs improve achievement and attainment?
D: Innovation—Investigations into New Ideas and Positive Disruption. – Are OER more likely to become genuinely innovative than profit-driven education technology?- How can OER be used to help solve social and educational problems?
E: Beyond Formal Education: OER used in other domains – What is the role of OER in development and sharing of important and practical information like e.g. in Health Care and Agriculture?- How could OER contribute to solving multisectoral problems like global warming, poverty or lack of educational opportunities in refugee camps?
F: Sustainability – What is the the viability of business models currently in place?
G: Development and Improvement—Studies to Understand and Improve the Processes of Creating, Altering, and Using OER – What development approach (linear, rapid prototyping, collaborative development) works in what situations?- What functions should tools possess to really support development?- Do users actively try to improve the effectiveness of the OER they are using?- What sort of product design best lends itself to easy modification by a technology novice such as a teacher in a typical school?
– What do we know about the use of various grain-sized improvements and adaptations?
H: Implementation—Studies of the Processes of Introducing and Using OER in Classrooms, Schools, Districts and Countries – Who takes responsibility for updating a specific OER?- What can we learn from analysis and examples of good practice?
I: Infrastructure—Research on the Underlying Framework and Health of OER – How do we measure the health of the OER movement?- Are the Creative Commons licenses doing their job?- Is there a reasonable balance between the for-profit world and the open world as well as an understanding of the utility of each?

Deze inventarisatie kan een mooi startpunt zijn om na te denken over onderzoek door Nederlandse instellingen voor hoger onderwijs. Er kunnen dan ook additionele vragen worden geformuleerd die specifiek zijn voor de Nederlandse situatie. Een willekeurige greep (zonder de ambitie hierin volledig te zijn):

  • Welke verschillen in aanpak voor opener onderwijs (buckets G en H) zijn er tussen HBO en WO vanwege verschil in omgeving (veelal regionaal vs. nationaal/mondiaal), publiek (afkomstig van HAVO vs VWO) en focus (praktisch vs theoretisch en research-based)?
  • Hoe kan opener onderwijs de aansluiting tussen VO en het hoger onderwijs verbeteren (bucket C)?
  • Hoe kan opener onderwijs bijdragen aan een leven lang leren (bucket E)?
  • Welke businessmodellen zijn haalbaar en effectief voor HO-instellingen om een duurzaam aanbod van opener onderwijs te realiseren (bucket F)?
Onderzoek naar OER zou (teach as you preach) in samenwerking moeten gebeuren is mijn overtuiging. Het zou daarom goed zijn als belangstellende onderzoekers eens bij elkaar komen om gezamenlijke researchvraagstukken te formuleren, te inventariseren wat er al gebeurt aan onderzoek, waar samenwerking mogelijk is en welke fundings daarvoor kansrijk zijn. Ik wil daartoe actie ondernemen. Belangstellenden voor een dergelijke bijeenkomst kunnen zich bij mij melden: robert.schuwer@ou.nl. Wordt vervolgd!

 
 

Credits voor een MOOC: soms lastig

Tijdens het schrijven van een artikel voor het trendrapport Open Education 2014 attendeerde Esther Hoorn van de Rijksuniversiteit Groningen me op een passage uit de Terms of Use van Coursera:

You may not take any Online Course offered by Coursera or use any Statement of Accomplishment as part of any tuition-based or for-credit certification or program for any college, university, or other academic institution without the express written permission from Coursera. Such use of an Online Course or Statement of Accomplishment is a violation of these Terms of Use.

Deze voorwaarde betekent dat credits verlenen voor een MOOC van Coursera alleen toegestaan is als Coursera hiervoor schriftelijk toestemming heeft gegeven. Onduidelijk is of aan deze toestemming ook kosten zijn verbonden. In het licht van wat minister Bussemaker zojuist in DWDD heeft laten horen (credits kunnen krijgen door het volgen van een MOOC) verdient deze passage uit de Terms of Use op zijn minst enige bestudering. Een snelle check van de voorwaarden bij andere MOOC-platformen (Udacity, EdX, Iversity en Futurelearn) leerde me dat een dergelijke passage bij hen niet voorkomt. Bij OpenUpEd is er altijd een bewijs van deelname. Bij 80% van de daar aangeboden MOOC’s bestaat de (betaalde) mogelijkheid om een  certificaat te verkrijgen dat erkend wordt in een opleiding van de universiteit die de MOOC aanbiedt. Via Marja Verstelle van de Universiteit Leiden kwam de volgende procedure om ECTS-punten te verdienen bij sommige MOOC’s van Iversity:

Je krijgt de ECTS niet voor activiteiten in de MOOC zelf maar voor het afleggen van het tentamen op een fysieke locatie in Duitsland op een specifiek tijdstip. Samengevat: je moet een examen afleggen op 1 van 5 locaties op 1 datum (29 jan) gedurende x uur, daarvoor betaal je 129 euro. Je behaalde resultaten in de MOOC geven geen extra credits.

(Zie ook een eerdere blogpost die ik hierover schreef).
 

Open Education in 2014

In deze rustige dagen tussen Kerst en Oud en nieuw tijd voor een vooruitblik naar wat 2014 gaat betekenen voor Open Education in het Nederlandse hoger onderwijs. Behalve de sfeer van deze dagen die noodt tot terugblikken en vooruitkijken is een aanleiding ook het verschijnen van een preview op het jaarlijkse Horizon rapport dat New Media Consortium (NMC), in samenwerking met het Educause Learning Initiative, uitbrengt. In dat rapport worden key trends, uitdagingen en belangrijke ontwikkelingen geschetst. Het volledige rapport zal worden gepubliceerd in februari 2014. De preview beschrijft work in progress. De ontwikkelingen zijn te volgen op de speciale wiki die hiervoor is ingericht.
Het rapport heeft een horizon van 5 jaar. Inzoomend op 2014 worden de volgende issues geïdentificeerd:

  • Trends die adoptie van Educational Technology in het hoger onderwijs versnellen: Online, hybride, en collaboratief leren en gebruik van sociale media in het leren;
  • Uitdagingen die adoptie van Educational Technology in het hoger onderwijs hinderen: onvoldoende kennis van digitale mogelijkheden bij docenten en relatieve gebrek aan waardering voor onderwijs, vergeleken met waardering voor onderzoek;
  • Ontwikkelingen in Educational Technology voor het hoger onderwijs: Flipped Classroom en Learning Analytics.

Opvallend vond ik de afwezigheid van MOOC in deze preview. De enige plaats waar het werd genoemd was onder de “Difficult challenge that we understand but for which solutions are elusive”, bij “Competition from New Models of Education”. Ze merken hierover op “As these new platforms emerge, there is a growing need to frankly evaluate the models and determine how to best support collaboration, interaction, and assessment at scale. Simply capitalizing on new technology is not enough; the new models must use these tools and services to engage students on a deeper level.”.
Het Nederlandse hoger onderwijs heeft in 2013 significante stappen gezet in de adoptie van open education. Het meest zichtbaar zijn de stappen op MOOC-gebied die met name vanuit universiteiten zijn gezet. Maar de negen strategische workshops die SURF in samenwerking met de SIG OER hebben georganiseerd leerden me dat meer en meer HBO-instellingen serieuze plannen ontwikkelen om opener onderwijs te kunnen aanbieden. Ik voorspel dat 2014 het jaar van een zichtbaar opener HBO gaat worden, waarbij die openheid minder met MOOC’s, maar meer met adoptie en publicatie van OER zichtbaar zal worden.
Op MOOC-gebied zal de ontwikkeling in diversiteit van aangeboden modellen doorzetten. Ruim een maand geleden schreef ik al een blogpost hierover en inmiddels is het aantal varianten alweer groter geworden. Leiden gaat experimenteren met een SPOC, Delft experimenteert al met diverse online aanbodvormen en de Open Universiteit ontwikkelt een nieuw onderwijsmodel.
De vraag naar accreditatie en certificering van vormen van open leren door lerenden, en daarmee samenhangend de vraag naar zichtbaar maken van kwaliteit van het aanbod zal in 2014 verder toenemen. Ik verwacht dat deze vraag zowel vanuit het bedrijfsleven (voor inzet van OER en MOOC bij professionaliseringstrajecten) als vanuit de lerenden zal komen. Incidenteel zijn er al meldingen van instellingen voor hoger onderwijs die een vraag naar certificering van MOOC-deelname van individuele studenten krijgen. Initiatieven als de Evidence Hub van OLNET en de OER Research Hub zullen aan belang winnen door deze verwachte ontwikkelende vraag. Beide initiatieven kunnen als basis dienen voor een te ontwikkelen nationale onderzoeksagenda voor Open Education voor het Nederlandse hoger onderwijs. Een dergelijke agenda zou de voor Nederland belangrijke vragen die adoptie van open education in de weg staan moeten adresseren. Deze vragen betreffen de kwaliteit, vindbaarheid, licenties, businessmodellen en human factors. Het zou goed zijn als in 2014 een dergelijke agenda van de grond zou komen.
Tenslotte zal in 2014 de vraag naar ondersteuning bij implementatie van een beleid op open education toenemen. Bij de eerder genoemde strategieworkshops werd deze vraag al meermalen gesteld. SURF heeft hier in haar programma voor Open Education voor 2014 activiteiten voor beschreven.
Een uitdagend jaar ligt in het verschiet! Aan alle lezers veel wijsheid toegewenst in het nieuwe jaar.

MOOC's vergeleken

Met de gestage groei in zowel het aanbod van MOOC’s als sites waarop MOOC’s worden aangeboden ontstaan er ook sites waarop naar MOOC’s kan worden gezocht op diverse criteria. Class-central was een van de eerste en (nog steeds) een van de meest volledige (met momenteel 1688 cursussen, waarvan er 804 reeds zijn beëindigd).
In dit artikel staan korte beschrijvingen van vijf sites waar MOOC’s niet alleen kunnen worden gezocht, maar waar ook een review van of waardering aan MOOC’s gegeven kunnen worden (meestal weergegeven op een schaal van 1 tot 5 sterren).
Momenteel bevatten de meeste MOOC’s die op die sites genoemd worden geen reviews en zijn de waarderingen gebaseerd op enkele deelnemers die de moeite hebben genomen een MOOC te waarderen. In onderstaande tabel staat per site aangegeven hoeveel cursussen er te vinden zijn en hoeveel cursussen er resp. meer dan 100, tussen 10 en 100 en tussen 1 en 10 beoordelingen hebben gekregen.

Site # Waarderingen
GradeMyCourse
(#: onbekend) (1)
>100: 7
10-100: 54
<10: 147
TopFreeClasses
(#: onbekend)
>100: 2
10-100: 8
< 10: >100 (2)
Coursetalk
(#: 1232)
>100: 5
10-100: >40
<10: >100 (2)
MOOCtivity
(#: 731)
Meeste geen waardering. Met waardering: gebaseerd op enkele (<10) personen
MOOCAdvisor
(#: 2581)
Meeste geen waardering. Met waardering: gebaseerd op enkele (<10) personen

(1) Alleen Coursera, Udacity en EdX
(2) Veel cursussen moeten nog beginnen, maar hebben al wel een waardering gekregen
Opvallend was de Coursera cursus An Introduction To Interactive Programming in Python. Deze cursus kreeg op GradeMyCourse en TopFreeclasses >1000 reviews, terwijl het bij MOOCtivity maar 4 waarderingen kreeg.
Al met al nuttige sites om vooraf meer inzicht te krijgen in zaken als moeilijkheidsgraad, ervaren aantal uren tijdsbesteding en ervaren tevredenheid. De vraag is of nog zo’n site erbij voor Nederland nuttig is. In een eerdere blogpost heb ik hier wel eens voor gepleit om docenten die een MOOC inzetten in hun curriculum die MOOC te beschrijven op enkele punten en die beschrijving te delen met de rest van Nederland. Een dergelijke White List (zoals ik dat toen heb genoemd) kan gekoppeld worden aan een van de hier beschreven vergelijkingssites, zodat alleen aanvullende informatie , nuttig voor docenten in de Nederlandse situatie, hoeft te worden beschreven (zoals plaats in curriculum).
 

MOOC en varianten: een jungle?

Terwijl Sebastian Thrun, een van de oprichters van MOOC-platform Udacity, twijfels lijkt te hebben over zijn geesteskind (lees het interview en lees ook een reactie van Audrey Waters), is er langzamerhand ook een steeds grotere diversiteit aan varianten van MOOC’s aan het ontstaan. Zie het volgende rijtje (met verwijzingen naar informatie over de inhoud die achter de term zit):

  • MOOC: Massive Open Online Course (deze omschrijving wordt regelmatig aangepast)
  • mOOC: Micro Open Online Course (minicursussen, aangeboden door de OER University)
  • SPOC: Small Private Online Course (Online cursus, veelal gesloten (geen inschrijvingen van andere dan eigen betalende studenten)).
  • SOOC: Selective Open Online Course (SPOC, maar zonder beperking aan inschrijvers, echter wel een selectieproces om te komen tot een gelimiteerd aantal deelnemers)
  • DOCC: Distributed Open Collaborative Course (MOOC met een didactiek van samenwerking tussen deelnemers, uitgaande van gedistribueerde expertise. Lijkt veel op de cMOOC)
  • LOOC: Local Open Online Course (afgeleid van een MOOC, maar online aangeboden aan de community van eigen studenten; eventueel met aanpassingen. Buiten de community is de cursus niet beschikbaar)
  • MOOR: Massive Open Online Research (MOOC, maar met een substantiële research component in de cursus, bijvoorbeeld door deelnemers tijdens de cursus de gelegenheid te geven bij te dragen aan lopende research projecten)
  • ROOC: Regional Open Online Course (MOOC met een regionale uitstraling, bijvoorbeeld blijkend uit de taal of de cases. Wordt in de verwijzing als een toepassing van MOOC’s voor HBO-instellingen gezien)

Naast deze varianten van MOOC’s is er voor een MOOC zelf ook een taxonomie voorgesteld die uitgaat van de didactiek achter de MOOC en die ieder op zich weer kan leiden tot varianten van een MOOC. De typologie gaat van transferMOOC (waarbij een bestaande offline cursus via een MOOC platform online beschikbaar wordt gesteld) tot cMOOC.
De openheid van een MOOC is een aspect waar ook discussie over blijft bestaan. Zo heb ik in een vorige blogpost de opvatting van de Hewlett Foundation al vermeld waarin de beperkte openheid (alleen vrij beschikbaar, maar materialen niet aanpasbaar) wordt bekritiseerd. Pierre Gorissen zet ook vraagtekens bij de openheid van een MOOC (waarbij in een comment bij die post Rita Kop stelt dat de originele cMOOC in 2008 een duidelijke definitie gaf die werd verwaterd bij de opkomst van de xMOOC). De badge die hij voorstelt om een MOOC te karakteriseren (en in feite aan te geven met welke van de varianten zoals hierboven genoemd, je te maken hebt) zou mijns inziens veel helpen.
De terminologie is zeker niet uitgekristalliseerd (zo zijn er nu al verschillende opvattingen over SPOC waarbij het onderscheid met een SOOC niet wordt gemaakt) en wellicht dat ik er ook enkele over het hoofd heb gezien. Wat deze verscheidenheid aan varianten wel aantoont is dat er druk geëxperimenteerd wordt met het concept van (al dan niet) open en online onderwijs. En dat is alleen maar goed, zeker zolang het uiteindelijke doel (verbetering van de kwaliteit van onderwijs en betere toegang tot kwalitatief goed hoger onderwijs voor iedereen in de wereld) niet uit het oog wordt verloren. Dan maakt het ook niet zoveel uit onder welk acroniem de cursus door het leven gaat.