Global meeting Open Education Consortium 2015

Van 22 t/m 24 april werd in het wonderschone Banff in Canada de jaarlijkse Global meeting van het Open Education Consortium (OEC) gehouden.
Voorafgaand aan deze meeting hield het Global OER Graduate Network (GO-GN) haar inmiddels 4e tweedaagse seminar. Twaalf PhD-onderzoekers presenteerden daar hun research plan (de nieuwkomers) danwel resultaten van hun onderzoek (de gevorderden). Voor de gevorderden was het een repetitie voor de presentatie die ze tijdens het congres in een speciale research track moesten geven. Alle onderzoekers kregen feedback van hun peers en de aanwezige supervisors van UNED, OU-UK, Fred Mulder en ondergetekende. Een diversiteit aan nationaliteiten (Spanje, Portugal, Nederland, Griekenland, India, China, Frankrijk, Zuid-Afrika en Israel) en onderwerpen (van Ecosystems for OER in Healthcare tot Recommendations on formative assessment and feedback practices for stronger engagement in MOOCs) passeerden de revue. De bij het congres aanwezige UNESCO OER hoogleraren gaven op de tweede dag acte de presence voor een open discussie over open en OER met de aanwezigen.
>> Slides GO-GN seminar
>> Geselecteerde papers in special issue Openpraxis
Omdat ik tijdens het congres niet alle presentaties kon volgen kreeg ik geen goed beeld van wat de overall thema’s waren die er speelden. Ik heb daarom de abstracts die op de website gepubliceerd zijn geanalyseerd. Dat gaf het volgende beeld.

Presentaties naar thema

De 97 presentaties van het congres waren in een aantal categorieën ingedeeld. De volgende figuur geeft het aantal presentaties per categorie.

Presentaties naar afkomst

De volgende figuur geeft het aantal presentaties, verdeeld naar continent. Omdat drie presentaties auteurs uit twee landen had komt het aantal drie hoger uit dan hiervoor.

 
 
 
 
 
 
Opvallend hier is het relatief grote aantal presentaties uit Afrika. Het merendeel daarvan was afkomstig van het ROER4D project.

OER, MOOC of allebei?

Afgaand op de titel en de abstracts van de presentaties gaf dit het volgende beeld

Trefwoord →

 
 Categorie↓

OER (incl. OCW en open textbooks)

MOOC OER & MOOC Open Education (incl. Open Educational Practices)

Geen van deze begrippen

Innovation

7

1

1

5

1

Evidence of impact

6

2

1

Strategy

15

3

3

5

Implementation

6

3

2

3

Pedagogy & Design

8

3

1

4

Research track ROER4D & GO-GN

11

2

4

Totaal

53

14

1

11

18

Uit dit overzicht blijkt het relatief grote aantal presentaties over OER ten opzichte van MOOC’s. Mocht uit de overstelpende aandacht voor MOOC’s in de afgelopen jaren worden geconcludeerd dat OER een gepasseerd station is, dan leert deze conferentie wel anders.

Aantallen per thema

Analyse van de abstracts gaf een beeld van de belangrijkste thema’s die in de presentaties aan bod kwamen. Er was een duidelijke top-4:

Thema

Aantal

Adoptie van OER (hindernissen, aanpak)

19

Open policy (mapping projects, effecten, aanpak, zowel op nationaal als op instellingsniveau)

14

Toepassingen van open learning

8

Support voor (her)gebruik van OER

7

Opvallend was het gering aantal presentaties over meer maatwerk leren (4) en learning analytics (2). Met name dat laatste viel op, omdat dit in 2014 bij de OEGlobal een veelbesproken thema was in de presentaties.
Nynke Bos van de UvA heeft over dit congres een impressie geschreven met aandacht voor wat OER voor onderwijs kan betekenen.
Naast mijn betrokkenheid bij het GO-GN seminar ben ik ook actief geweest in twee workshops. Samen met o.a. Willem van Valkenburg en Martijn Ouwehand van de TU Delft verzorgden we een introductie in Open Education voor leden van het OEC die nog weinig ervaring hebben met projecten in die sfeer. Tevens verzorgde ik een workshop rondom het binnenkort te lanceren Information Center (IC) van het OEC. Dit IC moet een vraagbaak worden voor iedereen die informatie zoekt over Open Education. Binnen mijn lectoraat is dit ook één van de hulpmiddelen die ik wil ontwikkelen om docenten die met OER aan de slag gaan te kunnen ondersteunen bij problemen. Mede daarom ben ik voorzitter van de werkgroep binnen het OEC die dit moet gaan realiseren.

Lunchlezingen open en online onderwijs

In het kader van de internationale Open Education Week van 9 t/m 13 maart werd in Nederland op alle werkdagen een lunchlezing gehouden. Een verscheidenheid aan onderwerpen is daarbij de revue gepasseerd. Het primaat lag bij de instellingen voor hoger onderwijs, maar één lezing werd ingevuld door een niet-onderwijsinstelling (Kennisland). De meeste lezingen werden live gestreamd. Tijdens de lezing was er de mogelijkheid via twitter te reageren (hashtag #surfoeweek) en de opnames zijn achteraf te bekijken. SURFNet coördineerde de lezingen door een verzamelpagina op SURFSpace te onderhouden, via social media iedere dag te attenderen op de lezing en tijdens de lezing een moderatorrol te vervullen (monitoren van de tweets en vragen daaruit doorspelen naar degene die de lezing verzorgde).
Een verscheidenheid aan onderwerpen is aan bod gekomen:

  • De Universiteit Tilburg trapte af op maandag. Petra Heck en Esther Breuker presenteerden over hun Flex-Ed project, de ervaringen die ze daarbij meemaakten en welke uitdagingen ze daarbij tegenkwamen. Het project loopt bij Liberal Arts and Sciences en heeft tot doel een flexibeler aanbod te creëren, gebruikmakend van online elementen en open leermaterialen.
  • Dinsdag gaf Willem van Valkenburg van de TU Delft een overzicht van wat er ionternationaal gebeurt en over hun activiteiten bij de TU. Deze lezing was een opname van een keynote die hij de dag ervoor had verzorgd tijdens een on site event in Delft.
  • Woensdag gaven mijn collega Pierre Gorissen en ikzelf een presentatie over twee initiatieven die bij Fontys Hogescholen lopen (het FINE-project en mijn lectoraat Open Educational Resources).
  • Donderdag vertelde Lisette Kalshoven van Kennisland over mythen rondom OER die ze zelf ervaart in haar contacten met docenten, maar die ook verzameld worden op een website OER Mythbusting!. Tevens gaf ze meer achtergronden over auteursrecht en open licenties.
  • Vrijdag presenteerden Simone Buitendijk en Edwin Bakker over de plannen en ervaringen die de Universiteit Leiden heeft met MOOC’s. Meest getweet daarbij was de mededeling dat Coursera hun MOOC’s on demand gaan aanbieden. Dat maakt hergebruik beter mogelijk (niet meer gebonden aan één starttijdstip).

Overall waren dit mijn indrukken:

  • De lezingen gaven een grote verscheidenheid aan initiatieven. Veelal zijn die opgezet in het kader van een experiment onderwijsvernieuwing, waarbij centraal gelden ter beschikking zijn gesteld en via interne tenders projectvoorstellen konden worden gedaan.
  • Naast deze lunchlezingen waren er in het kader van de Open Education Week nog activiteiten op de UvA (een editathon) en lokale activiteiten in Delft en Leiden. Daarnaast was ik zelf betrokken bij een internationale 24-uurs twittermarathon (hashtag #AllAboutOpen) van het Open College van de Kaplan University, waarbij in een half uur informatie over het GO-GN research netwerk werd gedeeld. Helaas viel die samen met de lezing van Lisette Kalshoven, maar gelukkig hebben we de opnames nog.
  • De hoeveelheid reacties via twitter was erg verschillend. Soms vroeg de moderator bij SURFNet actief naar reacties en dat hielp wel. Bij de meeste lezingen waren er twee of drie personen die meerdere malen reageerden en dat kwam de levendigheid van zo’n lezing wel ten goede. Bij alle lezingen (behalve die van Kennisland) was er ook lokaal live publiek aanwezig die ook vragen kon stellen. Doordat er daarbij vaak geen microfoon werd gebruikt waren die niet altijd duidelijk voor de toehoorder online. Het was jammer dat de lezing op dinsdag een opname was van de dag ervoor. Wellicht verklaart dat ook dat er toen geen twittervragen waren (in ieder geval niet met de hashtag #surfoeweek). Bij iedere lezing hadden de deelnemers twee stellingen geformuleerd die vooraf via twitter werden gecommuniceerd, maar waar weinig reacties op kwamen.
  • Helaas heb ik wel veel technische problemen ervaren. Op diverse plekken heb ik de lezingen bekeken (Fontys werkplek met laptop, bij SURFNet, thuis op een bekabelde desktop), maar bufferproblemen (op dinsdag en vrijdag; de opnames van vrijdag hebben die problemen nog steeds) en de Silverlight plugin waarbij ik pas na 30 minuten doorkreeg dat ik handmatig moest accepteren in mijn Chrome browser (op maandag), zorgden ervoor dat ik delen van de lezingen heb gemist. Direct reageren via twitter was dan ook beperkt mogelijk voor mij.

Concluderend: de lezingen waren erg divers qua onderwerp en daardoor voor elk wat wils. Het was daarbij ook mooi te horen over de activiteiten die er in het land ontplooid zijn op het gebied van open en online onderwijs. Persoonlijk brachten de lezingen in Tilburg en Leiden voor mij het meeste nieuws. Het is waardevol om dit format volgend jaar te herhalen. Ik hoop dan op deelname van andere instellingen, want er gebeurt veel meer dan deze week aan bod kwam.
Opnames van alle lezingen zijn te benaderen via de verzamelpagina op SURFSpace.

Seminar OER support through policies

Op 30 januari was ik, samen met Ronald Slomp van het Ministerie van OCW, aanwezig bij een seminar OER support through policy – exchange and discussion of good practices, georganiseerd door OECD/CERI. Dit seminar was een onderdeel van een studie naar effecten van beleid op OER. De input van dit seminar wordt gebruikt bij het later dit jaar op te leveren eindrapport.
Bij de start werden de eerste resultaten van een survey naar beleidsmaatregelen gepresenteerd. De survey werd gehouden van augustus tot en met november 2013. Enkele findings:

  • 33 landen hebben gereageerd (Noord-Amerika,veel landen uit Europa, Brazilië, China, Indonesië, Japan en Oceanië; geen Afrika)
  • 25 landen (76%) meldden overheidsbeleid om OER productie en gebruik te stimuleren.
  • Vormen van ondersteuning waren meestal een combinatie van subsidies, codes of practices & informatiecampagnes

Ieder van de presentaties op het seminar was een voorbeeld uit één van de vier door hen onderscheiden invloedssferen voor beleid op OER:

  • Beleid ondersteunt totstandkoming van repositories en beschikbaarstelling van open gelicenseerd leermateriaal
  • Beleid ondersteunt totstandkoming van Communities of Practice van docenten om productie en gebruik van OER te stimuleren. Onze presentatie over de aandacht in het Wikiwijs programma voor professionalisering van docenten viel in deze categorie
  • Beleid zorgt voor wijzigingen in de condities voor formeel onderwijs door regelgeving aan te passen, nieuwe tools te stimuleren en verdeling van werk toe te wijzen. Dit gebeurt op verschillende niveaus (nationaal, regionaal, instituut,…)
  • Additioneel: er is meer onderzoek nodig om het systeem beter te begrijpen. Het debat wordt nu gevoerd door advocaten van de open beweging; onderzoek over werkelijk gebruik van OER is schaars.

Hoewel de meeste gepresenteerde cases wel bekend waren, was het interessant om in wat meer detail van de voorbeelden te leren. Alle voorbeelden spelen in het primair (soms) en voortgezet onderwijs. Instellingen voor hoger onderwijs zijn in de meeste landen autonoom, waardoor beleid op OER lastiger te realiseren is.
Wat mij betreft was Noorwegen de meest interessante en ook verrassende case. Interessant, omdat Noorwegen in veel opzichten op Nederland lijkt en zij ook, evenals Nederland indertijd met Wikiwijs, een nationaal programma voor OER hebben. Verrassend, omdat de case, zeker in vergelijking met de aanpak in Nederland, enkele opmerkelijke verschillen kent. In een eerdere blog heb ik naar aanleiding van hun MOOC-onderzoek al eens over dit land geschreven. Ik heb daar toen aangegeven dat Nederland en Noorwegen op veel gebieden vergelijkbaar zijn. Tijdens dit seminar werd de Norwegian Digital Learning Arena (NDLA) gepresenteerd. NDLA is een virtuele organisatie, waarin docenten, redacteuren en private partijen in 18 van de 19 provincies samenwerken aan het creëren van open digitaal leermateriaal voor voortgezet onderwijs in een open infrastructuur. Docenten worden betaald voor het maken van leermateriaal, maar de producten worden open beschikbaar gesteld. Door de provincies worden hiervoor gelden ter beschikking gesteld.
De resultaten zijn verbluffend:

  • 98 % van alle docenten kennen NDLA
  • Meer dan 60 % gebruikt NDLA in hun lespraktijk (meer dan 50% zelfs heel veel)
  • Hoge scores voor waarde en kwaliteit
  • Hoog niveau publiek-private samenwerking
  • 66 % van budgetten worden in de open markt besteed
  • Jaarlijkse kosten: €55 per leerling

Volgens hen bepalen de volgende factoren het succes bij hen:

  • Publiek commitment door lange-termijn financiële ondersteuning
  • Betrokkenheid van docenten is essentieel, in het hele proces. Daag hen uit om hun vaardigheden te gebruiken.
  • Kritieke succesfactoren zijn gebruik van open licenties, metadata en open formaten
  • Vind niet alles uit, maar integreer met wat al goed werkt

Oostenrijk werd vertegenwoordigd door een presentatie over Eduthek, een repository met e-learning materialen. Dit maakt onderdeel uit van hun portaal bildung.at, een initiatief van het Bundesministerium für Bildung und Frauen (!). Bronnen uit diverse repositories worden via het portaal vindbaar gemaakt. Hun motto daarbij is Content finds teacher in plaats van Teacher finds content. Dit wordt gerealiseerd door content te koppelen aan een competentieraamwerk (Bildungsstandard), enigszins vergelijkbaar met de leerdoelen die door de overheid voor het voortgezet onderwijs zijn vastgelegd. Om de kwaliteit van het aanbod te garanderen hebben ze een bijzondere aanpak. OER worden als bouwblokken beschikbaar gesteld, maar mogen niet worden gewijzigd (een Creative Commons licentie CC BY-ND). Wat docenten wel mogen is die bouwblokken combineren tot grotere eenheden. Uitgevers worden gestimuleerd ook dergelijke basisbouwblokken beschikbaar te stellen, maar of daar veel response voor is is onbekend. Meer informatie.
De aanpak om OER te laten maken door organisaties en instellingen (en die daarvoor te betalen), waarna docenten die voor lokaal gebruik kunnen aanpassen wordt ook gehanteerd in het OER-initiatief van Washington State. Het verschil met de Oostenrijkse situatie is dat docenten de beschikbare OER ook kunnen bewerken (maar niet delen via de repository). In Washington State is er veel vraag naar leermaterialen die aansluiten bij de Common Core Standard. Uitgeverijen hebben bij het aanpassen aan Common Core geen goed werk geleverd. Daarom (en vanwege de hoge kosten voor leerboeken) is dit initiatief ontstaan. Kwaliteitsborging gebeurt hier door materiaal te laten reviewen door hiervoor opgeleide en betaalde reviewers.
De grootste verschillen met de Nederlandse situatie (m.n. Wikiwijs) zijn volgens mij de volgende:

  • Langdurige fondsen beschikbaar vanuit overheden om open leermaterialen te laten maken en beoordelen in Noorwegen, Oostenrijk en Washington, niet als een programma met een beperkte looptijd.
  • Nauwe samenwerking met private uitgeverijen die materiaal onder een open licentie beschikbaar stellen. Binnen Wikiwijs zijn er wel experimenten geweest om de koppeling tussen de open en gesloten wereld tot stand te brengen, maar deze lijken in schoonheid te zijn gestorven. Op het portaal van Wikiwijs zijn beide werelden wel vertegenwoordigd, maar zonder onderlinge koppelingen.
  • De aandacht voor docentprofessionalisering binnen Wikiwijs ontbreekt bij de andere initiatieven.

De afsluitende discussies leverden nog enkele vragen op die mogelijk in het eindrapport zullen worden meegenomen:

  • Moet beleid top-down, bottom-up of beide tegelijk worden aangepakt? En op welk niveau (nationaal, regionaal)?
  • Zijn er wetswijzigingen nodig om OER te stimuleren?
  • Hoe worden overtredingen tegen copyright aangepakt? Wie neemt daarin het initiatief? De auteur wiens rechten geschonden zijn of de overheid?

Het eindrapport van deze studie wordt in de zomer verwacht.
Een interessante aan dit onderwerp gerelateerde publicatie kwam toevalligerwijs rond dit seminar uit: Open Educational Resources and Collaborative Content Development: A Practical Guide for State and School Leaders van TJ Bliss, DeLaina Tonks en Susan Patricks. De publicatie bevat o.a. tools als een stappenplan om een succesvolle samenwerking tussen partijen op te zetten, daarbij sterkten en zwakten te herkennen en links naar diverse bronnen met OER en informatie over OER.
Hier zijn de slides van onze presentatie.

OER: voordelen in de US, maar ook in Nederland?

De laatste post in de altijd interessante blog van David Wiley is getiteld
Adopting OER is Better for Everyone Involved. Hij geeft daarin aan welke voordelen hij heeft waargenomen, in veel gevallen ondersteund door “harde” metingen, bij onderwijsinstellingen in de Verenigde Staten wanneer ze commerciële leerboeken vervingen door met name open textbooks.
Onder meer de volgende waarnemingen worden gedeeld:

  • Beter voor studenten, omdat ze tenminste gelijke waar krijgen voor (veel) minder geld. Deze waarneming wordt ondersteund door diverse studies. Oorzaken zijn onder meer toegang tot alle leermaterialen vanaf de start van de cursus.
  • Beter voor de docenten, omdat bij adoptie van een open textbook de docent zich kan afvragen welke aanpassingen hij of zij wil maken (omdat dat ook toegestaan en mogelijk is), zodat het open textbook optimaal aansluit bij de gewenste didactiek en inhoud en de aanwezige doelgroep. Hierdoor wordt hij meer aangesproken op zijn docentprofessionaliteit. Uiteraard is de docent ook vrij een open textbook as-is te gebruiken, maar bij commerciële tekstboeken is dat de enige modus.
  • Beter voor de instelling, omdat uitval kleiner is en daarmee de outputfinanciering op peil blijft of verbetert.

Een aantal van deze voordelen zijn het gevolg van het feit dat commerciële leerboeken in de VS vaak schreeuwend duur zijn, waardoor studenten deze niet (kunnen) kopen en daardoor een grotere kans lopen het betreffende vak niet te halen. Dit is een van de redenen dat open textbooks in de VS een steeds hogere vlucht nemen (zie bijvoorbeeld hier en hier). De vraag is of deze situatie ook voor Nederland geldig is. Tot voor kort was ik geneigd te zeggen dat de Nederlandse situatie niet te vergelijken is met de VS en dat je daarom voorzichtig moet zijn om ontwikkelingen op het gebied van open en online onderwijs één-op-één naar de Nederlandse situatie te vertalen. Bij een bijeenkomst van het kernteam van de SIG Open Education gisteren kwam de vraag naar voren of, juist vanwege dit verschil tussen de VS en Nederland, open textbooks voor Nederland wel net zo’n hot topic zijn als in de VS. En daar werd opgemerkt dat, met de invoering van het leenstelsel in het vooruitzicht, economische motieven om op open textbooks over te gaan, wellicht zwaarder gaan wegen dan tot nu toe het geval is.
Mede omdat veel van de voordelen die David Wiley onderkent onafhankelijk zijn van financiële omstandigheden, is nader onderzoeken van wat open textbooks voor Nederland kunnen gaan betekenen de moeite waard. Onder meer kan daarin worden meegenomen of en zo ja, welke rol een commerciële uitgever kan hebben in deze ontwikkeling. Ook een productieproces zoals bij Siyavula gebruikt wordt, waarbij een community van docenten in een textbook sprint een open textbook creëert is het waard nader bekeken te worden.

Silicon Valley in de EU

Als start van 2015 attendeerde collega Eric Slaats me op een overzicht van 15 “edtech” start-ups in de EU. Naast voor mij bekende initiatieven als Iversity, Alison en Futurelearn bevat de lijst ook enkele mij nog onbekende initiatieven. De vermelde initiatieven zijn in diverse stadia van ontwikkeling. Een aantal ervan is alleen tegen betaling te gebruiken, een aantal kent een freemium model en een aantal is geheel vrij te gebruiken. Daar waar het gaat om delen van content zijn soms wel en soms niet de voorwaarden voor hergebruik duidelijk (lees: wordt soms wel en soms niet vermeld onder welke open licentie het leermateriaal te hergebruiken is).
Een paar initiatieven uit de lijst, waarbij delen van content het oogmerk is, heb ik nader bekeken. Hier mijn indrukken.
Eliademy: een Fins initiatief. Eliademy is een platform waar docenten en lerenden cursussen kunnen creëren, delen en volgen. Hun motto is “Democratizing education with technology“. Alle functies zijn vrij beschikbaar. Je kunt zelf bepalen of je een cursus vrij of tegen betaling aan wilt bieden. Bij het laatste gaat 30% van de opbrengst naar Eliademy. Dat lijkt hun verdienmodel te zijn.
Cursussen kunnen self-paced of cohortgewijs worden opgezet. Er is de mogelijkheid discussieforums aan cursussen te koppelen. De auteursomgeving is erg rijk met diverse opties als aanmaken van quizzes, hergebruiken van bestaande content of zelf creëren van eigen content.
Volgens hun Terms of Use blijft alle content die je upload jouw eigendom. Er worden geen rechten overgedragen aan Eliademy.
Sowiso: een spin-off van de Technische Universiteit Eindhoven. Beoogt digitale wiskundecursussen aan te bieden. Lijkt geen open modus te hebben.
Coursio: een Zweeds initiatief. Omschrijft zichzelf als “a simple publishing service for education oriented content and courses“. Voor zover ik kon nagaan zijn er alleen cursussen beschikbaar die tegen betaling te volgen zijn (behalve de cursussen die meer over Coursio vertellen). Onduidelijk is hoeveel publiceren van een cursus kost. Er is een API beschikbaar.
Gibbon: een initiatief uit Leiden. Op dit platform is het mogelijk zgn. playlists te maken en te volgen. Een playlist is een verzameling bronnen, in een logische volgorde geplaatst door een expert. Die playlists kunnen variëren van een lijst van video’s (veelal beschikbaar via Youtube of Vimeo) tot een combinatie van diverse bronnen, zoals teksten en afbeeldingen, al dan niet elders beschikbaar of in de omgeving gecreëerd. Daarnaast biedt het platform community faciliteiten via een discussieforum, gekoppeld aan de inhoud.
Het platform is ideaal voor een docent om cursussen te creëren of te hergebruiken, eventueel als halffabrikaat en daar opdrachten aan koppelen, omdat het platform voor zover ik kon zien dit laatste niet ondersteunt. De omgeving is vergelijkbaar met de Wikiwijs Maken omgeving.
Voor zover ik kon zien zijn alle services vrij beschikbaar. In de Terms of Service wordt duidelijk dat Gibbon alle gebruikers bijdragen die op het platform wordt geplaatst mag gebruiken voor allerlei doeleinden. Het verdienmodel achter de site is niet duidelijk.
Digischool: niet te verwarren met de Nederlandse Digischool (PO en VO), hoewel het deels wel vergelijkbaar is. Lijkt op wat Wikiwijs en KlasCement beogen (delen van leermaterialen door docenten), maar is qua uitvoering meer vergelijkbaar met KlasCement (team van redacteuren die content eerst beoordeelt). Staat op punt van starten. Verdienmodel en mate van openheid is onduidelijk.
Van de hier bekeken initiatieven vond ik Eliademy de beste indruk achterlaten: een rijke omgeving met ook al veel content beschikbaar. De andere hier vermelde intiatieven zijn wel de moeite waard om te volgen qua ontwikkeling.
 
 
 

OER, MOOC en ECO: een case in openheid

ECO (Elearning, Communication, Open-data) is een EU-project met onder meer de volgende doelen (met accentuering van mij):

  • ECO will focus on expanding the most successful experiences with MOOCs in Europe into a pan-European scale. This will be achieved through pilots and demonstrations of the best practices implemented in regional hubs of excellence all over Europe, and also through evaluations of outcomes, results and lessons learnt from them in an open and mobile learning context.
  • ECO will use leading-edge technology to create a combined MOOC platform – based on individual platforms and resources provided by project partners – making it possible to combine and transfer pilot activities in all the hubs involved.

Ik werd getriggerd door een statement op hun site (met accentuering van mij):

Open Educational Resources (OER) have the potential to broaden access to education and to improve the quality and cost-effectiveness of teaching and learning in Europe. The best way to put OERs into practice is through Massive Open Online Courses (MOOCs).

Ik vroeg me daarbij een paar zaken af:

  1. Waarom is dat “the best way”? Waaraan meet je dat af?
  2. Geldt dit statement zowel voor lerenden als docenten?

Ik wil het in deze blogpost hebben over de tweede vraag. Daarbij ga ik eerst in op de verschillen in doelgroep van OER en MOOC. Daaruit leid ik af wat het belang van een open licentie is. Vervolgens analyseer ik ECO op hun gebruik van open licenties. Tenslotte trek ik wat conclusies uit deze beperkte case study en formuleer ik een lesson learnt voor projecten die zich bezighouden met publiceren van OER.

Doelgroepen OER en MOOC

Voor mij is het grote verschil tussen een MOOC en OER verschillen in doelgroep, gekoppeld aan ervaren gemak.
De doelgroep van een MOOC is een lerende. Die ervaart een gemak doordat een expert op een vakgebied een juiste mix heeft gemaakt van content en die tot een samenhangend geheel heeft gebundeld. Een docent heeft bij hergebruik van een MOOC vaak echter weinig keuze: take it or leave it (als hergebruik al wordt toegestaan, wat in sommige gevallen niet zo is). Het gemak van aanpassing aan de eigen context is met name aanwezig wanneer de leermaterialen gepubliceerd zijn als OER (dus onder een open licentie).
De doelgroep van OER is vooral een docent. Deze staat voor de taak om voor een lerende een juiste combinatie van OER en ander (al dan niet gesloten) materiaal te maken om daarmee specifieke doelstellingen te kunnen behalen. Het ervaren gemak daarbij is de mogelijkheid die materialen te kunnen bewerken en aan te passen aan de eigen context. Voor een lerende zijn grotere samenhangende OER-materialen zoals open textbooks of OER die expliciet bepaalde topics adresseren, zoals video’s bij de Kahn Academy, bruikbaar. Het door docenten ervaren gemak van mogen aanpassen zal voor hem echter niet gelden; vrije toegankelijkheid is voldoende. De in het statement geaccentueerde deel zal m.i. daarom hoogstens gelden voor een lerende.

Belang van een open licentie

Uit de verschillen in doelgroep volgt dat aanwezigheid van een open licentie, waarmee duidelijk wordt welke rechten een gebruiker heeft wat betreft aanpassing van de OER, vooral nuttig is voor een docent. Eerder dit jaar publiceerde de OER Research Hub een OER Evidence Report 2013-2014. Deze publicatie geeft een uitstekend beeld van de stand van zaken rondom gebruik van OER, hun effecten en uitdagingen.
De volgende findings rondom licenties en hergebruik werden daarbij duidelijk:

  • 86,3% van docenten passen OER aan om hun eigen doelen mogelijk te maken
  • Vrij beschikbare materialen brengen docenten ook vaak op ideeën, zonder dat deze materialen daadwerkelijk worden hergebruikt. Dat duidt niet op direct op de noodzaak voor een open licentie, maar aanwezigheid van een open licentie stimuleert docenten wel meer tot hergebruik van de ideeën.
  • 12,4% van docenten publiceren hun materialen onder een open licentie (voornamelijk Creative Commons). 67,5% van de docenten vinden open licenties belangrijk. Deze twee resultaten lijken tegenstrijdig, maar worden verklaard door de finding dat 26,8% van de docenten aangepaste materialen niet open “durven” te publiceren door onduidelijkheid over toestemming om materiaal aan te passen of te wijzigen.

Soortgelijke findings waren er ook bij het in oktober verschenen rapport van de Babson Survey Research Group met de resultaten van een survey bij instellingen voor hoger onderwijs in de USA naar adoptie van OER. Ik heb daar eerder over geblogd.
Voordelen van OER zoals kwaliteitsverbetering van leermaterialen door een community van gebruikers, worden pas echt gerealiseerd als herpublicatie van aangepaste OER ook daadwerkelijk plaatsvindt. Deze activiteit is belangrijk in wat wel wordt aangeduid als het OER ecosysteem (zie bijvoorbeeld hier en hier). Duidelijkheid over de rechten die een hergebruiker heeft is dan een nodige voorwaarde. Dit alles geeft aanleiding tot het formuleren van de volgende best practice:

  • Gebruik bij een MOOC waar mogelijk OER om de mogelijkheid tot optimalisering aan de context waarin hergebruik van een MOOC plaatsvindt, maximaal te maken
  • Geef duidelijkheid over onder welke condities de OER mogen worden hergebruikt door vermelding van de gebruiksvoorwaarden en de open licentie die gebruikt wordt

Hoe doet ECO dit?
Hoewel ECO zich presenteert als een MOOC-project en de verbinding met OER niet direct wordt gelegd, suggereren ze door hun statement over MOOC als de beste wijze om OER in de praktijk te gebruiken wel dat die verbinding er zou moeten liggen. En omdat demonstratie van best practices ook als een doel van ECO genoemd wordt, zou de in de vorige paragraaf geformuleerde best practice terug te vinden moeten zijn.
In een van hun deliverables wordt het volgende aangegeven (p. 21; accentuering toegevoegd door mij):
“The copyright licenses proposed for the public deliverables which will be uploaded to the website and for the courses are Creatice Commons (CC) Licenses. (…) The copyright license to be used in MOOCs still has to be decided by the ten hubs participating in the project. They must be supported by the system.”
Dit geeft bij mij onduidelijkheid en wekte ook verbazing:

  • Onduidelijkheid: dit statement staat onder het kopje “Licenses to be used in ECO-deliverables”. Maar (zoals ik heb geaccentueerd) het lijkt ook voor cursussen te gelden. Verderop staat echter dat over de licentie voor MOOC’s nog geen besluit is genomen. Wat is nu het verschil tussen “course” en “MOOC” in dezen?
  • Verbazing: de betreffende deliverable is gepubliceerd als pdf-document, maar is copy-protected. Het is onmogelijk teksten uit die deliverable te kopiëren. Als aan deze deliverable een open licentie gekoppeld moet worden (en dat is hun intentie), dan zou kopieerbaarheid toch ook eenvoudig mogelijk gemaakt moeten worden (één van de gevolgen van de “Right to Retain”, als onderdeel van de 5R van David Wiley). Een kleine steekproef leerde me dat geen enkele van de door mij bekeken documenten gepubliceerd is onder een open licentie. Zo weet ik bijvoorbeeld ook niet of ik de afbeelding van het projectlogo bij deze blogpost wel mag gebruiken.

Om te achterhalen hoe ECO presteert op het publiceren van OER als onderdeel van hun MOOC en over de duidelijkheid hierover zoals geformuleerd in de best practice uit de vorige paragraaf, heb ik binnen iedere MOOC op hun portal steekproefsgewijs de leermaterialen bekeken. Bij één MOOC had ik geen toegang tot de leermaterialen; het daar gebruikte platform verlangde van mij opnieuw registratie om toegang te verkrijgen. Dat vond ik een brug te ver gaan.
Momenteel bevat ECO 15 MOOC’s in diverse talen (ongeveer de helft Spaans). Iedere betrokken instelling heeft een eigen platform waarop de MOOC’s draaien. Er is een portal van waaruit de MOOC’s van iedere instelling zijn te bereiken. Vaak zijn de leermaterialen een combinatie van video’s (beschikbaar in Youtube) en teksten (in pdf of Word). Sommige platformen gebruiken daarnaast of in plaats van tools als Prezi en Scribd voor de leermaterialen. Om een MOOC te kunnen volgen is een eenmalige registratie op het portal nodig.
Mijn bevindingen ten aanzien van de eerder geformuleerde best practice:

  • De portal bevat een Terms of service. De link loopt echter dood: er zijn geen Terms of service beschikbaar.
  • Bij een aantal video’s staat een Creative Commons licentie in de video aangegeven. Bij een aantal andere video’s staat in de Youtube-omgeving (maar niet in de leeromgeving) aangegeven dat de standaard Youtube licentie geldig is. Artikel 8 uit de Youtube Terms of Service geeft meer invulling aan deze licentie. Ik vind die zelf niet zo helder: het lijkt of alles wat onder CC-BY toegestaan is ook is toegestaan onder een standaard Youtube licentie. Bij alle andere door mij bekeken andere leermaterialen dan video’s staat nergens iets vermeld over de licentie.
  • Eén keer kwam ik in mijn steekproef copyright-protected materiaal tegen als onderdeel van de verplichte leerstof. Dit materiaal is wel vrij benaderbaar. (Off-topic: dit materiaal is afkomstig van een publiek orgaan (Ministerie van Jeugd, Sport en Training Raad van Malaga), dus betaald door de belastingbetaler, dus waarom niet onder een open licentie gepubliceerd?)

Conclusie

Om de statement over gebruiken van OER in een MOOC binnen ECO meer geloofwaardig te maken is nog wel wat werk nodig. Formuleren en publiceren van de gebruiksvoorwaarden, met aandacht voor de open licentie en het toevoegen van open licenties aan het leermateriaal zijn twee van de noodzakelijke activiteiten. Mijn kleine steekproef maakte ook duidelijk dat hier en daar copyright clearance nodig zal zijn wanneer gestreefd wordt naar 100% OER binnen de MOOC´s. Daarnaast zou het project ook de eigen intenties van publiceren van deliverables onder een open licentie waar moeten maken.
Publiceren van het leermateriaal als OER zal wellicht ook om een andere reden nuttig zijn. ECO is een project dat ergens in 2017 zal eindigen (mijn aanname, gebaseerd op het overzicht van deliverables). Blijft ECO dan als zelfstandig portal in de lucht (naast OpenUpEd) of zullen de MOOC’s via OpenUpEd bereikbaar worden (wat mij een veel betere keuze lijkt om versnippering over portals te voorkomen)? In dat laatste geval zullen ze moeten voldoen aan het kwaliteitslabel van OpenUpEd. Dit vermeldt onder het kopje Digital openness “Courses should be available online for free but in addition apply open licensing so that material and data can be reused, remixed, reworked and redistributed (e.g. using CC-BY-SA or similar)”.
Positief is dat de intenties goed geformuleerd zijn en dat er nog 2 jaar resten om ze ook geïmplementeerd te krijgen.
Deze casus leert andere projecten die zich bezighouden met publiceren van open leermateriaal het volgende:

Verschaf van meet af aan duidelijkheid aan de gebruiker betreffende voorwaarden en open licenties. Dat bespaart de tijd en kosten van achteraf moeten uitvoeren van herstelacties.

Open en online onderwijs: is er meer dan MOOC en OER?

Wanneer er over vormen van open en online onderwijs wordt gepraat, worden veelal MOOC en Open Educational Resources (OER) als voorbeelden genoemd. Bij de onlangs afgesloten reeks strategische workshops die SURF samen met de SIG Open Education organiseerde, kregen we regelmatig de vraag of er meer vormen van open en online onderwijs (hergebruiken danwel zelf aanbieden) zijn.
Fred Mulder en Ben Janssen hebben voor open onderwijs in het algemeen een model geformuleerd (het 5COE-model). In dat model onderkennen ze 5 componenten die ieder een bepaalde mate van openheid kunnen hebben (te bepalen door de instelling die het open onderwijs aanbiedt): aanbod (leermaterialen, services en onderwijsinspanning) en vraag (van de lerende en van de omgeving). Ze onderscheiden openheid in zowel een klassieke opvatting (openheid in tijd, plaats, programma, tempo en toegang) als een digitale opvatting (gratis toegang tot leermaterialen; toegang (maar niet noodzakelijkerwijs gratis) tot services en onderwijsinspanning voor anderen dan formeel geregistreerde lerenden; en leermaterialen beschikbaar onder een open licentie).
Open en online onderwijs wordt veelal beperkt tot de aanbodkant. Bij OER gaat het specifiek over leermaterialen, bij een MOOC gaat het naast leermaterialen ook over services (zoals certificering en examinering) en onderwijsinspanning (zoals een tutor die in een forum aanwezig is). Een speciale vorm van OER vormt de Open Courseware. Dit zijn alle leermaterialen van een cursus die open beschikbaar zijn. Merk trouwens op dat “open” in deze voorbeelden verschillende betekenissen hebben, waarbij de gemeenschappelijke noemer de gratis toegang tot de leermaterialen is.
Om andere voorbeelden van open en online onderwijs te vinden kan de volgende structuur, afgeleid uit het 5COE-model, een handvat bieden om een voorbeeld te karakteriseren:

  • Gaat het om leermateriaal?
  • Welke services worden open aangeboden?
  • Welke onderwijsinspanningen worden open aangeboden?
  • Om welke vormen van openheid gaat het? (Klassiek, gratis, 5R)

Een aanpak om voorbeelden van open en online onderwijs te identificeren is om je te laten inspireren door voorbeelden van e-learning en je bij ieder voorbeeld af te vragen of en hoe dit open en online kan worden aangeboden. Bijvoorbeeld hier en hier zijn voorbeelden van e-learning te vinden. Daarnaast kan inspiratie worden gevonden op overzichten van projecten van open en online onderwijs, waaruit vormen van open en online onderwijs gedestilleerd kunnen worden. Kijk bijvoorbeeld op de site van Tony Bates of de JISC OER Toolkit.
Onderstaande tabel geeft een opsomming waarbij volledigheid niet is nagestreefd. Vormen van OER die bij veld 1.8 in NL-LOM (aggregatieniveau) als “aggregatieniveau 1” worden gekenmerkt (zoals afbeeldingen) zijn niet meegenomen.

Voorbeeld Leermateriaal Service Onderwijsinspanning Klassiek open
OER Gratis, 5R Alle vormen
MOOC (*) Gratis, soms 5R Gratis examinering, soms gratis certificering, gratis forum Gratis lecturing,gratis tutoring in forum Toegang, plaats, programma, soms tijd en tempo
Open textbook Gratis, 5R Alle vormen
Weblecture (**) Gratis, soms 5R Gratis lecturing Alle vormen
Verrijkte weblectures Gratis, soms 5R Soms gratis leerlijn Gratis lecturing Alle vormen
Webinar (***) Gratis Soms chat Gratis lecturing Toegang, plaats
Podcast Gratis, soms 5R Gratis lecturing Alle vormen
Khan Academy Gratis, 5R Gratis leerlijnen, gratis certificering (badges) Gratis lecturing Alle vormen
Online toets/examen Gratis, soms 5R Gratis examinering Alle vormen

(*) Alle mogelijke verschijningsvormen van een MOOC (zie een eerdere blogpost van mij) onderscheid ik hier niet apart.
(**) Voorbeelden van weblectures zijn voor mij ook TedX lezingen, de colleges op de Universiteit van Nederland en de opnames van Robbert Dijkgraaf bij de DWDD-University.
(***) Wanneer opnames van een webinar achteraf beschikbaar worden gemaakt beschouw ik die opnames als een weblecture.
De tabel leert dat alle voorbeelden in ieder geval gratis beschikbare leermaterialen bevatten om onder open en online onderwijs geschaard te worden. Daar waar het voorbeeld alleen leermateriaal betreft dat gratis en onder een open licentie is gepubliceerd zijn het strikt genomen vormen van OER. Ik heb de voorbeelden toch vermeld omdat OER als paraplubegrip een erg grote verscheidenheid aan leermaterialen omvat en daardoor weinig handvatten geeft wanneer je als instelling op zoek bent naar meer concrete voorbeelden.
De in de tabel genoemde voorbeelden kunnen deels worden beschouwd als “basisblokken” waarmee andere vormen kunnen worden samengesteld. Denk bijvoorbeeld aan het aanbod op de P2P-University, waarbij leerlijnen kunnen worden samengesteld uit afzonderlijk beschikbare OER en MOOC’s.
Meer gedetailleerde raamwerken als basis voor categorisering zijn ook mogelijk. Voorbeelden van additionele criteria zijn MIME-type, didactiek en aggregatieniveau (geeft een indicatie van de nog gewenste inspanning die een docent moet maken om het als volwaardig leermateriaal aan lerenden aan te bieden). Toevoegen van deze criteria kan een verfijning van de voorbeelden mogelijk maken (bijvoorbeeld het criterium didactiek maakt een onderscheid in MOOC’s naar xMOOC en cMOOC mogelijk).
Voor sommige instellingen is het open aanbieden van nu nog gesloten weblectures als start van activiteiten op dit gebied te beschouwen als laaghangend fruit. Het zou een mooie eerste stap kunnen zijn op dit gebied.
Ik sta open voor andere, door mij nog niet vermelde, voorbeelden van open en online onderwijs.

Opening the Curriculum


Deze week verscheen een rapport van de Babson Survey Research Group met de resultaten van een survey bij instellingen voor hoger onderwijs in de USA naar adoptie van OER (infographic). Hoofdsponsor van het onderzoek was de William and Flora Hewlett Foundation. Daarnaast gaf Pearson ondersteuning. Twee jaar geleden hebben ze een soortgelijk onderzoek uitgevoerd. In 2012 werden beleidsmakers bij instellingen ondervraagd; de huidige survey bevroeg de teaching staff (voornamelijk docenten).  In de onderstaande tabel staan de belangrijkste resultaten van toen en nu. Daar waar overeenkomstige thema’s in een uitspraak werden geadresseerd staan de uitspraken naast in dezelfde rij genoemd.

2012 2014
Most academic leaders are at least somewhat aware of open education resources (OER) and slightly over half list themselves as ‘Aware’ or ‘Very aware.’ Faculty are not very aware of open educational resources. Depending on the strictness of the awareness measure, between two-thirds and three-quarters of all faculty classify themselves as unaware on OER.
Awareness of OER is not a requirement for adoption of OER. More faculty are using OER than report that they were aware of the term OER. Resource adoption decisions are often made without any awareness of the specific licensing of the material, or its OER status.
Only one-half of all chief academic officers report that any of the courses at their institution currently use OER materials.
In 2011, most surveyed academic leaders report that open education resources will have value for their campus; 57 percent agree that they have value and less than five percent disagree. Faculty appreciate the concepts of OER. When presented with the concept of OER, most faculty say that they are willing to give it a try.
Nearly two-thirds of all chief academic officers agree that open education resources have the potential to reduce costs for their institution.
There is wide agreement among academic leaders that open education resources will save time in the development of new courses.
Among faculty, cost (88% reporting as important or very important) and ease of use (86%) are most important for selecting online resources.
The time and effort to find and evaluate are consistently listed as the most important barriers by faculty to the adoption of open education resources. The most significant barrier to wider adoption of OER remains a faculty perception of the time and effort required to find and evaluate it. The top three cited barriers among faculty members for OER adoption all concern the discovery and evaluation of OER materials.
Faculty judge the quality of OER to be roughly equivalent to that of traditional educational resources. Among faculty who do offer an opinion, three-quarters rank OER quality as the same as or better than traditional resources.
Over one-half of academic leaders agree or strongly agree that open education resources would be more useful if there was a single clearinghouse.
Older faculty have a greater level of concern with all potential barriers to open education resource adoption than do younger faculty.
Faculty are the key decision makers for OER adoption. Faculty are almost always involved in an adoption decision and — except for rare instances — have the primary role. The only exceptions are in a minority of two-year and for-profit institutions, where the administration takes the lead.

Enkele resultaten:

  • Bewezen doeltreffendheid / bruikbaarheid (proven efficacy) en vertrouwde kwaliteit zijn de belangrijkste criteria voor het selecteren van leermaterialen (resp. door 60% en 50% genoemd). Opvallend is dat kosten heel laag scoort (waarschijnlijk te verklaren doordat degenen die bepalen welk leermateriaal gebruikt wordt niet met de kosten worden geconfronteerd). In de volgende figuur zijn de criteria aangegeven.
  • 16% beoordeelt de kwaliteit van OER als beter dan niet-open (traditional) resources, terwijl 27% van mening is dat OER van slechtere kwaliteit is.
  • De meest gebruikte open resources zijn afbeeldingen en video’s (beide hoger dan 85%). De minst gebruikte zijn slides (minder dan 10% noemt dit).
  • De dimensie waarop OER het hoogste scoort tov traditional resources is kosten (wordt door 85% aangegeven). De dimensie waarop traditional resources het hoogste scoren tov OER is brede adoptie (wordt door 37% aangegeven). Beide criteria zijn echter minder belangrijk voor de selectie van leermaterialen door een docent.
  • Faculteiten (docenten) bepalen het al dan niet gebruiken van OER (wordt door 91% aangegeven).
  • De grootste barrières voor gebruik van OER zijn vindbaarheid en licentieproblematiek. In de volgende figuur zijn de barrières aangegeven.


De twee laatstgenoemde resultaten geven aan dat ondersteuning voor de docent die met OER aan de slag gaat of wil gaan essentieel is. Dit is een bevestiging van wat andere studies ook aangeven (zie bijvoorbeeld een studie in de UK). Deze constatering werd ook door aanwezigen bij een SURF terugkomdag van deelnemers aan strategische workshops Open Education geuit (“ontzorg de docent”). Wanneer naar de criteria gekeken wordt die belangrijk zijn voor selectie van leermaterialen is het nodig dat delen van ervaringen over kwaliteit en toepassing van OER (om “bewezen bruikbaarheid” van OER vast te kunnen stellen) wordt gestimuleerd.
Hoe docenten ontzorgd kunnen worden en of dat grotere adoptie van OER tot gevolg heeft, is het centrale vraagstuk dat ik in mijn lectoraat bij Fontys Hogeschool ICT adresseer. Delen van ervaringen met OER vormt daar een onderdeel van. De voorliggende studie geeft mij eens te meer een bevestiging dat dit een relevant thema is.

Workshop OER & MOOC in Nigeria

De National Open University of Nigeria (NOUN) in Lagos organiseerde op 10 en 11 september een workshop OER & MOOC. Deze workshop was een eerste stap op weg naar realisatie van hun voornemen alle 1800 cursussen als OER beschikbaar te stellen en een aantal daarvan als een MOOC te publiceren. Hiermee willen ze de kennis die ze hebben ten goede laten komen aan zoveel mogelijk mensen in Nigeria en daarmee hun reputatie van een instelling die kwalitatief goed onderwijs aanbiedt te verhogen.
Hoewel 300.000 studenten aan de NOUN voor Nederlandse begrippen al veel is, zijn er echter vele miljoenen die niet bereikt worden maar waar wel een potentiële vraag is naar hoger onderwijs. Nigeria heeft een oppervlakte van 1,4x de grootte van Frankrijk en telt 140 miljoen inwoners. In dit document van UNESCO zijn de volgende statistieken te halen:

  • Nigeria telt naar schatting 3,25 miljoen gehandicapte schoolkinderen in het primair onderwijs (situatie 2005). Hiervan genieten slechts 90.000 onderwijs.
  • Tussen 1986 en 1992 was het uitvalpercentage bij het primair onderwijs 43,2%. Dit betreft miljoenen personen waarvan dus bekend is dat ze nauwelijks onderwijs hebben genoten.
  • In 2005/2006 was het percentage kinderen dat na primair onderwijs doorging naar secundair onderwijs 50%.
  • Slechts 16% van de kinderen die in de onderbouw van het voortgezet onderwijs beginnen stromen door naar de bovenbouw.

Deze cijfers illustreren dat de potentiële behoefte aan onderwijs op latere leeftijd erg hoog is, maar dat met het aanbieden ervan tijd- en plaatsonafhankelijkheid belangrijk is. De doelgroep woont in afgelegen gebieden of hebben een baan en/of een gezin te onderhouden. Door cursussen als OER te publiceren en enkele ervan daarnaast als MOOC aan te bieden kan een grotere groep dan thans bereikt worden is de verwachting. Ze hebben sinds kort een projectgroep gevormd die tot taak heeft de OER-doelstellingen te realiseren.
De workshop werd georganiseerd door UNESCO en via Fred Mulder was ik benaderd deze te verzorgen. Het doel was een dertigtal medewerkers (waaronder de projectgroepleden) te trainen in het omzetten van bestaand cursusmateriaal naar OER en hen te leren hoe vanuit een bestaande cursus een MOOC te ontwerpen. Tevens moest hen algemene kennis over open en online onderwijs worden bijgebracht. De universiteit had vooraf zes cursussen geselecteerd uit hun portaal waarvan het materiaal als eerste omgezet moet worden naar OER. Al deze cursussen waren al online beschikbaar als PDF-document en geen van deze cursussen kende interactieve digitale elementen. Het cursusmateriaal was door de staf van NOUN geschreven.
Als basis voor het omzetten naar OER gebruikte ik een stappenplan dat ik eerder heb gemaakt. De deelnemers moesten de geselecteerde cursussen op basis van dat stappenplan analyseren en aangeven wat nodig was om er OER van te maken en welke activiteiten daarvoor nodig waren. Uit de ervaringen bleek dat het stappenplan verfijnd kan worden:

  • Stappen 1 en 2 (resp. Bepaal welke leermaterialen open gepubliceerd gaan worden en Bepaal welke open licentie gebruikt gaat worden) zijn stappen die eenmalig instellingsbreed moeten worden gemaakt.
  • De stappen kunnen concreter worden gemaakt door het toevoegen van checklists
  • Het stappenplan schenkt geen aandacht aan inhoudelijke, didactische en organisatorische afwegingen (zoals hoe omgaan met vragen aan een docent, is de didactiek passend voor een online omgeving, kan een onderwerp verduidelijkt worden met interactieve elementen zoals applets)

De deelnemers aan de workshop werden zich bij het oefenen met het stappenplan op de zes geselecteerde cursussen vooral ervan bewust dat (gebrek aan) actualiteit en het zonder bronvermelding overnemen in de tekst van bronnen van derden (plagiaat) een niet te onderschatten hoeveelheid werk zal opleveren wanneer ze daadwerkelijk de transformatie gaan realiseren. De NOUN kent al een portal met digitaal aanbod van cursusmateriaal van rond 1600 cursussen. Hoewel de cursussen daar als Open Courseware worden aangeduid, is er geen open licentie aan het materiaal gekoppeld (all rights reserved), waardoor herbruikbaarheid door derden niet is toegestaan. Door het veel voorkomende plagiaat zal bewerking van het materiaal ook noodzakelijk zijn om uiteindelijk tot een “zuiver” online aanbod te komen.
Voor het transformeren van een bestaande cursus (al dan niet OER) naar een MOOC wilde ik hen de volgende denktrant bijbrengen:

  1. Bepaal doel en doelgroep van de MOOC
  2. Bepaal uitgaande van doel en doelgroep de eisen aan de MOOC. Om hen daarbij houvast te bieden gebruikte ik hiervoor het model van Grainne Conole. Zij onderkent 12 criteria van belang bij een MOOC, waarvan een aantal specifiek de pedagogisch-didactische invalshoek bij het ontwerpen van een MOOC benadrukken. Om het criterium Quality Assurance in meer detail te kunnen specificeren wees ik ze op het kwaliteitslabel van OpenUpEd. Dit label kent 8 features die deels overlappen met die van Conole, maar die ook deels een verdieping aan QA geven.
  3. Ontwerp op basis van de eisen uit stap 2 de MOOC

De tijd tijdens de workshop was te kort om hen alledrie de stappen te laten doorlopen. Als oefening gebruikten de deelnemers het model van Conole, toegepast op een van de cursussen, om te specificeren aan welke eisen een MOOC, gebaseerd op dat materiaal zou moeten voldoen. De deelnemers waren van mening dat het model hen veel houvast gaf in deze oefening, maar dat er meer detaillering nodig is (zoals voorbeelden en checklists om een criterium te operationaliseren).
Na de workshop is samen met de projectgroep een plan opgesteld voor verdere acties. Een van de acties is dat iedere betrokkene zelf een MOOC gaat volgen om te ervaren wat het betekent. De onlangs gelanceerde MOOC on MOOC’s is een goede kandidaat. Verder hebben we hen geadviseerd als eerste experiment op MOOC-gebied niet uit te gaan van een bestaande cursus (o.a. vanwege de geconstateerde tekortkomingen) maar een heel ander onderwerp te nemen. We kwamen uit op “History of NOUN”. Die MOOC zou dan kunnen worden ingezet als een van de middelen om NOUN nog meer bekend te maken in Nigeria.
Tenslotte mocht de gebruikelijke groepsfoto niet ontbreken.

Zoekt en gij zult vinden

Vindbaarheid van OER is een van de drempels die grootschalig gebruik ervan in de weg staat. Ik heb daar in deze blog al eerder over geschreven. Een van de oorzaken is dat er weinig overzichten zijn van collecties (repositories) met OER. Wil je zoeken in collecties dan moet je al weten welke collecties er zijn en dan vervolgens in ieder daarvan een zoekactie starten. Om dat laatste te vermijden kan een zoekmachine die verschillende repositories tegelijk doorzoekt uitkomst bieden. Een generieke zoekmachine als Google heeft het bezwaar dat zoekresultaten zich niet beperken tot OER, waardoor de gezochte pareltjes lastig te vinden zijn in de resultaten.
In deze blogpost een overzicht van initiatieven die ik ken op beide gebieden als een eerste handreiking voor degenen die op zoek zijn naar repositories met OER danwel de wens hebben over repositories heen te kunnen zoeken op trefwoord.
Overzicht van repositories

  • De OER Repositories World Map. Een initiatief van Javiera Atenas en Leo Havemann (University of London resp. Universitat de Barcelona).
  • WSIS Knowledge Communities. Een wiki van UNESCO waar bezoekers links naar repositories kunnen toevoegen met een korte beschrijving.
  • Serendipity. Een initiatief, vergelijkbaar met de OER Repositories World Map, maar gebaseerd op een andere technologie.

Overzicht van zoekmachines die verschillende repositories tegelijk doorzoeken
In de onderstaande tabel staat een overzicht van zoekmachines. Om een klein idee te krijgen van de kracht van de zoekmachine heb ik een search gedaan naar de termen “Einstein”, “Shakespeare” en “Keynes”. De aantallen gevonden OER staan vermeld in de tabel. Ik heb daarbij niet gecheckt of de gevonden materialen ook relevant waren bij die zoekterm.
 

Zoekmachine Omschrijving Resultaten
Mijn eigen zoekmachine Het overzicht van Javiera Atenas (dat hierboven is genoemd) is de basis van een aangepaste Google zoekmachine die ik op mijn eigen site heb geplaatst. Einstein: 23 miljoen
Shakespeare: 21,7 miljoen
Keynes: 6,54 miljoen
Google OER zoekmachine Een door Google University aangeboden aangepaste zoekmachine Einstein: 2,7 miljoen
Shakespeare: 2,74 miljoen
Keynes: 252.000
Open Courseware Consortium Zoekt door >25000 cursussen van members van dit consortium Einstein: 30
Shakespeare: 24
Keynes: 1
Open Tapestry Zoekt naar open resources die door bezoekers zijn gemeld (1)
Wikiwijs Zoekt in collecties vnl. afkomstig uit Nederland. Einstein: 2
Shakespeare: 3
Keynes: 0(alleen die resources die getagd staan voor HBO/WO)

(1) Er wordt geen totaaloverzicht getoond cq aantal resultaten, maar de resultatenpagina wordt in blokken opgebouwd bij het scrollen naar beneden (a la Google Images)
Deze overzichten hebben bij lange na niet de pretentie volledig te zijn. Een Google search op “OER search engine” (zonder de “”) gaf 359.000 resultaten. De twee eerstgenoemde resultaten daar zijn resp. de pagina “Finding OERs” uit de OER Infokit van JISC en “Look no Further for OER Search Engines” van Curriki (daterend uit 2010).
Een paar van de hierboven genoemde sites geven de mogelijkheid links naar OER zelf toe te voegen (met korte beschrijvingen) of OER die via de betreffende site gevonden wordt te beoordelen. Wat daarbij opvalt is dat met name dat laatste nauwelijks van de grond komt. Het vraagstuk om te beoordelen of gevonden OER daadwerkelijk is wat je zoekt blijft daardoor weinig ondersteund.