Data Reports OER Research Hub

In the previous weeks, the OER Research Hub published results of their latest surveys on OER. In total 7500 responses were received. The results were presented for the categories Informal learner, Formal learner and Educator. Instead of creating large reports with results, they made short summaries of each category and published infographics. The full dataset is available for further analysis (in CSV-format or Excel-format).
In this blogpost I focus on formal learners (and educators. Using the infographics, I have compared some results and using the dataset, I created some cross-links between different data in the dataset.
The following table gives a break-down of responses on being US-resident or not and having English as first language or not for both educators and formal learners. Blank responses on either item are not counted.

Formal learners Educators
US Non-US Total US Non-US Total
English 595 675 1270 398 551 949
Non-English 169 660 829 39 491 530
Total 764 1335 2099 437 1042 1479

Because of the stimulation programs in the US to adopt open textbooks, I was interested in comparing the use of open textbooks by both educators and learners in the US and outside of the US, and if having English as the first language influences this (assuming most open textbooks are in English). Related to the break-down the following percentages of use are extracted:

Use of open textbooks
Formal learners Educators
US Non-US US Non-US
English 76% 54% 48% 38%
Non-English 86% 77% 51% 50%

It seems open textbooks are more used by formal learners than by educators, more in the US than outside and more by non-English speaking users.
On the impact of using OER, a comparison between the infographics reveals that both learners and educators agree on the top-2 (educators counting (strongly) agree):

On challenges for educators when using OER, I was interested in the effect of teaching experience and subject area. The following table shows the percentage of educators per subject area that consider Finding suitable resources in my subject area a challenge. The column Total displays the total number of educators having indicated they use OER for that subject area (more than one subject area is possible per educator)

Total #Challenge % Challenge
Math 233 96 41,2%
Science 434 162 37,3%
Languages & Linguistics 200 71 35,5%
Social Science 201 71 35,3%
Literature 155 52 33,5%
Computing & information science 175 57 32,6%
Health & Social Care 102 33 32,4%
Psychology & Philosophy 194 60 30,9%
History & Geography 172 51 29,7%
Medicine 88 26 29,5%
Education Studies 201 59 29,4%
Applied science & engineering 148 41 27,7%
Physical Education 57 15 26,3%
Special Education 46 12 26,1%
Arts 153 39 25,5%
Economics, Business & Management 134 34 25,4%
Religious studies 74 13 17,6%
Total       2767 892

This result surprises me a bit. Considering Math and Science as two areas with a lot of OER available, I would have expected finding suitable resources less a challenge. Maybe the wealth of resources, poorly described by metadata, is an explanation. Overall, support for finding suitable resources is very useful because for most subject areas more than 25% have difficulties with this.
The last two analyses I have performed is to find out about the influence of teacher experience. The following figure displays experience vs the way OER is used by the educator.

It seems the more experience an educator has, the more activities with OER are undertaken. Furthermore, community-based activities like adding comments to a repository are less common than creating and publishing resources.
Finally, the next two figures displays challenges in using OER, related to teaching experience of an educator. The first one considers the challenges related to doubt and difficulties with OER.

It seems that educators having >10 years of experience encounter more challenges in finding the right resources and judging the quality of them than educators with less teaching experience. The previous figure indicates that the latter category uses OER less, and therefore did not encounter these challenges.
The next figure displays the challenges in using OER, posed by the environment of the educator.

Again, educators with the most teaching experience encounter the most challenges, with not having enough time to look for suitable resources as the largest challenge. This can be overcome to both provide this time by the institution and to improve support on findability of the right OER.
 

Open Education Information Center

Tijdens de afgelopen zomervakantie is de eerste versie van het Open Education Information Center (OEIC) van het Open Education Consortium gepubliceerd. Het doel van het OEIC is antwoord te verschaffen op allerlei vragen die bij het bezig zijn met Open Education naar boven kunnen komen. Het vervangt de Toolkit die eerder vanaf die website toegankelijk was, maar die sterk verouderd was.
Bij de opzet van het OEIC is ervoor gekozen om vijf ingangen te kiezen:

  • Staf (docenten, ondersteuners) (Faculty)
  • Studenten
  • Administrator
  • Onderzoekers
  • Beleidsmakers

Bij iedere categorie zijn vragen verzameld vanuit de praktijk. Deze vragen zijn binnen de categorie ingedeeld in clusters. Een voorbeeld van zo’n cluster is Using OERs in my classroom in de categorie Faculty. Het antwoord bij iedere vraag bestaat uit een korte tekst en verwijzingen naar bronnen (meestal websites) met een uitgebreidere toelichting.
Deze vraagbaak zal voortdurend worden aangevuld met nieuwe vragen. Iedere gebruiker kan eigen vragen indienen via een Submit Info button op de startpagina van het OEIC. Dat gaat nu nog via e-mail, maar het is de bedoeling hier een webformulier achter te plaatsen.
Behalve vragen indienen kunnen ook opmerkingen over antwoorden en suggesties voor bronnen bij bestaande vragen worden voorgesteld. Bij iedere vraag is ook een item gemaakt in een Community Forum. Gebruikers kunnen hun opmerkingen bij een vraag ook daar achterlaten. Zoals bij veel van dergelijke communities is er nog weinig activiteit daar. Een grotere bekendheid van het OEIC, resulterend in meer traffic, is voorwaardelijk voor meer community activiteit.
Vorig jaar hebben Bert Frissen (Avans, maar inmiddels pensionado), Pierre Gorissen (HAN) en ondergetekende een opzet beschreven voor functies die een dergelijke informatiesite beter toegankelijk zouden maken voor iedere belangstellende, met name voor docenten die bij adoptie van OER problemen ondervinden. Het OEIC beschouw ik als een eerste aanzet van implementatie van dat idee. Wat mij betreft zou een eerste uitbreiding bestaan uit het categoriseren van de bronnen waarnaar verwezen wordt in vereist kennisniveau van het betreffende onderwerp om de bron nuttig te laten zijn (bijvoorbeeld geen of weinig kennis vereist – gemiddelde kennis vereist – veel kennis vereist). Tevens zou de ingang naar te onderscheiden aspecten die nu deels in de clusters is terug te vinden wellicht moeten worden verfijnd.
Het Open Education Consortium heeft mij gevraagd de verdere uitbouw van het OEIC aan te sturen. Ik heb volmondig ja hierop gezegd omdat ik een one-stop-shop waar iedereen met belangstelling voor Open Education terecht kan uiterst waardevol vind voor adoptie van Open Education.
Ik ben erg benieuwd naar ervaringen die gebruikers met deze site hebben. Schroom niet die te delen met het Open Education Consortium en, indien u tevreden bent, maak reclame voor deze site in uw netwerk. Gebruik en participatie in het forum is voor iedereen; je hoeft dus geen lid te zijn van het Open Education Consortium (hoewel ik lidmaatschap wel wil bepleiten, maar dat is een ander verhaal).
 

Platform voor delen van open leermateriaal: requirements

Een paar ontwikkelingen in de afgelopen periode wijzen erop dat er steeds meer aandacht komt voor het delen van leermaterialen tussen instellingen voor hoger onderwijs in Nederland. In de strategische agenda HO2025 is dit als een expliciete ambitie geformuleerd voor 2025 (zie een eerdere blogpost hierover). Bij de Open Space sessies die SURFnet in juni en juli heeft georganiseerd kwam meermalen de wens naar voren een platform te hebben waarop leermaterialen open gedeeld kunnen worden. Parallel hieraan kwam bij SURFnet vanuit Saxion Hogeschool de vraag of ze een platform hebben om hen te ondersteunen in hun ambitie leermaterialen te delen met een aantal andere hogescholen. Potentieel zou Sharekit en de HBO Kennisbank (na aanpassingen) hiervoor geschikt kunnen zijn. Om dit te kunnen nagaan heeft SURFnet mij gevraagd de eisen en wensen voor delen van leermateriaal te inventariseren en na te gaan welke aanpassingen er aan Sharekit en de HBO Kennisbank zouden moeten worden gerealiseerd. In deze blogpost een samenvatting van aanpak en resultaten van dit onderzoek.
>> Volledige onderzoeksrapport

Deelnemers onderzoek

Naast SURFnet en SURFmarket waren vertegenwoordigers van Saxion Hogeschool, Haagse Hogeschool, Hogeschool Utrecht, Universiteit Twente en Universiteit Utrecht betrokken.

Afbakening

Om activiteiten die een platform moet ondersteunen te kunnen beschrijven is gebruik gemaakt van een beschrijving van de OER Life Cycle van de Commonwealth of Learning.

In dit onderzoek is het uitgangspunt dat de focus primair op de activiteiten Publish and deliver en Review ligt. Deze activiteiten zullen door het platform moeten worden ondersteund.

Model

Voor het verzamelen van de eisen en wensen enerzijds en het evalueren van platforms anderzijds is op basis van diverse documenten (o.a. dit onderzoek) een model opgesteld. In dit model is een aantal categorieën beschreven voor eisen en wensen die aan een platform kunnen worden gesteld.

Nr. Categorie Item Omschrijving
1 Toegankelijkheid Bepalen van niveau van toegang Mogelijkheden: bepalen van welke partijen toegang hebben gebeurt

  • per leermateriaal;
  • per set leermaterialen van een instelling
  • per instelling alle leermaterialen.
Voorwaarden voor delen Zijn de voorwaarden voor delen steeds dezelfde? Heeft een koppeling met categorie 5 (auteursrechten)
Default toegangsniveau Moet er een default toegangsniveau worden bepaald?
Inloggen Welke inlogmethodes moeten mogelijk zijn?

  • Via instellingsaccount
  • Via LinkedIn account
  • Via Facebookaccount
  • Via Google+ account
  • Via een eigen accountsysteem van het platform
Anonieme toegang
  • Is anonieme toegang mogelijk?
Functies anonieme toegang Wat is toegestaan bij anonieme toegang

  • Uploaden van leermateriaal
  • Zoeken naar leermateriaal?
  • Evalueren van leermateriaal (zie categorie 7)?
  • Contact zoeken met profielgebruikers?
2 Koppeling met eigen ELO Welke ELO?
Kopie of linken Op welke wijze wordt het leermateriaal uit de ELO beschikbaar gesteld in het platform:

  • via een kopie van het leermateriaal
  • via een link naar het materiaal in de ELO
Toegang tot ELO Indien via linken naar de ELO: is er open toegang tot de ELO voor personen van andere instellingen?
Platformonafhankelijkheid Is het leermateriaal platformonafhankelijk?
3 Metadateren Waar metadateer functie? Gebeurt metadatering van het leermateriaal al op het instellingsplatform?
NL-LOM Zo ja, wordt dan NL-LOM gebruikt als standaard?
Additionele metadata Zo ja, worden er aan NL-LOM additionele metadata elementen gebruikt? Welke?
Additionele metadata op platform Welke additionele metadata elementen moeten er op het platform mogelijk worden gemaakt?
4 Kwantiteit Aantal leermaterialen Om hoeveel leermaterialen gaat het naar schatting?
Vakgebieden Om welke vakgebieden / opleidingen gaat het?
Niveau Om welk opleidingsniveau gaat het (Propedeuse, Bachelor, Master)?
Aggregatieniveau leermateriaal Om welk niveau leermateriaal gaat het (halfproduct/cursus/opleiding)
5 Auteursrechten Aanbod open licenties Welke open licenties moeten op het platform ondersteund worden?
Bepalen open licentie Is er overeenstemming over welke open licentie wordt gebruikt:

  • Binnen de instelling
  • Tussen de instellingen
6 Onderhoud en versiebeheer Nieuwe versie leermateriaal Hoe worden aanpassingen aan gedeeld leermateriaal aangebracht?

  • Nieuwe versie met overschrijven van de oude versie
  • Beide versies naast elkaar laten bestaan
Recht op publiceren nieuwe versie Wie mag een nieuwe versie publiceren?

  • Alleen de auteur
  • Andere gebruikers binnen het consortium (indien delen tussen een consortium van instellingen plaatsvindt)
  • Iedereen
7 Evaluatie Niveau gebruikersevaluatie Op welk niveau moet evaluatie plaatsvinden

  • Evaluatie per leermateriaal
  • Evaluatie per set van leermaterialen van een instelling
Wijze van evalueren
  • Sterrenbeoordeling
  • Commentaar geven (evt. in vorm van review)
Ranken commentaren Moeten commentaren van bezoekers door andere bezoekers kunnen worden beoordeeld (bv. via likes)?
Anonieme evaluatie Kan beoordelen of commentaar geven anoniem gebeuren? (Zie ook categorie 10 (profielen))
8 Zoekfuncties Filters Op welke filters moet kunnen worden gezocht?
Recommender Moet er een recommender functie zijn? Zo ja, welke?
9 Beschikbaar krijgen leermateriaal Wijze van beschikbaar krijgen van gevonden leermateriaal
  • Downloaden
  • Embedden
  • Via een SCORM-pakket
10 Gebruikersprofiel Mogelijkheid profiel Moet aanmaken van een gebruikersprofiel mogelijk zijn?
Gegevens profiel Welke gegevens moeten worden vastgelegd in een profiel?
Koppeling profiel Moeten koppelingen van profiel met sociale media mogelijk zijn (Facebook, LinkedIn, Google+,…)
Mogelijkheden bij profiel Welke additionele mogelijkheden krijgt een gebruiker met een profiel

  • Kunnen beoordelen van leermateriaal
  • Default zoekfilter kunnen instellen
  • Met andere profielgebruikers contact leggen
  • Kunnen aangeven of hij wel/niet benaderd mag worden door andere gebruikers
11 User interface Herkenbaarheid leermateriaal
  • Logo van instelling plaatsen bij leermateriaal?
Herkenbaarheid instelling
  • Profielpagina instelling?
  • Toegang tot platform via een eigen startpagina (met eigen URL en mogelijke filters op resultaten)?
Taal van de user interface
  • NL
  • EN
  • NL/EN, zelf in te stellen door gebruiker
12 Statistieken Welke statistieken beschikbaar
  • Aantal downloads per leermateriaal
  • Aantal views per leermateriaal
  • Idem, maar dan totalen per instelling

Belangrijkste requirements

Het voert te ver hier alle requirements te formuleren. Degene waaraan een platform minimaal moet voldoen zijn:

  • Zowel leermaterialen als verwijzingen naar leermaterialen (referatory) moeten kunnen worden toegevoegd en beschreven
  • Tot op niveau van leermateriaal kunnen bepalen wie er toegang toe heeft
  • Kunnen bepalen van een open licentie moet per leermateriaal mogelijk zijn (waarbij een instelling een default kan instellen). Alle Creative Commons licenties moeten daarbij gekozen kunnen worden
  • Inloggen op het platform via een instellingsaccount
  • Anonieme toegang mogelijk voor zoeken van leermaterialen
  • Een metadateerfunctie die NL-LOM geconfigureerd is moet aanwezig zijn
  • Zowel halfproducten als materiaal voor een complete cursus moeten kunnen worden gedeeld
  • Zoekfilters moeten aanwezig zijn op alle metadateervelden waarvoor vocabulaires (waardenlijsten) bestaan
  • Functies om anderen te kunnen attenderen op leermateriaal moeten aanwezig zijn
  • Leermateriaal moet zowel kunnen worden gedownload naar als worden embed in de eigen omgeving
  • Het moet duidelijk zijn van welke instelling voor hoger onderwijs leermateriaal afkomstig is
  • De taal van de user interface moet instelbaar zijn door de gebruiker (NE/EN)
  • Aantal downloads en aantal views per leermateriaal moet opvraagbaar zijn (tenminste voor een admin van de instelling waarvan het leermateriaal afkomstig is)

Essentieel is gebruiksgemak voor een gebruiker. Dit kan bijvoorbeeld gerealiseerd worden door waar mogelijk taken te automatiseren (bijvoorbeeld waarden van sommige metadatavelden). Daarnaast is flexibiliteit van het platform belangrijk om in te kunnen spelen op toekomstige requirements.

Geschiktheid Sharekit en de HBO Kennisbank

Analyse van de mogelijkheden van Sharekit en de HBO Kennisbank gaf aan dat er een aantal aanpassingen moeten worden gedaan aan het platform om het aan de eisen en wensen die een hoge prioriteit hebben te laten voldoen. Deze aanpassingen lijken weinig ingrijpend. Een vraagpunt daarbij is het al dan niet direct implementeren van community functies. Bij een open platform zou een meerwaarde moeten bestaan in een actieve community van gebruikers die de leermaterialen beoordelen, aanpassen en verder doorontwikkelen zodat een beter beeld van de kwaliteit ervan mogelijk wordt. Maar een dergelijke community vereist veel inspanning om op te zetten en actief te houden om te voorkomen dat het nauwelijks bezocht wordt en er daardoor geen meerwaarde ontstaat. Tevens wordt momenteel Sharekit en de HBO Kennisbank niet gebruikt door universiteiten. De vraag is daarom of acceptatie van dit platform door universiteiten gehinderd kan worden. De beide deelnemende universiteiten aan dit onderzoek gaven daar geen blijk van en er zijn inmiddels ook twee andere universiteiten die hebben aangegeven “iets” met Sharekit te willen doen.
Daarnaast is ook een zestal andere open platforms bekeken op voldoen aan de eisen en wensen. Een van die platformen is Wikiwijs. Met enkele aanpassingen zou dit een goed alternatief kunnen zijn voor Sharekit. Er zijn echter niet-technische (imago en organisatorische) redenen die de geschiktheid van Wikiwijs minder maken (zie volledige rapport). Die andere platformen geven ook ideeën voor additionele functies bij het platform zoals toekennen van badges voor community prestaties of publiceren van kwalitatief goed leermateriaal. Additionele functies die andere activiteiten in de OER Life Cycle ondersteunen zijn bij andere platformen ook te vinden, zoals de remix-omgeving bij Wikiwijs, een laagdrempelige omgeving voor het op eenvoudige wijze creëren van nieuw leermateriaal door combineren van bestaande leermaterialen. Deze functie is voor veel gebruikers van Wikiwijs belangrijk. Het is te overwegen dergelijke functies op termijn aan een platform voor delen van leermaterialen toe te voegen.

Tenslotte

Is creëren van een zoveelste repository met open leermaterialen wel de weg die ingegaan moet worden? In een eerder onderzoek heeft een deelnemer al eens aangegeven dat hij een vraag naar leermateriaal uitzet in zijn sociale media kanalen en van daaruit response krijgt. Docenten zullen altijd eigen wegen vinden om aan geschikt leermateriaal te komen. Naast een centraal platform zullen daarom andere initiatieven (veelal kleinschalig of individueel) altijd aanwezig blijven. Delen van leermateriaal is geen groene weide. Centrale en decentrale initiatieven kunnen daarom goed naast elkaar bestaan.
Een centrale repository met open leermaterialen kan ook uitgroeien tot een focuspunt voor verdere samenwerking tussen instellingen aan ontwikkelen van deze elementen van open onderwijs. En met de HO2025 agenda van het ministerie in het achterhoofd is meer samenwerking tussen instellingen noodzakelijk om de ambities waar te maken. Daarover wellicht meer in een latere blogpost.

Effecten van OER op kwaliteit van onderwijs

Zojuist presenteerde minister Bussemaker de strategische agenda HO2025. Science Guide presenteerde de belangrijkste punten daaruit (hier het OCW-origineel). Veel van de voorgestelde maatregelen beogen de kwaliteit van het onderwijs te verhogen. Op het gebied van open onderwijs werden twee ambities uitgesproken (nadruk door mij aangebracht):

  • Nederlandse hogeronderwijsinstellingen blijven internationaal koploper op het vlak van de mogelijkheden van Open en Online Onderwijs. Nederland onderstreept deze ambitie tijdens het Europees voorzitterschap in 2016. Instellingen experimenteren met de mogelijkheden, en passen de lessen toe over de volle breedte van hun onderwijsaanbod. De middelen die beschikbaar komen met het studievoorschot maken het mogelijk de huidige stimuleringsmaatregel voor Open Online Hoger Onderwijs uit te breiden.
  • Alle docenten stellen in het ho in 2025 hun onderwijsmaterialen vrij beschikbaar zodat zij gebruik kunnen maken van elkaars digitale leermaterialen. Verkend wordt of en hoe een (inter)nationaal platform waarop onderwijsmateriaal gedeeld en bewerkt kan worden hieraan bijdraagt. Daarnaast worden instellingen opgeroepen om elkaars MOOC’s te erkennen.

Ik ben heel blij met de ambitie die bij de tweede bullet vetgedrukt geformuleerd is. Dit sluit aan bij de in 2008 door OCW geformuleerde ambitie rondom mainstream maken van OER, de doelstelling van het toen uitgevoerde 5-jarenprogramma Wikiwijs. In de praktijk is mij echter de afgelopen jaren gebleken dat het niet voor iedereen direct duidelijk is hoe OER kunnen bijdragen aan verhoging van de kwaliteit van het onderwijs. In mijn lectorale rede heb ik argumenten geformuleerd die door instellingen wereldwijd gebruikt worden om met OER aan de slag te gaan. Vanuit die argumenten kan de koppeling met kwaliteit van onderwijs worden aangegeven.

Argument Omschrijving Effect op kwaliteit onderwijs
Moreel Leermateriaal met publiek geld betaald moet publiek beschikbaar komen;Toegang tot kennis is een universeel recht van iedere mens. OER helpt (financiële) drempels tot die toegang te verlagen Geen directe invloed. Hoogstens indirect doordat er dan meer OER beschikbaar komt en daarbij een van de andere argumenten sterker kan gelden
Financieel De gratis beschikbaarheid van OER haalt een financiële drempel voor toegang weg Beperkte invloed, bv. wanneer leermaterialen voor een deel van de studenten financieel niet haalbaar is. Dat speelt in Nederland bij mijn weten niet. Dit zou wellicht wel kunnen gaan spelen wanneer de basisbeurs wordt afgeschaft
Efficiency Hergebruiken van OER voorkomt uitvinden van wielen Grote invloed. De gedachte is dat OER dat wordt hergebruikt zich al heeft bewezen in andere situaties (dus de aanname is dat het kwalitatief aan de maat is). Door de open licentie kan het materiaal worden aangepast aan de eigen context en worden verbeterd (bv. door het te actualiseren, door extra opgaven toe te voegen etc.). Hierdoor ontstaat uiteindelijk een hogere kwaliteit leermaterialen
Interne communicatie Door open publiceren van leermateriaal wordt bij andere faculteiten duidelijker wat er gebruikt wordt Potentieel grote invloed. Doordat faculteiten op deze wijze transparanter worden kunnen onderwijsprogramma’s beter op elkaar worden afgestemd.
Rendement Aankomende studenten krijgen beter beeld van een studie Beperkte invloed. Doordat er op deze wijze een betere selectie aan de poort kan plaatsvinden zijn studenten geschikter voor de studie en kan daardoor een hoger peil worden bereikt.
Innovatie OER publiceren en hergebruiken betekent zowel jouw kennis aan de wereld geven als kennis van elders binnenhalen in je onderwijs Grote invloed. Je kunt geïnspireerd raken door een aanpak die je in een OER vindt; grotere beschikbaarheid van OER maakt meer en innovatieve onderwijsvormen mogelijk (er is geen schaarste aan geschikt leermateriaal) (Stel jezelf de vraag of de Khan academy ook zo’n invloed zou hebben gehad op de ontwikkeling van bv. de flipped classroom als de video’s niet open beschikbaar zouden zijn)
Marketing en profilering Door bestaande leermaterialen open te stellen bereikt de onderwijsinstelling niet alleen de relatief kleine groep ingeschreven studenten, maar ook getalenteerde potentiële studenten, ‘self learners’, wetenschappers en het bedrijfsleven in binnen- en buitenland. Indirecte invloed. Goede docenten worden hierdoor geïnteresseerd om te gaan doceren aan de aanbiedende instelling.
Research Publiceren van OER geeft de mogelijkheid te experimenteren met digitaal leermateriaal buiten het (geaccrediteerde) curriculum. Potentieel grote invloed wanneer dit leidt tot betere toepassingen van digitaal leermateriaal

Mogelijk kan dit overzicht instellingen helpen bij het onderbouwen van hun beleid op open onderwijs, meer specifiek hergebruiken en publiceren van OER, zodat de ambitie uit de strategische agenda beter haalbaar wordt.

Hbopener: naar een open hbo-curriculum

Gisteren was voor mij de “dag die je wist dat zou komen”: mijn lectorale rede waarmee ik officieel mijn benoeming tot lector Open Educational Resources bij Fontys Hogeschool ICT heb aanvaard. In meerdere opzichten is deze dag onvergetelijk voor mij geworden.
Het begon bij het eraan voorafgaande symposium. Dagvoorzitter was Ben Janssen van OpenEd Consultancy, sprekers waren emeritus hoogleraar van de UNESCO OER leerstoel Fred Mulder en Michiel van Genuchten, lid van het management team van VitalHealth Software. Met alledrie personen heb ik vele jaren samengewerkt en ik vond het mede daarom een genoegen hen op dit symposium op de bühne te hebben. Daarnaast presenteerde mijn kenniskring zich ook met eerste resultaten en ideeën van onze activiteiten: een onderzoek naar de mening van studenten naar de plannen die FHICT heeft met inzetten van een MOOC in het onderwijs resp. onderzoek dat we willen gaan doen over creatie van OER door studenten en de rol die docenten daarin zullen krijgen.
In mijn eigen rede heb ik een overzicht over het gebied van open onderwijs gegeven, heb ik betoogd waarom juist een hbo-curriculum in het algemeen en dat van FHICT in het bijzonder meer openheid zou moeten nastreven en ben ik ingegaan op de specifieke doelstellingen van mijn lectoraat en de activiteiten die ik wil gaan uitvoeren. Ik onderscheid daarbij 4 categorieën voor onderzoek:

  1. Docenten en OER zijn object van onderzoek. De activiteiten in deze categorie zullen zich primair richten op concrete vraagstukken die in de praktijk van de docent ontstaan bij gebruik en publiceren van OER en andere vormen van open onderwijs. Ervaringen ermee zullen leiden tot requirements voor hulpmiddelen die ontwikkeld kunnen worden. Onderzoek moet duidelijk maken in welke mate hindernissen ervaren worden, hoe de hulpmiddelen bijdragen aan het verkleinen van de hindernissen en (uiteindelijk) of dat inderdaad leidt tot grotere adoptie van OER. Onderzoek naar de rol van de student hierbij behoort ook tot deze categorie.
  2. Het onderwijsproces is object van onderzoek. Activiteiten in deze categorie richten zich met name op het verkrijgen van meer inzicht in hoe OER en andere vormen van open onderwijs kunnen bijdragen aan de verbetering van de kwaliteit van het onderwijs bij FHICT. Meer inzicht hierin kan een positieve invloed hebben op besef van de mogelijkheden van OER en daardoor uiteindelijk een opener curriculum. Onder meer zal daarbij ook aandacht worden gegeven aan effecten op onderwijs voor specifieke doelgroepen.
  3. FHICT / Fontys is object van onderzoek. Komen tot een grotere adoptie van OER en andere vormen van open onderwijs vereisen ook organisatorische maatregelen. Processen zoals zoeken naar en aanpassen van leermaterialen zullen veranderen wanneer die leermaterialen OER zijn. Vraagstukken betreffen het optimaliseren van dergelijke processen:
    • Welke doelstellingen van FHICT en Fontys kunnen mede behaald worden door inzet van vormen van open onderwijs?
    • Wat kunnen we leren van (open) innovatieprocessen in (externe) organisaties om benutten en openbaren van open onderwijs optimaal te krijgen?
  4. Relatie onderwijsinstelling – externe organisatie is object van onderzoek. Het onderzoek dat in deze categorie valt heeft als uitgangspunt dat de externe organisatie een visie heeft op open innovatie en naar middelen zoekt om die visie te realiseren. Vraagstukken hierbij betreffen hoe vormen van open onderwijs de externe organisatie kan helpen die visie te realiseren, in samenwerking met een onderwijsinstelling en wat dit voor gevolgen heeft voor de samenwerking tussen beide organisaties.

>>> Opname van de rede
>>> Publicatie van de lectorale rede
>>> Verslagen van het symposium en de lectorale rede door Wilfred Rubens
>>> Een Storify verslag van symposium en rede door Pierre Gorissen
En helaas. Ondanks vele malen checken en herchecken, ook door anderen, heb ik het eerste foutje in het boekje al ontdekt. Gelukkig niet ernstig en ik ben ook benieuwd of het iemand zal opvallen.
Tenslotte de inspiratie voor de opening van mijn rede. Ook gewoon, omdat ik het een mooi nummer vind.

Open jouw opvatting over openheid

Gisteren woonde ik het seminar over MOOC research bij, uitstekend georganiseerd door de VOR, divisies ICT en HO. Over de presentatie die ik daar heb gehouden heb ik gisteren al een blogpost geschreven (slides presentatie).
Tijdens dat symposium werd me weer eens duidelijk dat bij open onderwijs de termen zeer slecht gedefinieerd zijn. Bij de sprekers die de moeite namen te omschrijven wat ze onder het begrip MOOC verstaan kwamen drie opvattingen naar voren:

  1. Een MOOC is een digitale cursus, online aangeboden, met massive deelname, met gratis toegang en de leermaterialen gedeeld onder een open licentie.
  2. Een MOOC is een digitale cursus, online aangeboden, met massive deelname, met gratis toegang (maar leermaterialen niet per se beschikbaar onder een open licentie).
  3. Een MOOC is een digitale cursus, online aangeboden, met 25-700 deelnemers, geen gratis toegang, waarbij deelnemers soms vrije inschrijving hebben en soms in cohorten vanuit één organisatie deelnemen. De spreker noemde deze MOOC een Corporate MOOC.

De lezing waarbij de laatstgenoemde opvatting werd gebruikt was getiteld High completion corporate MOOCs. Gegeven de aandacht voor completion rates binnen MOOC´s is het mooi te vernemen wat ervoor kan zorgen dat deze omhoog gaan. Om de waarde van de findings uit deze presentatie te kunnen beoordelen op geschiktheid voor de eigen situatie is de beschrijving van de door de spreker gebruikte opvatting van een MOOC dan wel essentieel, met name omdat het sterk afwijkt van de beide andere gebruikte opvattingen.
Ook het verschil in opvatting over openheid in een MOOC (het verschil tussen opvatting 1 en opvatting 2) heeft gevolgen. Te verwachten valt dat onderzoek naar omstandigheden waarin herbruikbaarheid van MOOC´s vruchtbaar kan zijn bij opvatting 1 andere resultaten zal geven dan bij opvatting 2.
Eerder dit jaar is er via de sociale media al eens gediscussieerd over te gebruiken terminologie (zie hier en hier). SURF heeft onlangs een eerste versie van een begrippenkader online onderwijs uitgebracht, waarin ook open vormen van online onderwijs worden beschreven.
Dat laatste document is een goede aanzet om te komen tot standaardisatie van begrippen, maar ik denk ook dat veel begrippen al teveel zijn ingeburgerd om daarbij tot één gedeelde en gebruikte opvatting te komen. Ook wereldwijd is de status quo nu eenmaal niet anders.
Op zich valt met deze situatie goed te leven. In veel omstandigheden zal het voor de discussie niet zoveel uitmaken of je bijvoorbeeld bij een MOOC wel of niet leermaterialen verwacht met een open licentie, of als je open onderwijs alleen in de klassieke opvatting opvat. Maar daar waar het wel uitmaakt moeten we in staat zijn om a. te herkennen dat het uitmaakt en b. de door jou gebruikte terminologie te communiceren. Als dan blijkt dat er verschillende opvattingen bestaan is dat de winst die je behaalt: het is vaak niet nodig om tot één gemeenschappelijke opvatting te komen, maar je bent wel in staat om de gevolgen van de verschillen in opvatting te kunnen inschatten. Het eerder genoemde SURF document kan het startpunt zijn voor eenieder om zijn of haar eigen begrippenkader op te bouwen.
Bij bijeenkomsten waar researchresultaten uitgewisseld worden zou een dergelijke communicatie echter een verplicht nummer moeten zijn, zodat de waarde van de resultaten door iedere aanwezige binnen het eigen framework van begrippen kan worden ingeschat.
 

MOOC research en de waarde voor het hbo

Vorige week donderdag benaderde Karel Kreijns me of ik vandaag op de MOOC researchdag van de Vereniging Onderwijs Research, divisies ICT en HO een presentatie over MOOC-onderzoek in het hbo wilde geven.
In een eerdere blogpost heb ik al eens gemijmerd over de waarde van het publiceren van een MOOC voor een hbo-instelling. Inmiddels zijn er diverse hbo’s die daadwerkelijk een MOOC hebben gepubliceerd, om redenen die in die blogpost werden genoemd en om internationale aandacht te genereren. Maar inmiddels constateer ik ook dat hergebruik van een MOOC veel meer voor de hand ligt dan produceren ervan, juist omdat de meeste hbo-instellingen een regionaal karakter hebben en veel hbo-instellingen sowieso nog geen stappen hebben gezet om hun onderwijs opener te maken. Delen van leermaterialen gebeurt wel, maar veelal binnen de muren van de instellingen, met de eigen collega´s. Publiceren van een MOOC als eerste activiteit op dit gebied is dan, ook vanwege de kosten, wellicht een brug te ver.
Dat bracht mij op de vraag hoe het hbo kan profiteren van research naar MOOC´s, met name als die research zich zou richten op vraagstukken rondom publiceren van een MOOC. Een nadere karakterisering van research op MOOC leerde me dat er grofweg twee typen research bestaan:

  • Research met MOOC als vehikel (MOOC-as-a-vehicle). Het primaire doel van die research is om MOOC’s te gebruiken om meer inzicht te krijgen in educatieve vraagstukken. De resultaten kunnen wel bijdragen aan een hogere kwaliteit MOOC’s, maar zijn ook buiten de MOOC-context bruikbaar. Een voorbeeld van dit type research is het vraagstuk van learning analytics en beïnvloeden van leergedrag. Resultaten van dit type onderzoek kunnen bijdragen aan het beter begrijpen van MOOC’s, maar dat is niet het hoofddoel.
  • Research met MOOC als onderwerp (MOOC-as-a-subject). Het doel van die research is primair het MOOC-fenomeen beter te begrijpen, met name de invloed van Massive en Open. Hierbij komen zowel educatieve vraagstukken als anderssoortige vraagstukken aan bod (zoals juridisch, financieel en productie). Resultaten van dit type onderzoek kunnen bijdragen aan meer inzicht in educatieve vraagstukken in het algemeen, maar dat is niet het hoofddoel.
Vanuit het gezichtspunt van openheid (waaronder ik zowel vrije toegang als het publiceren van de leermaterialen onder een open licentie waaronder de 5R rechten kunnen worden uitgeoefend) geeft dat het volgende raamwerk:

Hoe groener een cel, hoe beter de research aansluit bij vraagstukken rondom openheid die in het hbo leven. Voor het type research waarbij MOOC als een vehikel wordt gebruikt is er geen verschil in belang voor het hbo tussen publiceren en hergebruik.
Een analyse van de 15 papers uit de research track van de vorige week gehouden eMOOCs2015 conferentie leerde me:

  • 4 papers vielen in de categorie MOOC-as-a-vehicle (met onderwerpen als learning analytics, self-directed learning en invloed van taal op leerprestaties)
  • 11 papers vielen in de categorie MOOC-as-a-subject, publish (met onderwerpen als videoproductie, tooling en invloed van EU privacy wetgeving)
  • er waren geen papers in de categorie MOOC-as-a-subject, reuse.
Dat, en de waarnemingen die ik heb betreffende openheid in het algemeen en in het hbo in het bijzonder, brengt mij op een aantal vragen over de waarde van MOOC research voor het hbo waarop ik vooralsnog geen antwoorden heb:
  • Hoe waardevol is MOOC-as-a-subject research in isolatie voor ontwikkeling van kennis over educatie in het algemeen en de invloed van openheid op (kwaliteit van) onderwijs in het bijzonder? Dit mede omdat MOOC een slecht gedefinieerd begrip is (wat is Massive? wat is open?)
  • Hoe kan het hbo (beter) profiteren van MOOC-as-a-subject, publish research?
  • Hoe belangrijk zijn open licenties bij MOOC’s voor het hbo (vanuit de reuse gedachte)?
  • Zou OER-as-a-subject research (zowel publish als reuse) niet beter aansluiten bij de huidige behoefte binnen het hbo?
Voor “mijn” instituut (Fontys Hogeschool ICT) weet ik de antwoorden wel. Ik ben benieuwd naar de antwoorden bij andere instituten, zowel binnen Fontys als daarbuiten.

 

Rapport Preparing for the Digital University


Deze week verscheen het rapport Preparing for the Digital University, gemaakt in opdracht van en gefinancierd door de Bill and Melissa Gates Foundation. Een van de hoofdauteurs is George Siemens, executive director van het  Learning Innovation and Networked Knowledge Research Lab aan de University of Arlington in Texas. Hij was in 2008, samen met Stephen Downes, de founding father van de eerste MOOC die er gegeven werd (CK08). Verderop in deze blogpost kom ik hierop terug.
Het rapport is het laatste resultaat van het bredere MOOC Research Initiative (MRI). Dit initiatief beoogt  to explore the potential of MOOCs to extend access to postsecondary credentials through more personalized, more affordable pathways.
De subtitel van het rapport luidt: a review of the history and current state of distance, blended, and online learning. Op deze wijze beogen de auteurs een overzicht te geven van de wetenschappelijke onderzoeken die er tot nu toe hebben plaatsgevonden en die van nut kunnen zijn voor verdere ontwikkeling van MOOC’s en digitaal leren.
Het rapport kent de volgende hoofdstukken

  • The history and state of Distance Education. Uit de door hen bestudeerde research literatuur concluderen ze dat “distance education, when properly planned, designed, and supported by the appropriate mix of technology and pedagogy, is equivalent to, or in certain scenarios more effective than, traditional face-to-face classroom instruction. This highlights the importance of instructional design and the active role of institutions play in providing support structures for instructors and learners.” (accentuering door mij aangebracht). Dit omschrijven ze wat uitgebreider in negen observaties over o.a. studenttevredenheid en kwaliteit van research op dit terrein.
  • The history and state of Blended Learning. Ze omschrijven Blended learning (BL) als een mix van traditioneel face2face onderwijs en online leren. Persoonlijk vind ik dat hier wat snel over het verschil tussen onderwijs en leren wordt heengestapt. Hun conclusie: “The findings suggest that advances in technology have fueled the development of BL from a grassroots practice to an emerging research field. The implementation of BL practices by including both online and f2f modes of delivery positively influence student performance, making BL an attractive educational provision. At present, the field of BL is still dependent on the modes of delivery it is derived from, drawing heavily on OL in both theory and in practice. The field of BL is a dynamically changing area, and much of the critique of the existing research noted here is likely to be rapidly addressed in future work. That being said, a critical overview of the field suggests that it can further mature by adopting a digital learning perspective in its own activities.”
  • The history and state of Online Learning. Hun conclusie: “Except for showing no significant difference in effectiveness of online learning compared to traditional face-to-face settings, the studies within the first theme (RS: comparison of online learning with the traditional classroomalso provided directions for further research, necessary to better understand what practices work best in online settings. Our findings further indicate that contemporary research into online learning almost univocally agrees that structured online discussions with clear guidelines and expectations, well-designed courses with interactive content and flexible deadlines, and continuous instructor involvement that includes the provision of individualized, timely, and formative feedback are the most promising approaches to fostering learning in online environments. However, this also implies a more complex role for the instructor in online settings, and a need for research on instructional strategies that would allow for the development of student self-regulatory skills.” (accentuering door mij aangebracht). Deze conclusie geeft inzicht in de eisen die je aan een online leeromgeving mag stellen, maar lijken me ook nogal vanzelfsprekend. Het illustreert wel de complexiteit van het aanbieden van online leren.
  • The history and state of Credentialling and Assessment. Gegeven het eerder beschreven doel van het MRI is dit een logisch onderdeel van deze studie. In hun studie wijzen ze o.a. op het grote verschil tussen Europa en de US op dit gebied: Europa heeft een Bologna accoord en het daaruit ontstane ECTS systeem. Dat geeft een solide basis voor breder erkennen van elders behaalde studiepunten. Hun conclusie luidt dat in de laatste 20 jaar er een spanning is ontstaan tussen enerzijds de wens naar standaardisatie van hoe credentialsmoeten worden gemeten en anderzijds de vele mogelijkheden die er zijn ontstaan om deze standaardisatie te realiseren. De voornaamste onderzoeksgebieden die zij onderkennen zijn:
    • student engagement and learning success,
    • MOOC design and curriculum,
    • self-regulated learning and social learning,
    • social network analysis and networked learning, and
    • motivation, attitude and success criteria

In hun voorwoord trekken de auteurs al de volgende conclusie:

During the process of completing this report, it became clear to us that a society or academic organization is required to facilitate the advancement and adoption of digital learning research. Important areas in need of exploration include faculty development, organizational change, innovative practices and new institutional models, effectiveness of teaching and learning activities, the student experience, increasing success for all students, and state and provincial policies, strategies, and funding models.

Ofwel: veel activiteiten op diverse gebieden zijn nodig om de verdere ontwikkeling van digitaal leren (al dan niet met MOOC’s) effectief te laten zijn. Wie of wat daarbij het voortouw zou moeten nemen is niet aan te geven, maar gezien de omvang en breedheid van activiteiten denk ik dat nog meer samenwerking, tussen instellingen, tussen instellingen en overheden, nationaal en internationaal, onderzoek én implementatie, noodzakelijk is.
Na het verschijnen van dit rapport verscheen er stevige kritiek van Stephen Downes op de opzet en de gebruikte onderzoeksmethode. Zoals in mijn inleiding al aangegeven waren ze partner in crime in 2008. “This is a really bad study” waren de woorden van Downes. Dit leidde tot een serie blogposts van Downes en Siemens met woord en weerwoord die tot op dit moment loopt en ongetwijfeld nog zal worden voortgezet met nu Siemens aan zet. De discussie spitst zich toe op de volledigheid van de literatuurstudie, onvoldoende onderbouwen van evidence en onvoldoende aandacht geven (in de ogen van Downes) aan de ontwikkelingen, waarvan hij en Siemens aan de wieg stonden. In chronologische volgorde:

 

Global meeting Open Education Consortium 2015

Van 22 t/m 24 april werd in het wonderschone Banff in Canada de jaarlijkse Global meeting van het Open Education Consortium (OEC) gehouden.
Voorafgaand aan deze meeting hield het Global OER Graduate Network (GO-GN) haar inmiddels 4e tweedaagse seminar. Twaalf PhD-onderzoekers presenteerden daar hun research plan (de nieuwkomers) danwel resultaten van hun onderzoek (de gevorderden). Voor de gevorderden was het een repetitie voor de presentatie die ze tijdens het congres in een speciale research track moesten geven. Alle onderzoekers kregen feedback van hun peers en de aanwezige supervisors van UNED, OU-UK, Fred Mulder en ondergetekende. Een diversiteit aan nationaliteiten (Spanje, Portugal, Nederland, Griekenland, India, China, Frankrijk, Zuid-Afrika en Israel) en onderwerpen (van Ecosystems for OER in Healthcare tot Recommendations on formative assessment and feedback practices for stronger engagement in MOOCs) passeerden de revue. De bij het congres aanwezige UNESCO OER hoogleraren gaven op de tweede dag acte de presence voor een open discussie over open en OER met de aanwezigen.
>> Slides GO-GN seminar
>> Geselecteerde papers in special issue Openpraxis
Omdat ik tijdens het congres niet alle presentaties kon volgen kreeg ik geen goed beeld van wat de overall thema’s waren die er speelden. Ik heb daarom de abstracts die op de website gepubliceerd zijn geanalyseerd. Dat gaf het volgende beeld.

Presentaties naar thema

De 97 presentaties van het congres waren in een aantal categorieën ingedeeld. De volgende figuur geeft het aantal presentaties per categorie.

Presentaties naar afkomst

De volgende figuur geeft het aantal presentaties, verdeeld naar continent. Omdat drie presentaties auteurs uit twee landen had komt het aantal drie hoger uit dan hiervoor.

 
 
 
 
 
 
Opvallend hier is het relatief grote aantal presentaties uit Afrika. Het merendeel daarvan was afkomstig van het ROER4D project.

OER, MOOC of allebei?

Afgaand op de titel en de abstracts van de presentaties gaf dit het volgende beeld

Trefwoord →

 
 Categorie↓

OER (incl. OCW en open textbooks)

MOOC OER & MOOC Open Education (incl. Open Educational Practices)

Geen van deze begrippen

Innovation

7

1

1

5

1

Evidence of impact

6

2

1

Strategy

15

3

3

5

Implementation

6

3

2

3

Pedagogy & Design

8

3

1

4

Research track ROER4D & GO-GN

11

2

4

Totaal

53

14

1

11

18

Uit dit overzicht blijkt het relatief grote aantal presentaties over OER ten opzichte van MOOC’s. Mocht uit de overstelpende aandacht voor MOOC’s in de afgelopen jaren worden geconcludeerd dat OER een gepasseerd station is, dan leert deze conferentie wel anders.

Aantallen per thema

Analyse van de abstracts gaf een beeld van de belangrijkste thema’s die in de presentaties aan bod kwamen. Er was een duidelijke top-4:

Thema

Aantal

Adoptie van OER (hindernissen, aanpak)

19

Open policy (mapping projects, effecten, aanpak, zowel op nationaal als op instellingsniveau)

14

Toepassingen van open learning

8

Support voor (her)gebruik van OER

7

Opvallend was het gering aantal presentaties over meer maatwerk leren (4) en learning analytics (2). Met name dat laatste viel op, omdat dit in 2014 bij de OEGlobal een veelbesproken thema was in de presentaties.
Nynke Bos van de UvA heeft over dit congres een impressie geschreven met aandacht voor wat OER voor onderwijs kan betekenen.
Naast mijn betrokkenheid bij het GO-GN seminar ben ik ook actief geweest in twee workshops. Samen met o.a. Willem van Valkenburg en Martijn Ouwehand van de TU Delft verzorgden we een introductie in Open Education voor leden van het OEC die nog weinig ervaring hebben met projecten in die sfeer. Tevens verzorgde ik een workshop rondom het binnenkort te lanceren Information Center (IC) van het OEC. Dit IC moet een vraagbaak worden voor iedereen die informatie zoekt over Open Education. Binnen mijn lectoraat is dit ook één van de hulpmiddelen die ik wil ontwikkelen om docenten die met OER aan de slag gaan te kunnen ondersteunen bij problemen. Mede daarom ben ik voorzitter van de werkgroep binnen het OEC die dit moet gaan realiseren.

Is een SPOC open? The sequel

Wilfred Rubens heeft in zijn blog uitgebreid gereageerd op mijn vorige blogpost over de openheid van een SPOC. Hier mijn reactie.
Ik denk dat we het op veel punten eens zijn, maar er blijven bij mij wel wat vragen over naar aanleiding van jouw reactie. Hier puntsgewijs.
De term SPOC gebruiken om mee te liften is helaas een feit in sommige situaties. Maar dat gebeurt ook met MOOC’s. Ik heb aanbod gezien onder die term die nog niet eens vrije (gratis) toegang had. Behalve de marketingreden die jij noemt is dat ook (zoals ik eerder al opmerkte) een gevolg van het slecht gedefinieerd zijn én de vele opvattingen die er over “open” bestaan. De term om die reden niet gebruiken (zoals Willem van Valkenburg ook suggereert) is wel erg radicaal (dat gebeurt ook niet met MOOC’s ondanks het misbruik van die naam). Ik heb overigens net zoveel moeite met het gebruik van de term in de situaties die jij schetst waar de vrije toegang er niet eens is (in mijn kenmerken voor open staat die ook niet voor niets als een apart onderscheidend kenmerk).
Een nieuwe term voor open SPOC’s verzinnen (Willem suggereerde openSPOC; ik dacht aan SPOOC) zal de duidelijkheid niet echt verhogen. “Open course” vind ik echter weer te algemeen (los van het feit dat het je niet ontslaat van de plicht ook dit begrip goed te omschrijven). Ik denk dat velen daar het onderscheid tussen wat bekend staat als “open courseware” en “open course” niet zullen maken (zie bijvoorbeeld de omschrijving van het open course aanbod van Yale). Zoals je al opmerkt: een cursus volgen (onderwijs krijgen) is meer dan alleen de content bekijken (cf wat het 5COE-model ook aangeeft). (Een terzijde: jouw opmerking “‘vroeger’ noemden we deze cursussen open courseware” is onwaar: het onder een open licentie beschikbaar gestelde cursusmateriaal kreeg en krijgt nog steeds die benaming; de totale cursus, dus inclusief de services en onderwijsinspanning is nooit open courseware genoemd). Zelf de term niet gebruiken voorkomt niet dat de term wel in zwang is. Al bij voorbaat SPOC’s uitsluiten wanneer het over open onderwijs gaat (de inhoud van de tweet waarmee deze discussie startte) miskent initiatieven zoals die van de Universiteit Leiden die ook onder die noemer worden gepresenteerd.
Mede door de opmerkingen van jou en Pierre Gorissen merk ik dat ik zelf nog worstel met het “tenminste één” deel van mijn opvatting over open. In mijn eigen blog gaf ik al aan wellicht nog een kenmerk te moeten toevoegen (toegang verlenen (al dan niet in beperkte vorm) aan belangstellenden die niet geregistreerd staan als student bij de aanbiedende instelling). Pierre en jij schetsen situaties die ik ook niet als open zou bestempelen, ondanks dat het strikt genomen wel aan mijn opvatting zou voldoen. Wellicht dat een aantal kenmerken zwaarder weegt dan andere kenmerken? (Ook hier een terzijde: onder “open toegang” versta ik “geen eisen aan vooropleiding” en niet “vrij beschikbare toegang”; ik weet niet zeker of jij dat ook voor ogen had in jouw voorbeeld, maar dat doet er voor jouw argumentatie verder ook niet toe). Daarnaast maakte Darco Jansen ook erg zinnige opmerkingen die ergens in mijn opvatting een plaatsje moet krijgen. Ik worstel nog even verder (maar emergo ;-)).
Juist vanwege de vele opvattingen die er over “open” bestaan en het slecht gedefinieerd zijn van termen zou daarom steeds in specifieke situaties de dialoog moeten gaan over verduidelijking, startend vanuit je eigen opvatting over open en alle terminologie er omheen. Bij mij zou een dialoog dan uitgaan van de opvattingen uit het 5COE-model en de 5R. De dialoog zou dan gaan over of en zo ja welke vormen van openheid welke voordelen kunnen hebben in de specifieke situatie. Bij jou zou wellicht een ander model jouw startpunt zijn. Dat geeft ook niet, zolang die opvattingen open (;-)) gedeeld kunnen worden en (nog veel belangrijker) duidelijk(er) wordt wanneer welke vormen van openheid wel en welke niet een toegevoegde waarde hebben. Ik denk dat we daarmee de open beweging en de invloed ervan op de kwaliteit van het onderwijs echt verder helpen.
Deze aanpak lost de jungle aan termen en bijbehorend misbruik in de media niet op, maar draagt hopelijk wel bij aan een kritische houding tegen deze termen door bewustwording bij stakeholders, waardoor de merites van deze innovaties ook duidelijk worden.