Eerste resultaten stimuleringsregeling open en online onderwijs


Bij de eerste ronde van de stimuleringsregeling open en online onderwijs in 2015 werden 11 aanvragen gehonoreerd. Deze projecten zijn afgerond. Deze week verscheen een publicatie van SURF Checklist Aan de slag met open en online onderwijs waarin 9 geleerde lessen uit die projecten zijn geformuleerd.
>> Download publicatie
In deze publicatie staan de 11 projecten benoemd, met links naar de resultaten. Een soortgelijk overzicht staat ook op de website van SURF. In dat overzicht staan details van 8 van de 11 projecten. Omdat ik wilde weten waar dat verschil in aantal door te verklaren was en ook meer wilde weten over de openheid van de projectresultaten heb ik de resultaten nader bekeken. Janina van Hees, die vanuit SURF de stimuleringsregeling begeleidt, heeft me op aanvraag extra informatie gestuurd. Dit waren mijn bevindingen.

  • De 3 projecten die ontbreken in het overzicht op de website zijn Flipping the master (Erasmus Medisch Centrum), Data Science voor Alfa en Gamma (Universiteit Tilburg) en Open leerplatform met anatomische content (LUMC). De verwachting is dat de resultaten van de eerste twee genoemde projecten binnenkort ook via dat overzicht op de website toegankelijk worden. De reden waarom dat laatstgenoemde project ontbreekt in de overzichtstabel is mij niet duidelijk geworden.
  • De meeste projecten hebben keurig voldaan aan de eis dat ontwikkeld materiaal onder een Creative Commons licentie beschikbaar worden gesteld.
  • Een aantal projecten (waar het ontwikkeling van een MOOC betrof) heeft de voor die MOOC’s ontwikkelde video’s ook beschikbaar gesteld op Youtube, zodat deze materialen ook toegankelijk zijn zonder de plicht je eerst te moeten registreren voor die MOOC. Voor publicatie zijn diverse Creative Commons licenties gebruikt.
  • Soms is de licentie bij de bronnen niet duidelijk. Bijvoorbeeld bij de video’s van de MOOC FFESx van de Wageningen University is de licentie volgens het overzicht op de website van SURF CC BY-NC-ND, maar bij de video’s in Youtube staan geen licenties vermeld (afgezien van de trailer). Bij het project Denken, delen, doen van de NHL en de Haagse Hogeschool is een reader beschikbaar gesteld. In die reader ontbreekt de Creative Commons licentie. Daardoor is onduidelijk of en onder welke voorwaarden de artikelen in die reader mogen worden hergebruikt.
  • Bij het project Responsible Innovation van de TU Delft zijn cursussen ontwikkeld die niet vrij beschikbaar zijn. Janina van Hees meldde me dat de cursusmaterialen na de eerste run van die cursussen als Open Courseware beschikbaar komen. Voor het e-book dat onderdeel is van dit project staat in de colofon “© March 2016”. Het lijkt erop dat die publicatie niet onder een Creative Commons licentie is gepubliceerd.

Wat betreft de kwaliteit van de inhoud van de cursussen voel ik me niet capabel genoeg daar een uitspraak over te doen. Echter, voor mij springt het project Basisbeginselen statistiekonderwijs van de Universiteit Utrecht er uit. Prachtig materiaal, mooie opzet en dito inhoud. Een pareltje wat mij betreft!

Geleerde lessen

De publicatie vermeldt ook negen, veelal unaniem, gedeelde ervaringen uit de projecten, geformuleerd als aanbevelingen. Zes ervan betreffen online onderwijs, drie ervan open leermaterialen. Die laatste drie aanbevelingen zijn

  1. Steek als instelling én als overheid energie in het promoten van open onderwijsmateriaal.
  2. Maak gebruik van reeds beschikbaar open leermateriaal.
  3. De bibliotheek wil je graag helpen. Maak er gebruik van.

Bij aanbeveling 2 wordt gepleit voor “een ‘meta-platform’ dat een overzicht zou kunnen bieden van open leermateriaal dat inmiddels al gemaakt is door Nederlandse hogeronderwijsinstellingen. Het platform moet meer zijn dan een verzameling links naar repository’s, maar minder dan een database met individuele leerobjecten.” Dit platform bestaat er in potentie al: Wikiwijs. In deze blog beschrijf ik in meer detail de mogelijkheden van dit platform (en meer) die in het boegbeeldproject hbo verpleegkunde worden gebruikt. Daarnaast is SURF ook bezig met ontwikkelingen aan het platform Sharekit, waardoor delen van leermaterialen via dat platform mogelijk wordt. Welke functionaliteiten daar op termijn precies zullen worden aangeboden is nog niet duidelijk.

Vervolg

Momenteel kan voor de 4e ronde van de stimuleringsregeling worden ingeschreven. Ten opzichte van de voorgaande edities zijn er flinke wijzigingen. Zo is er meer geld beschikbaar (€ 1.1M) en worden twee categorieën (pijlers) onderscheiden: open leermaterialen (met focus op vakcommunities) en online onderwijs (met focus op peer feedback en peer assessment). Uit de voorwaarden van deze regeling kan worden afgeleid dat, wanneer er geen leermaterialen worden ontwikkeld, bij de laatste pijler projecten niet per se hoeven bij te dragen aan open onderwijs om toch in aanmerking te komen voor subsidie. Persoonlijk vind ik dat jammer; de intentie van de regeling was indertijd stimuleren van openheid in onderwijs. Voor de duidelijkheid kan daarom de regeling beter worden hernoemd naar Stimuleringsregeling open en/of online onderwijs.

OER en commercie, strange bedfellows?


Deze blog is een co-productie van Ben Janssen en mijzelf.

Inleiding

De Open Education beweging is inmiddels 15 jaar oud. Een van de onderwerpen waarover nog steeds flink wordt gediscussieerd is hoe het maken en verspreiden van Open Educational Resources (OER) voor het onderwijs rendabel zou kunnen worden.
In de VS lijkt de onderneming Lumen Learning, mede opgericht door een van de grondleggers van de OER-beweging David Wiley, een businessmodel rond Open Educational Resources te hebben ontwikkeld dat perspectiefvol is. De onderneming heeft enerzijds een investering van $ 3,75 miljoen ontvangen van zogenaamde angel investors en is anderzijds een alliantie aangegaan met Follett, een onderneming die leermiddelen voor het onderwijs distribueert. Via deze twee lijnen hoopt Lumen Learning een versnelling te bewerkstelligen in de adoptie van OER door onderwijsinstellingen in de VS. Voor meer informatie over deze samenwerking: zie het persbericht en de blogpost van David Wiley.
In een eerdere blogpost is Lumen Learning beschreven als “Het richt zich op ondersteuning van onderwijsinstellingen die stappen willen zetten met implementeren van een OER-aanpak.”. David Wiley karakteriseerde het als A Red Hat for OER: het bedrijf biedt, naast OER, ondersteunende diensten aan om onderwijsinstellingen te helpen bij de adoptie van OER (publiceren, maar vooral ook hergebruik). Ze hebben daarnaast beschikbare OER uitgebreid met resources als quizzes, die echter vaak niet als OER beschikbaar zijn.
Al vrij snel na het bekend worden van de plannen van Lumen Learning ontspon zich op internet een discussie over het nieuwe businessmodel van Lumen Learning (bijvoorbeeld Stephen Downes (hier en hier),  Phil Hill, Michael Feldstein, en een reactie van David Wiley). Die discussie richtte zich met name op de vraag of de OER hierdoor alleen beschikbaar zou komen worden voor de scholen en/of lerenden die ook de betaalde services en aanvullende materialen afnemen. Dat blijkt niet het geval te zijn, de OER blijven door hun open licenties voor iedereen vrij beschikbaar.

Vraagstelling en analyse

Een vraag die nog niet is opgeworpen en die ons inziens belangrijk is:

Is OER bruikbaar voor docenten (en instellingen) zonder dat men aanvullende diensten van een onderneming als Lumen Learning/Follett hoeft af te nemen?

Om deze vraag te kunnen beantwoorden grijpen we terug naar een artikel over OER en businessmodellen die we voor het SURF SIG OER trendrapport 2013 hebben geschreven. In dit artikel gebruiken we het Business Model Canvas van Osterwalder en Pigneur om te modelleren welke invloed publiceren en hergebruiken van OER heeft op een (publiek bekostigde) universiteit. In de volgende figuur is in rood aangegeven welke gevolgen een dergelijke verandering heeft op het businessmodel (klik op de figuur om een grotere versie te bekijken; opent in een nieuw venster)

Voor deze blogpost zijn vooral de wijzigingen onder Key Resources voor docent en ondersteuner en onder Revenue streams van belang bij hergebruik van OER:

  • Docent wordt docent +: de + is een awareness van de mogelijkheden van OER en de capaciteiten om van die mogelijkheden gebruik te maken
  • Ondersteuners wordt ondersteuners +: de + zijn de kennis en vaardigheden die direct samenhangen met de beleidsbeslissing, zoals ondersteuning bij zoeken en aanpassen
  • Revenue streams: de bijdrage van studenten voor aanvullende diensten bij OER.

Voor onze beschouwing zijn de volgende dimensies van belang:

  • De OER zijn voor een docent wel of niet beschikbaar met betaalde aanvullingen en diensten. OER zonder die aanvullingen vind je veelal bij open repositories (zoals Wikiwijs, OERCommons, Merlot). Als docent vind je daar leermaterialen in grofweg twee vormen: geordend in een leerlijn (bijvoorbeeld als open textbook) of niet geordend in een leerlijn. OER met betaalde aanvullingen geeft de situatie weer die ontstaat bij de deal tussen Lumen Learning en Follett. Bij deze situatie kun je onderscheid maken tussen de bruikbaarheid van OER voor de docent met of zonder die aanvullingen. Deze bruikbaarheid kan laag zijn wanneer bijvoorbeeld de OER alleen excerpten uit een leerlijn zijn (vergelijk Google Books, waar slechts enkele pagina’s per boek aangeboden worden).
  • Een docent heeft al dan niet tijd, kennis/kunde en middelen ter beschikking (zowel via eigen kennis en vaardigheden als via aanwezige ondersteuning) om beschikbare OER aan te passen aan zijn situatie

We nemen in onze overweging de aanname dat de OER open beschikbaar zijn voor iedere belangstellende, onafhankelijk of hij/zij betaalt voor de aanvullende diensten. Indien dit niet zo is (zoals hier het geval lijkt te zijn), mogen de aangeboden leermaterialen per definitie geen OER genoemd worden.
Beide dimensies gecombineerd geeft de volgende te onderscheiden situaties A t/m E waar het gaat om hergebruik van OER:

  OER zonder (betaalde) aanvullingen en diensten OER met (betaalde) aanvullingen en diensten
Bruikbaar zonder Niet bruikbaar zonder
Wel aanvullen door docent A. Optimaal vanuit open standpunt bezien B. Keuze-alternatief: make or buy
Niet aanvullen door docent C. Suboptimaal wanneer de OER as-is niet 100% aansluit bij de context van de docent D. Keuze-alternatief: buy or not E. Mogelijkheid, maar niet gratis

Een beschrijving van de situaties:

  1. De beschikbare OER zijn voldoende voor een docent om het (optimaal) te kunnen inzetten in zijn of haar situatie, al dan niet na aanpassing ervan. Wanneer men het heeft over publiceren en hergebruiken van OER, dan heeft men in de meeste gevallen (veelal impliciet) deze situatie voor ogen. De mogelijkheid dat extern gespecialiseerde diensten kunnen worden ingekocht, kan de adoptie van OER in een instelling wel versnellen.
  2. Een docent/instelling heeft de keuze: ofwel de aanvullingen worden door een docent zelf gemaakt, ofwel de docent/instelling besluit om de aanvullingen te kopen.
  3. Alleen wanneer de beschikbare OER een bijna 100% fit hebben met de context van gebruik is de situatie vergelijkbaar met situatie A. In de praktijk zullen echter OER moeten worden aangepast aan de eigen context voor een optimale fit. Wanneer die aanpassingen niet gedaan kunnen worden zorgt gebruik van OER voor een suboptimale onderwijssituatie.
  4. Wanneer de aanvullende materialen en diensten de beschikbare OER meer passend kunnen maken bij de gegeven context kan een docent/instelling besluiten daarvoor te betalen om zo een situatie te creëren die vergelijkbaar is met situatie A.
  5. In deze situatie is gebruik van OER financieel vergelijkbaar met gebruik van niet-open leermateriaal. Het voordeel van de OER-situatie moet dan liggen in de grotere mogelijkheden om de leermaterialen (via de aanvullingen en met aanschaf van diensten) aan te passen aan de specifieke context van gebruik, zonder dat aan de leermaterialen licentiekosten zijn verbonden.

Bij de situaties B, D en E ontstaat de vraag: wie betaalt de rekening: de instelling, de studenten, of de samenleving? Dat laatste is bijvoorbeeld het geval wanneer aanschaf van leermaterialen door de overheid gefinancierd wordt (zoals bij de Wet Gratis Schoolboeken in het VO). Wanneer de instelling betaalt, verschuift in het businessmodel de post “bijdrage lerenden/organisaties voor aanvullende diensten rond OER” naar Cost Structure.

Onze conclusie

Uiteindelijk zijn OER geen doel op zich, maar zullen zij moeten bijdragen aan verhoging van de kwaliteit van onderwijs. Ons onderzoek van vorig jaar onderschrijft dit doel, maar leerde ook dat voor adoptie van OER onder meer awareness, tijd en ondersteuning nodig is. Wanneer met dergelijke publiek/private constructies adoptie vergroot kan worden, is dat een goede zaak, mits te allen tijde de OER vrij beschikbaar zijn en de 5R rechten kunnen worden uitgeoefend. Daarmee hebben een docent en instelling een keuze: investeren in professionalisering van docenten en ondersteuners (om de “+” uit het businessmodel te realiseren) en/of inkopen van de aanvullingen en diensten.
<Update>
Willem van Valkenburg wees ons in een reactie op de beperktheid van de conclusie:

(NB: CC in zijn reactie is Community Colleges). Hij heeft gelijk: de beschreven doelstelling, en daarmee ook de conclusie, geldt in Nederland (waar ook het onderzoek waaraan we refereren is uitgevoerd). Deze beperking had wat duidelijker mogen worden vermeld, waarvan akte.
</Update>
In Nederland hanteert stichting VO-Content feitelijk een dergelijk businessmodel in het voortgezet onderwijs. VO-Content bestaat al zes jaar en haar aanpak is om OER (geordend in open beschikbare leerlijnen, meer en meer via Wikiwijs) met aanvullende diensten en materialen beschikbaar te stellen. De kosten hiervoor (€7 per leerling per jaar) betalen de scholen uit de Rijksbijdrage voor leermaterialen (€320 per leerling per jaar). Scholen zijn echter niet verplicht deze kosten te betalen als ze gebruik maken van de OER.

Tenslotte

Om te eindigen een aanrader. Deze week verscheen het langverwachte boek Made With Creative Commons van Creative Commons. In dit gratis te downloaden boek zijn 24 case study’s beschreven van open businessmodellen, uit allerlei gebieden (zoals onderwijs, kunst, muziek). Uit de Introduction:

This book shows the world how sharing can be good for business—but with a twist. (…) Those we interviewed were not typical businesses selling to consumers and seeking to maximize profits and the bottom line. Instead, they were sharing to make the world a better place, creating relationships and community around the works being shared, and generating revenue not for unlimited growth but to sustain the operation.”

Regionale consultatie Europa voor 2e World Congress OER


Ter voorbereiding op het 2e World Congress on OER werd van 23-24 februari op Malta een Regional Consultation gehouden. “Regional” in UNESCO-termen betekent hier Europa. Eerder was er al een consultatie in Azië (resultaten hier en hier) en er volgen er nog in het Midden-Oosten & Noord-Afrika, Afrika, Noord- en Zuid-Amerika en de Pacific.
Het eerste World Congress on OER in 2012, Parijs leidde tot de Paris OER Declaration, waarin overheden zich committeerden om awareness rond OER te verhogen en gebruik ervan te stimuleren. Het thema van het 2e World Congress luidt: OER for Inclusive and Equitable Quality Education: From Commitment to Action. In dat thema is de UNESCO Sustainable Development Goal 4 terug te vinden “ensure inclusive and equitable quality education and promote lifelong learning opportunities for all“. Maar ook is daaruit af te lezen dat het tijd wordt voor actie om met name brede adoptie te realiseren, wil OER echt een bijdrage kunnen leveren aan het bereiken van die doelstelling in 2030.
In Malta waren ruim 60 personen aanwezig, variërend van ministers, beleidsmedewerkers van ministeries, NGO’s, UNESCO, Commonwealth of Learning en onderwijsinstellingen, tot docenten en onderzoekers uit een diversiteit aan Europese landen en enkele daarbuiten (Canada en Korea).

Enkele resultaten

Naast enkele algemene presentaties was de hoofdmoot van de bijeenkomst gereserveerd om in vijf subgroepen aanbevelingen voor acties te genereren rond vijf actielijnen:

  1. Capacity of users to access, re-use, and share OER
  2. Language and cultural barriers
  3. Ensuring inclusive and equitable access to quality content
  4. Changing business models
  5. Development of appropriate policy solutions

De focus lag op de Europese context en daarbinnen op alle formele onderwijssectoren (van PO t/m HO) en het levenlang leren domein. Stakeholders voor deze aanbevelingen zijn onder meer de Europese Commissie, nationale overheden, onderwijsinstellingen en docent-, student-, werkgevers-, werknemers- en ouderorganisaties.
Een aantal aanbevelingen werd door meerdere subgroepen genoemd:

  • Creëer beleid op OER op zowel nationaal als instellingsniveau. Help elkaar daarbij: doe tekstvoorstellen aan overheden, maak gebruik van wat er al aanwezig is aan beleidsdocumenten en toolkits (zie bijvoorbeeld hier) en deel de beleidsplannen (al dan niet in draft) in de OER Policy Registry.
  • Creëer een nationaal platform voor delen van OER en ervaringen ermee en verbind die platformen met elkaar.
  • Zorg ervoor dat de grote meerderheid van docenten zich bewust wordt van de (on)mogelijkheden en meerwaarde van OER en ondersteun ze bij de toepassing ervan in hun dagelijkse werk. Maak OER een verplicht onderdeel van de initiële docentopleiding en Continuous Professional Development programma’s.
  • Overheden en instellingen moeten dezelfde kwaliteitseisen opleggen aan OER als aan andere leermiddelen. OER moet onderdeel worden van accreditatieprogramma’s en QA-schema’s (bijvoorbeeld ENQA voor hoger onderwijs)
  • Wees meer open over “open”: maak gebruik van de rol die MOOC’s kunnen spelen als change agent om OER-gebruik te stimuleren, verbind OER aan ontwikkelingen als Open Educational Practices en Open Pedagogy. Zoals in één groep werd geformuleerd: Open education is the goal, OER is a catalyst
  • Geef aandacht aan publiek-private samenwerking rond OER.
  • Stimuleer en ondersteun onderzoek naar evidence van effecten van OER op het onderwijs
  • Vergroot kennis van OER en hun (on)mogelijkheden bij vertegenwoordigingen van ouders, werknemers (zoals vakbonden), studenten en docenten

De subgroep waarin ik participeerde hield zich bezig met aanbevelingen voor actielijn 1: Capacity of users to access, re-use, and share OER. Enkele aanbevelingen die daarin zijn geformuleerd (naast degene die hiervoor al zijn genoemd onder deze actielijn):

  • Verbind kennis van (on)mogelijkheden van OER met agenda’s over digitale geletterdheid/21st century skills
  • Maak gebruik van tools en infrastructuren die binnen Europa al aanwezig zijn (zoals standaarden en metadata harvesters). Om dat aanbod te verhogen: verbeter transfer van resultaten uit (met name) EU-projecten naar duurzame implementatie
  • Alloceer een budget specifiek voor OER, zowel Europees (i.p.v. het onderdeel te laten zijn van programma’s als Horizon2020 en Erasmus+) als nationaal
Een overzicht van alle resultaten en opnames van de presentaties komt later beschikbaar. De gebundelde resultaten van alle regional consultations vormen de input voor het World Congress in september.

En verder
Hoewel er in de presentaties weinig aandacht aan werd geschonken, was in de wandelgangen grote bezorgdheid te horen over de recente politieke ontwikkelingen in de US, Groot Brittanië en mogelijke gevolgen van verkiezingsuitslagen in Europa. De constatering dat er een steeds grotere neiging lijkt te zijn je als land te gaan afsluiten staat haaks op wat de beweging van OER voorstaat. Grotere adoptie van OER kan voor een geluid tegen deze trend zorgen.
Hoewel er onder de deelnemers bij deze bijeenkomst enkele jongere personen aanwezig waren, signaleerden we dat de meerderheid “grijze mannen en vrouwen” waren. Om de OER beweging levend(ig) te houden is aanwas vanuit de komende generatie nodig. Bij het uitnodigen voor het World Congress in september zou bij de uitnodiging nadrukkelijk kunnen worden gestimuleerd tenminste één persoon jonger dan 30 jaar aan de delegatie toe te voegen.
De meeste subgroepen kozen ervoor om in de buitenlucht hun discussies te houden. Dat levert dan, naast inhoudelijke resultaten, een plaatje op als hieronder.

De bij deze gelegenheden traditionele groepsfoto:

 
 

De waarde van open en open als waarde

In de maanden juli-december 2016 is, onder de vlag van mijn lectoraat OER bij Fontys Hogeschool ICT, door Ben Janssen en mijzelf een onderzoek uitgevoerd om de volgende vraag te kunnen beantwoorden:

Wat leidt tot c.q. is nodig voor een brede adoptie van delen van open leermaterialen en online cursussen en hergebruiken van open leermaterialen en cursussen door docenten in het bekostigde hoger onderwijs in Nederland?

Bij 4 universiteiten en 6 hogescholen zijn totaal 55 semi-gestructureerde interviews afgenomen met docenten, bestuurders en ondersteuners. Onderwerpen die tijdens de interviews aan bod kwamen betroffen ambities met onderwijs, beleid, opvattingen over openheid in het onderwijs, motieven voor delen en hergebruiken, ervaringen met delen en hergebruiken, hindernissen die werden ondervonden, noodzakelijke randvoorwaarden en invloeden die geïnterviewden vanuit hun omgeving ervaren.
>> Download rapport

Resultaten

Analyse van de interviews gaf de volgende resultaten:

  1. Praktijken van delen en hergebruiken zijn erg divers qua openheid. Lang niet altijd zijn gedeelde leermaterialen toegankelijk voor iedereen, vaak ontbreekt een open licentie en processen als copyright clearing vinden niet altijd plaats;
  2. Delen en hergebruiken van leermaterialen (al dan niet volledig open) gebeurt veel. Hierbij wordt vooral het bereiken van een hogere kwaliteit campusonderwijs nagestreefd;
  3. Feedback op gedeelde materialen is cruciaal voor de motivatie van docenten om structureel materialen te delen;
  4. Structureel delen en hergebruik binnen een instelling heeft meer kans van slagen wanneer het gekoppeld wordt aan andere beleidsthema’s zoals internationalisatie of aan onderwijsinnovaties zoals invoeren van blended leren;
  5. Bij een aantal instellingen is sprake van zich ontwikkelend beleid op het gebied van open delen en hergebruiken van leermaterialen;
  6. Docenten zijn onvoldoende bekend met aanwezigheid danwel inhoud van beleid;
  7. De autonomie van de docent in het bepalen om met delen en hergebruiken aan de slag te gaan wordt als cruciaal gezien en als zodanig herkend en erkend, zowel door bestuur als door docenten zelf;
  8. Delen en hergebruiken moeten uiteindelijk ten goede komen aan de student of een positief effect hebben op de efficiency van het onderwijs. Of en hoe dat daadwerkelijk gerealiseerd moet worden, is vaak nog niet duidelijk;
  9. Docenten geven aan dat stimulering in termen van geld, tijd en ondersteuning essentieel is voor hen om tot structureel gedrag van delen en hergebruiken te komen. Tevens moeten voor hen de antwoorden op de what’s in it for me vraag duidelijk zijn;
  10. Publiceren van MOOC’s wordt ervaren als een versneller voor de adoptie van open delen van materialen en cursussen binnen een instelling;
  11. Acceptatie van open delen en hergebruiken op instellingsniveau, zich uitend in beleid dat vertaald is naar concrete activiteiten en richtlijnen, beïnvloedt brede adoptie ervan door docenten positief.

Aanbevelingen

Op basis van deze resultaten zijn de volgende aanbevelingen geformuleerd om brede adoptie van open delen en hergebruiken te realiseren binnen een instelling:

  1. Maak de meerwaarde van open delen en hergebruiken duidelijk aan docenten;
  2. Zorg bij deze verandering van de beeldvorming rondom open delen en hergebruiken bij docenten voor ondersteuning vanuit de instelling: op ICT-gebied, juridische en onderwijskundige aspecten, facilitering in tijd, aanwezigheid van een veilige experimenteerruimte en een ondersteunende infrastructuur;
  3. Formuleer op faculteits-, instituuts- en instellingsniveau beleid op het gebied van open delen en hergebruiken dat de activiteiten die onder aanbeveling 1 en 2 genoemd worden mogelijk maakt;
  4. Koppel beleid inzake open delen en hergebruiken aan andere thema’s van onderwijsvernieuwing of aan thema’s als internationalisering.

Hoe verder?

In mijn lectoraat wil ik voortbouwen op deze resultaten en aanbevelingen. Zo wil ik verder onderzoeken in hoeverre een verbreding van openheid van materialen naar open pedagogy de what’s in it for me vraag voor docenten mede kan beantwoorden. De workshop die Martijn Ouwehand (TU Delft) en ik hebben ontwikkeld is daarbij een middel.
 

Toolkit workshop implementing open education


Open educational resources, open online courses (eventually “massive”) and open tools like blog, twitter and open forums offer a potentially rich source to use in education. It enables active learning and a more tailor-made approach of education. When teachers are aware of the opportunities open online education can offer, they are able to make an informed choice to use them optimal when designing a course. To enable this, basic knowledge of the many manifestations of openness in education is needed. In the end, their range of teaching methods is enlarged.
To realize this, together with Martijn Ouwehand (Delft University of Technology) under the umbrella of the SURF SIG Open Education, we have developed a workshop targeted at teachers who are interested in applying forms of openness into their lectures.
The objectives of the workshop are to raise awareness of the opportunities of openness and how to integrate them to achieve the optimal learning experience for the students. Open educational practices offers a base to connect openness to the daily practice of a teacher; this workshop tries to give the ideas more flesh and blood.
The workshop offers two approaches of how to use forms of openness in course design:

  • Reuse of open learning materials or open courses. This reuse can range from just reusing the idea behind a specific OER (not all 5R rights are necessary for this aim) to reusing  reworked and remixed OER (all 5R rights are necessary)
  • Expand openness to open tools and open platforms, using an open pedagogy. For this workshop we have adopted a revised version of the definition of open pedagogy by Hegarty.

This workshop was organized twice in 2016 under the umbrella of SURFacademy. Feedback from the participants was used to improve the resources of the workshop. This has resulted in a toolkit. The toolkit can be used by those interested in organizing this workshop in their own institution.
The toolkit consists of the following resources:

  • A script. This contains all information needed to organize the workshop (available as .pdf, .docx and .odt)
  • A course manual “Basics of open”. This manual is intended for self-study a basic course on openness in education (available as .pdf, .docx and .odt)
  • Slides “Workshop Implementing open education”. These slides can be used in the workshop (available as .pptx)
  • Two inspirational models.

All resources are published under a CC BY license. The toolkit is available in both Dutch and English and can be downloaded from here.
We intend to regularly update the toolkit, based on feedback of users. Feedback can be provided using this form.
We hope this workshop will add to widening adoption of forms of open online education by teachers.
 

UNESCO Chair on OER @Fontys


This week I received confirmation from UNESCO HQ in Paris of the establishment of a UNESCO Chair on OER at Fontys University of Applied Sciences. At the School of ICT of this institution, I am working as lector OER since June 2014. For those not familiar with the Dutch system of Higher Education: “lector” is the title for a professor at a university of applied sciences in the Netherlands. UNESCO agreed with the proposal of Fontys to appoint me as the Chairholder for this Chair. Of course, I feel grateful and proud about this.
The full title of the Chair provides a summary of the kind of applied and practice-based research I am currently conducting: Open educational resources and their adoption by teachers, learners and institutions. I am interested to find out what actions will lead to large-scale adoption by OER and open online courses (whether or not massive)  by (in Rogers’ terminology) the early and late majority of teachers in higher education.
Being appointed Chairholder does not change the subject of my research fundamentally, but it provides more opportunities to extend the research, in cooperation with the already existing Chairs on OER, to other regions of the world. I intend to explore opportunities with my collegue OER Chairholders of how to shape such an extension. I also expect to get involved in activities on OER that UNESCO will perform, e.g. those in preparation for the 2nd OER World Congress, next year in Slovenia. 
In the end the results of my research will contribute to realisation of UNESCO Sustainable Development Goal 4:

Ensure inclusive and equitable quality education and promote lifelong learning opportunities for all.

Massive sharing and reuse of OER and open online courses will contribute in reaching this goal because of its opportunities to lower access barriers to education. I am convinced that quality education is key to create a world where every single individual can develop and use his or her capabilities to contribute to a better world. I consider it an honor to have the opportunity to contribute to this goal. The label that UNESCO has provided recognizes the ambitions of Fontys and my own ambitions in this regard.
A disclaimer to end this post. The logo at the top of this post is provisionally assembled out of the two logos from UNESCO/Unitwin and Fontys. UNESCO will create a definite version of the logo for communication purposes. This final version can differ from the one in this post.

Opstellen van een Open Policy


In juli is een tweetal publicaties verschenen die nuttig kunnen zijn voor onderwijsinstellingen die een beleid op openheid van onderwijs (verder aangeduid als open policy) willen formuleren.
De meest uitgebreide publicatie is de OER Policy Development Tool, ontwikkeld door Amanda Coolidge (BC Campus, Canada) en Daniel DeMarte (Tidewater Community College, USA). Deze toolkit gaat uit van het ontwikkelen van een OER policy. Naast een introductie op de toolkit bevat het een drietal componenten. Ieder van die componenten bevat voorbeelden die een instelling kunnen inspireren of die kunnen worden overgenomen bij het formuleren van een eigen policy:

  • Aannames voor ontwikkelen van een instellingsbrede OER policy (zoals Having an institution-level OER policy signifies support from the leadership, and creates a safe environment for faculty to explore the potential of OER)
  • Onderwerpen voor een policy (doelstellingen, statements, licenties, procedures en verantwoordelijkheden, training en professionalisering, technische formats voor leermaterialen, kwaliteitsborging). Deze component bevat een tool waarmee bij ieder van de onderwerpen één of meer voorbeeldteksten kunnen worden geselecteerd die vervolgens in een draft versie van een policy document worden geplaatst
  • Bronnen met verwijzingen naar achtergrondinformatie (zoals voorbeelden van instellingen met een OER policy)

Ongeveer rond dezelfde tijd publiceerde de Commonwealth of Learning een template voor een OER policy. Dit (Word)document is een synthese van een drietal bestaande open policies op instellingsniveau. Niet verrassend worden daarin grotendeels dezelfde issues geadresseerd als bij de hierboven besproken toolkit. Bevindingen uit de toolkit kunnen worden gecombineerd met elementen uit de template om zo tot een policy-document te komen.
Uiteraard zullen beide publicaties niet tot een “druk-op-de-knop” beleidsdocument leiden. De informatie kan echter wel als input gebruikt worden in (beleids)discussies die moeten voeren tot aanscherpen van gedachten omtrent openheid binnen een onderwijsinstelling.
Beide publicaties ondersteunen formuleren van een OER policy, met OER in de opvatting van UNESCO resp. de Hewlett Foundation. In essentie komt die opvatting neer op (in de UNESCO-formulering)

…teaching, learning and research materials in any medium, digital or otherwise, that reside in the public domain or have been released under an open license that permits no-cost access, use, adaptation and redistribution by others with no or limited restrictions. Open licensing is built within the existing framework of intellectual property rights as defined by relevant international conventions and respects the authorship of the work.

Naast strikt leermaterialen kunnen dat ook open cursussen (al dan niet massive) of open tools zijn. En, vanwege de zinsnede “research materials“, vallen in deze opvatting ook open data, en open access publicaties onder deze noemer. Het is daarom, bij gebruik van deze tools, goed te bedenken dat in de uitwerking alleen de smallere opvatting “leermaterialen” wordt gebruikt. Er ontbreken bijvoorbeeld uitspraken over open delen van (research)data. Tenslotte gaat het in beide tools voornamelijk over delen van leermaterialen en niet of nauwelijks over hergebruik, hoewel in de aannames wel over hergebruik wordt gesproken. Beleidsuitspraken over hergebruik (bijvoorbeeld stimuleren ervan) moeten in mijn opvatting ook onderdeel zijn van een open policy document.
Wanneer deze aandachtspunten meegenomen worden zijn beide tools naar mijn mening goed bruikbaar als ondersteuning bij het formuleren van een open policy.
 

De OER Research Agenda en vier publicaties

De afgelopen weken is een aantal publicaties rond OER en MOOC’s verschenen die de moeite van het lezen waard zijn. In deze blogpost presenteer ik vier van deze publicaties. Ze kunnen alle ook beschouwd worden als input voor of aanvulling op de research agenda die de OER Research Hub aan het opstellen is. Middels een survey worden vragen voor verdere research verzameld. Op de onlangs gehouden Global Conference van het Open Education Consortium hebben ze de eerste resultaten gepresenteerd. De website van de Hub is under construction, dus deze slides zijn momenteel de enige bron.

Open educational resources and college textbook choices: a review of research on efficacy and perceptions

John Hilton III. Bron
Deze metastudie  adresseert de vraag of OER beter of minder is dan gesloten leermaterialen. Om in deze metastudie te worden meegenomen hanteerde de auteur vijf criteria:

  • OER is de belangrijkste gebruikte bron in de setting bij hoger onderwijs en wordt vergeleken met traditionele bronnen
  • Onderzoek is in een peer-reviewd journal gepubliceerd of maakt deel uit van een onderzoeksrapport van een instelling of is een proefschrift
  • Het onderzoek presenteert data over ofwel perceptie van docent/student van de kwaliteit van OER ofwel over de leeruitkomsten
  • Het onderzoek omvat tenminste 50 deelnemers en bevat duidelijk afgebakende resultaten naar subjecten en opinies over OER en-of effecten op leren
  • Het onderzoek is in het Engels gepubliceerd vóór oktober 2015

De auteur formuleert de resultaten als:

The collective results of the 16 studies discussed in this article provide timely information given the vast amount of money spent on traditional textbooks. Because students and faculty members generally find that OER are comparable in quality to traditional learning resources, and that the use of OER does not appear to negatively influence student learning, one must question the value of traditional textbooks. If the average college student spends approximately $1000 per year on textbooks and yet performs scholastically no better than the student who utilizes free OER, what exactly is being purchased with that $1000?

In de research agenda van de OER Hub wordt de vraagstelling naar effecten van OER op leren in diverse vormen gesteld:

  • What are the benefits of using open resources? (Comparisons with traditional, non-open resources)
  • What value does the “open” (as opposed to “free”) have in improving educational outcomes
  • Does the use of open educational resources lead to better student learning outcomes?
  • Does Open Educational Practices (OEP) create better, more sustainable learning outcomes?

The Advancing MOOCs for Development Initiative: An examination of MOOC usage for professional workforce development outcomes in Colombia, the Philippines, & South Africa

Auteurs: Maria Garrido, Lucas Koepke en Scott Andersen. Bron
Deze publicatie geeft de resultaten van een studie naar effecten van MOOC’s op professionele ontwikkeling in een drietal landen uit de Global South (Colombia, Filippijnen en Zuid Afrika). De studie beantwoordt een aantal deelvragen.

  1. Wie zijn MOOC gebruikers in ontwikkelende landen en met welk doel?
  2. Wie gebruiken MOOC’s niet en waarom?
  3. Wat is het perspectief van overheden op het MOOC landschap?
  4. Wat is het perspectief van werkgevers op het MOOC landschap?

Onder de titel High MOOC completion rates in developing countries zijn de belangrijkste resultaten samengevat (met “!” door mij toegevoegd):

  • Low- and middle-income populations make up 80% of MOOC users in contrast to wealthier populations reported elsewhere.
  • More than four out of five MOOC users only have basic or intermediate level ICT skills, challenging the belief that MOOCs are predominantly taken by people with higher level skills.
  • 49% of MOOC users received certification in a MOOC, and another 30% completed a course. This is far above the single-digit rates reported elsewhere (!)
  • Women are more likely than men to complete a MOOC or obtain certification (!)
  • The main motivations of MOOC users were found to be in gaining specific job skills (61%), preparing for additional education (39%), and obtaining professional certification (37%).
  • Among non-users (aware of MOOCs), lack of time (50%) was by far the largest barrier to MOOC participation. Lack of computer access (4%) or skills (2%) was NOT found to be a barrier.

Onder andere wordt bevestigd wat ook wel vermoed kon worden: “The high completion and certification rates found may be tied to the fact that users in the three countries take MOOCs primarily to advance their education or career, rather than for enjoyment.“. Naast tijdgebrek wordt ook gemeld dat 79% van de non-users niet van het bestaan van MOOC’s op de hoogte was.
Bij het resultaat over Lack of computer access heb ik wel de volgende kanttekening betreffende geldigheid voor alle ontwikkelende landen. Ik denk dat bijvoorbeeld Zuid-Afrika niet representatief is voor geheel Afrika. In 2015 had in meer dan de helft van de landen in Afrika slechts <20% van de bevolking toegang tot internet. Deze landen zijn bijna allemaal gelegen in West- en Midden-Afrika. Voor de drie landen in de survey zijn die percentages: Zuid-Afrika 49%, Colombia 59% en Filippijnen 43% (bron).
De research agenda van de OER Hub adresseert gebruik in ontwikkelende landen met de volgende vragen:

  • Do OER policies make a difference?
  • How can we create a sustainable, public, non-profit economic ecosystem for OER?
  • Does Innovation in open learning widens the global knowledge gap?
  • In developing countries, mindset to share resources is lacking along with the knowledge of Open licenses
  • What are the reasons for the lack of production and uptake of OER in developing countries?
  • Are current understandings of open education (dominated by the Western world/global north) harming educational progress in the global south?
  • Why are governments not mandating publically organisations to release everything under a sensible CC licence that allows attribution and re-purposing not for profit?

Uitgaande van MOOC’s waarbij de leermaterialen onder een open licentie beschikbaar worden gesteld kunnen deze researchvragen mijns inziens worden uitgebreid naar MOOC’s.

Business Models for Opening Up Education

Auteur: Paul Bacsich. Bron

Met een focus op Europa geeft het rapport een overzicht van mogelijke en gerealiseerde business modellen voor met name MOOC’s. Het doel is “to provide guidance for senior managers in higher education institutions, specifically in four Member States of the EU – France, Italy, Spain and UK – when they come to consider whether to deploy MOOCs and related approaches and how to justify such decisions.“.

Enkele resultaten die mij opvielen:

  • De meeste EU-landen hebben activiteiten op het gebied van OER in HO, maar weinig landen hebben een beleid om dit te bevorderen en te financieren
  • In Europa lijkt OER minder aandacht te krijgen dan Open Access en MOOC’s
  • Veel landen hebben geringe activiteiten rondom MOOC´s
  • Sommige landen hebben beleid/financiering om activiteiten rondom MOOC’s te bevorderen. 
  • Activiteiten rondom MOOC’s zijn vaak groter dan kan worden verantwoord vanuit de missie van een instelling en de levensvatbaarheid van business modellen
  • De twee belangrijkste business modellen voor MOOC’s zijn freemium (voor alles wat werkelijk van waarde is voor een lerende moet worden betaald) en loss-leader (kosten worden gedekt door inkomsten uit andere activiteiten die door de MOOC’s worden bevorderd).
  • Twee andere businessmodellen zijn civic role (goed-gefinancierde activiteiten voor instellingen die via MOOC’s hun sociale missie willen uitdragen) en hovering (focus op MOOC’s, wachtend op betere marktcondities of meer support vanuit de overheid voor online afstandsleren)
  • Businessmodellen voor MOOC’s worden beter haalbaar als een instelling hun activiteiten uitbreidt naar beroepsopleidingen of professionele trainingen
  • Wees voorzichtig met toepassen van ervaringen uit de US (met name Silicon Valley) in de Europese context

De research agenda van de OER Hub adresseert dit onderwerp met de volgende vragen:

  • What is the public (and private) return on investment (social, cultural, economic and environmental) for opening up education through more flexible delivery models? 
  • What is the role of publishers in promoting or hindering open education? Also, what is the role of corporations (Google, Apple) and corporate charities (Bill & Melissa Gates Foundation, Hewlett Foundation) in open ed promotion?
  • How to obtain sustainability of institutional approaches to OER use?
  • How do we foster and promote open cooperation?

Open Educational Resources: Policy, Costs and Transformation

Auteurs: Fengchun Miao, Sanjaya Mishra en Rory McGreal. Bron
Een UNESCO/Commonwealth of Learning rapport met een aantal lessen over beleid (open policy), kosten en de bijdrage van OER aan de transformatie naar meer open onderwijs, gebaseerd op 14 case studies. De belangrijkste resultaten uit deze case studies:

  • Zowel top-down beleid als bottom-up initiatieven komen voor, afhankelijk van de context waarin de activiteiten plaatsvinden. Top-down nationaal beleid vereist waardering en erkenning van beleidsmakers voor de potentie van OER. Bottom-up vereist een sterke docentencommunity en betrokkenheid van beleidsmakers van de overheid of een organisatie als de Commonwealth of Learning.
  • Kostenbesparingen hoeven niet alleen door studenten gerealiseerd te worden, maar kunnen ook door instellingen behaald worden door hergebruik van bestaand materiaal, gecombineerd met een efficiënt productieproces voor leermaterialen
  • De OER University is een voorbeeld waarbij kostenbesparingen worden behaald door samenwerking van instellingen, waarbij externe funding niet per se noodzakelijk is om OER duurzaam te krijgen
  • De mindset over copyright is meer en meer aan het veranderen. In steeds meer landen publiceren auteurs hun werk onder een open licentie om betere zichtbaarheid en gebruik ervan te realiseren en daarmee hun eigenaarschap te benadrukken.

Veel van de vragen uit de research agenda die bij de voorgaande publicaties al zijn vermeld worden ook door deze publicatie geadresseerd.

Conclusies

Hoewel een aantal van de resultaten uit deze rapporten voor ingewijden niet verrassend is bieden ze ook nieuwe inzichten. Alle auteurs benadrukken dat deze inzichten verder uitgewerkt en getoetst moeten worden in vervolgonderzoek. De rapporten kunnen bijdragen aan de onderzoeksvragen die momenteel door de OER Hub worden verzameld onder de vlag van de OER Research Agenda.

OER-onderdompeling in Krakow

Van 10 t/m 14 april vond in Krakow in Polen een drietal evenementen plaats rondom OER en Open Education. In deze blog een terugblik op deze events en de dingen die me daar het meeste opvielen (naast de mooie en sfeervolle stad die Krakow is).

GO-GN

De week startte op 10 april met een tweedaagse workshop van het Global OER Graduate Network (GO-GN). Dit netwerk, eertijds gestart door Fred Mulder in zijn tijd als UNESCO OER Chairholder, wordt nu gecoördineerd door de OER Research Hub op de OU-UK. Een negental PhD-studenten, afkomstig van over de hele wereld, presenteerden hun onderzoek, kregen feedback van de aanwezigen en zochten naar aanknopingspunten voor onderlinge samenwerking. De slides van hun presentaties zullen successievelijk op de website van GO-GN worden gepubliceerd.
De onderwerpen waren erg divers, variërend van OER Learning Design Guidelines for Brazilian K-12 tot Opening Up Higher Education in Rwanda. Het niveau was van een eerste onderzoeksplan tot resultaten van een bijna afgerond PhD-onderzoek. Overall was het inhoudelijk niveau erg hoog, maar moet er door de meesten nog wel gewerkt worden aan presentatievaardigheden.
>> Overzicht van onderwerpen
>> Presentaties (worden in de komende weken aangevuld)
>> Storify van tweets

Open Education Consortium Global Conference

De week werd vervolgd met de jaarlijkse Global Conference van het Open Education Consortium. Naar schatting 200 deelnemers konden kiezen uit een diversiteit aan presentaties en workshops. Grofweg konden de volgende categorieën worden onderscheiden:

  • Opening up education (op niveau van land of instelling)
  • Communities rondom OER
  • Adoptie van OER en andere vormen van open education
  • Casussen (bij landen of instellingen)
  • Learning design voor OER en MOOC
  • Onderzoek
  • Open policies
  • Open practices

Van de sessies die ik heb gevolgd sprongen voor mij die van John Hilton III en Javiera Atenas eruit in positieve zin. John sprak over recent studies in OER adoption. Hoewel het daar vooral ging over adoptie van Open Textbooks in de US, zijn resultaten te generaliseren naar andere vormen en contexten. Resultaten van zijn research (onder de vlag van de Open Education Group) zijn te vinden op hun website. Het onderwerp van Javiera was (uiteraard) Educating for Social Participation: Open Data as Open Educational Resources. Vooral de mogelijkheid om “echte” data te kunnen gebruiken om vaardigheden als critical thinking en civic engagement aan te leren sprak mij aan. Aanrader: de site schoolofdata.org (met onder meer open cursussen over hoe om te gaan met data).
Zelf gaf ik een presentatie over het onderzoek naar gebruik van OER en MOOC’s in het Nederlands hoger onderwijs dat ik samen met Ben Janssen eind vorig jaar heb uitgevoerd. Hier de sheets.

OER Policy Forum

Parallel aan de laatste dag van de conferentie werd door het Centrum Cyfrowe, in samenwerking met het Open Policy Network, als onderdeel van het EU-project ExplOERer een bijeenkomst gehouden. Het doel was te komen tot een set van aanbevelingen, voortbouwend op een policy document Foundations of OER Strategy Development. In de ochtend werden enkele presentaties gegeven. Voor mij was die van Dominic Orr van het FiBS uit Berlijn What can policy do for innovative educational practice and especially for OER? de meest in het oog springende. Dominic is een van de auteurs van het vorig jaar verschenen OECD rapport Open Educational Resources, a Catalyst for Innovation. In zijn presentatie ging hij echter in op social innovation en de koppeling ervan met open policies. Hij refereert aan een studie uit 2015 Growing a Digital Social Innovation Ecosystem for Europe in opdracht van de Europese Commissie. Die studie onderscheidt 7 fasen voor sociale innovatie, die niet noodzakelijk lineair worden doorlopen, maar spiraalsgewijs naar het begin kan terugkeren. Hij koppelt die fasen met twee strategieën voor policy, met name OER policies:

  • Pull strategie. Uitgangspunt is de motivatie van docenten en lerenden. Activiteiten als presentatie van OER use cases en toekennen van awards voor good practices helpen adoptie van OER te bevorderen. Resources zijn bijvoorbeeld aanbieden van vrijwillig te volgen trainingen voor gebruik van OER, ontwikkeling van een OER infrastructuur en toelaten van experimenten (d.i. tijd daarvoor geven)
  • Push strategie.Uitgangspunt is aanpassen van het raamwerk van voorwaarden voor gedrag van docenten en lerenden. Voorbeelden zijn het reguleren van productie van leermaterialen (OER heeft voorkeur), kwaliteit van leermaterialen (dynamisch en tailored heeft voorkeur) en de evaluatie van leeruitkomsten (competenties heeft de voorkeur)
Samengevat in één figuur die Dominic de omschrijving meegaf OER as a driver of social innovation: allows and promotes new combinations or configurations of social practices 

In de middag werden in subgroepen over key issues voor OER policies gedebatteerd. Doel van deze discussies was input te leveren voor het document van aanbevelingen dat na de workshop werd opgesteld. Ik nam deel aan de subgroep OER repositories and content production, waar met name de ervaringen met Wikiwijs van pas kwamen.
>> Storify van tweets

Tenslotte

Zowel de conferentie als het OER policy forum preludeerden al op 2017, het jaar waarin de Cape Town Open Education Declaration 10 jaar bestaat en de Paris OER Declaration 5 jaar. Het komend jaar zal ongetwijfeld worden teruggekeken op wat in die achterliggende periode al is bereikt, maar zal vooral worden vooruitgekeken naar wat er nog moet gebeuren om OER in het bijzonder en Open Education in het algemeen mainstream te maken, zowel op instellingsniveau als rondom open policies op nationaal en internationaal niveau. Dat de volgende Global Conference in 2017 in Kaapstad zal plaatsvinden is daarom geen toeval.
 

Terugblik op de Open Education Week 2016

(Een verkorte en wat aangepaste versie van deze blogpost is gepubliceerd op SURFspace)
(Op 22 maart is er een update geplaatst met een aanvulling van de statistieken)
Een week na afronding van de jaarlijkse Open Education Week (afgekort tot OEweek) een reflectie op dit fenomeen. Het Open Education Consortium startte hiermee in 2012, dus dit jaar mochten we de vijfde uitgave meemaken. Indertijd geïnspireerd door de al langer bestaande Open Access Week (die jaarlijks in het najaar wordt georganiseerd) is het doel van de Open Education Week (bron):

Open Education Week’s goal is to raise awareness about free and open educational opportunities that exist for everyone, everywhere, right now.

Een centraal informatiepunt is de website openeducationweek.org. Instellingen kunnen daar meldingen maken van activiteiten die in het kader van de OEweek worden georganiseerd en ook projecten en andere bronnen uploaden.
Enkele statistieken:

  • Op de website waren 63 projects & resources gepost, variërend van presentaties van OER-initiatieven tot korte introducties op onderwerpen uit open education. In 2015 waren er 93 van dergelijke resources beschikbaar; een afname van 32%.
  • Er waren 45 lokale events en 66 online events aangemeld bij de organisatie van de OEweek. In 2015 waren er totaal 123 events aangemeld; een afname van 10%.
  • Gedurende de OEweek waren er 635 tweets met de hashtag #openeducationwk (volgens hashtracking.com). Kanttekening: deze tool telt 1500 tweets maximaal (inclusief retweets). Deze grens was terugtellend bereikt op 9 maart 2016.

Omdat het aantal tweets voor 2015 niet bekend is kan geen conclusie worden getrokken over of de belangstelling voor deze week toeneemt of niet. Met name lokale events blijven “onder de radar”. Zo zijn veel van de activiteiten in Nederland en Vlaanderen in dit overzicht niet zichtbaar op de website van de OEWeek.
Jure Cuhalev van het Open Education Consortium stuurde me statistieken uit Google Analytics van webactiviteiten gedurende de OEWeek van 2015 en 2016. Die leerden dat er 40% meer gebruikers en 55% meer pageviews waren in 2016 t.o.v. 2015.
Jure vond twitter statistieken moeilijk te achterhalen en, vanwege spam, ook minder betrouwbaar. Na eerste publicatie van deze blogpost meldde Willem van Valkenburg zich via Twitter:
Dat zou betekenen dat 16% berichten uit Nederland zou komen (238 van de 1500 die hashtracking meldt). Of dat geloofwaardig is betwijfel ik een beetje; het zou het wantrouwen van Jure wel bevestigen als tenminste één van beide statistieken niet correct is.

Eigen ervaringen

Zelf heb ik drie events in Nederland bijgewoond. Op woensdag was ik aanwezig bij de EU High Level Conference “Hoger onderwijs voor de toekomst” (website). Een grote inbreng vanuit Nederland, met name bij de parallelsessies die ik heb gevolgd. De presentatie van Jeff Haywood (University of Edinburgh) vond ik het meest de moeite waard. Onder andere presenteerde hij de 11 aanbevelingen uit een al eerder uitgebrachte studie The Changing Pedagogical Landscapes waarvan hij één van de auteurs was. De onderstaande figuur uit dat rapport (door mij aangepast; zie hierna) is één van de verklaringen waarom beleidsbeslissingen er zolang over doen voordat het het chalk level (zoals Haywood dat noemt) bereikt. Bij iedere stap moeten er win-wins opnieuw worden geformuleerd, zo die er al zijn. In de figuur ontbreken naar mijn mening de pijlen van onder naar boven om te illustreren dat vernieuwing ook een bottom-up aangelegenheid is. In de figuur heb ik die aangegeven met de paarse pijlen.
Donderdag was ik aanwezig bij het seminar, georganiseerd door de TU Delft. Ik hield daar zelf een presentatie over implementatie van OER hergebruik bij Fontys Hogeschool ICT. Tevens nam ik deel aan het levendige, afsluitende debat in Lagerhuisstijl.
Ik sloot de week op vrijdag af met het seminar bij SURF, waarbij de projecten die momenteel onder de stimuleringsregeling worden uitgevoerd enkele tussenresultaten presenteerden. Na de pauze hield de SIG Open Education een netwerkdag met het thema adoptie van open online onderwijs onder de titel “is er leven na de projectsubsidie”. Ik mocht een inleiding geven over adoptiemodellen. Paul Gobee van het LUMC presenteerde een casus waarbij adoptie moeizaam ging. In een brainstorm werden ideeën en activiteiten voorgesteld die hem wellicht een stap verder kunnen brengen in zijn adoptievraagstuk.

Evaluatie

Terugkijkend op de events in Nederland kan ik weinig zeggen over de belangstelling voor de online events. Bij de lokaal georganiseerde events was er veel belangstelling in Delft op donderdagmiddag en viel de belangstelling op vrijdag bij SURF mij wat tegen. Van derden hoorde ik mooie geluiden over de eerste sessie van het MOOC café op woensdag. Verder merkte ik dat deze week meer en meer wordt gebruikt om zaken te lanceren. Zo lanceerde de University of Edinburg op maandag een OER policy (hoewel die al eind januari geformuleerd was). In Nederland publiceerde SURF haar rapport over wet- en regelgeving rondom open online onderwijs op dinsdag. Dit rapport kreeg een warme ontvangst, tot een artikel in Trouw aan toe.
Bij de events die ik bijwoonde was het aandeel usual suspects hoog. Voor hen hoeft het doel van deze week, kweken van meer bewustzijn van (on)mogelijkheden van open onderwijs, niet nog eens te worden benadrukt. De eigenlijke doelgroep, de (in termen van Rogers) early majority, zal vooral via de lokale events worden bereikt. Ik ben daarom wel benieuwd naar de ervaringen daarin.
Uiteindelijk zou in deze week de grond vruchtbaar moeten zijn gemaakt en zaadjes moeten zijn geplant bij instellingen die uiteindelijk moeten uitgroeien naar meer activiteiten op het gebied van open online onderwijs. De tijd zal leren of dat gelukt is.