Ljubljana OER Action Plan 2017, een analyse en beschouwing


In 2012 werd bij het 1e OER World Congress van UNESCO de Paris Declaration on OER opgesteld en gepubliceerd. In die Declaration worden overheden wereldwijd opgeroepen om leermaterialen die met publiek geld zijn gemaakt onder een open licentie beschikbaar te stellen voor iedereen en adoptie van OER te stimuleren.
In de vijf jaar die sindsdien zijn verstreken is vastgesteld dat mainstreaming OER, nodig om daarmee beter in staat te zijn de Sustainable Development Goal 4 “Ensure inclusive and equitable quality education and promote lifelong learning opportunities for all“ te realiseren, niet heeft plaatsgevonden. Onderzoek naar oorzaken daarvan leverde vijf barrières op:

  1. Beperkte vaardigheden van gebruikers en beperkingen in tools om OER te vinden, te gebruiken, te maken en te delen;
  2. Taal en cultuur issues;
  3. Beperkingen in inclusieve en gelijke toegang tot hoge kwaliteit OER;
  4. Te weinig zicht op (business) modellen om OER duurzaam te publiceren en gebruiken;
  5. Te weinig aandacht voor adoptie van OER in beleidsondersteuning.

Om die reden is gestreefd naar publiceren van een actieplan met aanbevelingen om deze barrières te slechten. Onder het motto “OER for Inclusive and Equitable Quality Education: From Commitment to Action” werd van 18 t/m 20 september in Ljubljana (Slovenië) het 2nd OER World Congress georganiseerd. Op dat congres is een concept actieplan gefinaliseerd, vastgesteld en goedgekeurd door de aanwezigen.
In het afgelopen jaar is hiervoor het volgende proces doorlopen:

  • Opstellen 1e draft van het document. Dit document was input voor:
  • 6 regional consultations waar de draft werd bediscussieerd en waarin voorstellen voor activiteiten voor het actieplan zijn gegenereerd. Dit leidde tot een 2e versie van een draft document.
  • In de maanden voorafgaand aan het congres was er voor iedere belangstellende de mogelijkheid online te amenderen. Dit leidde tot >100 voorstellen voor amendering. Deze zijn verwerkt in een 3e versie van het draft document.
  • Op het congres zijn de laatste amenderingen op de laatste versie van het draft document besproken in panelsessies. Dit heeft geleid tot een finale versie die door het congres met algemene stemmen is vastgesteld.
  • Er was ook een ministeriële sessie, waarin 20 ministers en staatssecretarissen zich bogen over het document om uiteindelijk te komen met een Ministerial Statement. In dit statement geven ze hun goedkeuring aan het Action Plan en roepen alle stakeholders op uitvoering te geven aan het Action Plan.

>> Download verslagen van de consultatiebijeenkomsten
>> Download Ljubljana OER Action Plan 2017
>> Download de Ministerial Statement

Dit Action Plan adresseert alle onderwijssectoren:

In order for OER to reach its full transformative potential for supporting the realization of SDG 4, OER needs to be more integrally a part of educational policies and practices from early childhood education to post-secondary and higher education and lifelong learning. Mainstreaming OER-based content will depend upon a commitment to openness and access of OER educational content by learners, educators, institutions and governments, and also requires that other pre-conditions to quality education are in place.

En de aanbevelingen gelden voor een veelheid aan stakeholders:

The stakeholders addressed in this document are educators, teacher trainers, librarians, learners, parents, educational policy makers (at both the governmental and institutional level), teacher and other professional associations, student associations, teacher and student unions as well as other members of civil society, and intergovernmental organizations and funding bodies. Support of decision makers at governmental and institutional levels is essential for the realization of the Ljubljana OER Action Plan. Multiple stakeholder’s support for the actions is also crucial for the implementation of the proposed actions.

Niet alle aanbevelingen zijn voor alle stakeholders en alle sectoren even toepasbaar. Voor het hoger onderwijs in Nederland, met inachtneming van wat er al gebeurt in Nederland rond adoptie van OER, zijn de volgende aanbevelingen van belang. De toewijzing naar stakeholders is deels mijn interpretatie; een dergelijke toewijzing is niet bij iedere aanbeveling geëxpliciteerd in het Action Plan.

  • Zorg voor aanbrengen van besef van OER en vaardigheden om met OER om te gaan in lerarenopleidingen, BKO-trajecten en opleidingen voor bibliotheekfuncties. Dit omvat onder meer kennis over hoe OER te vinden, aan te passen, onderhouden en delen, kennis over copyright-gerelateerde issues en digitale geletterdheid rond issues met betrekking tot security waar het ontwikkeling en gebruik van OER betreft.
  • Dissemineer onderzoeksresultaten naar OER voor creëren van good practices rond kosteneffectiviteit, duurzaamheid en tooling voor maken en delen van OER.
  • Organiseer ondersteuning bij vinden, maken en hergebruiken van OER.
  • Ondersteun en stimuleer ontstaan van effectieve peer netwerken (zoals vakcommunities) voor het delen van OER.
  • Zorg voor een systeem waarin maken, delen en hergebruiken van OER wordt erkend en beloond.
  • Houd bij maken en delen van OER rekening met issues als taal en cultuur. Dat geldt zeker als het aannemelijk is dat de OER wereldwijd gebruikt gaan worden, maar kan ook gelden voor gebruik in de eigen instelling, waar steeds meer studenten uit het buitenland instromen en studenten uit Nederland met een niet-Nederlandse afkomst.
  • Houd bij maken en delen van OER rekening met toegankelijkheid en inclusief gebruik. Denk bijvoorbeeld aan toegankelijkheid voor personen met een handicap.
  • Zorg voor systemen voor peer-review kwaliteitscontrole bij maken en aanpassen van OER. Maak dit systeem onderdeel van de reguliere kwaliteitssystemen in een instelling. Ontwikkel op nationaal en instellingsniveau standaarden en benchmarks voor de kwaliteitsborging van OER.
  • Onderzoek de invloed van OER op processen voor maken en gebruiken van hoge kwaliteit leermaterialen.
  • Onderzoek (business)modellen voor duurzaam delen en hergebruik van OER.
  • Ontwikkel beleid op nationaal en instellingsniveau om de acties te initiëren en stimuleren. Neem uitspraken over ondersteuning van een OER aanpak op in visie en missie van overheid en instellingen.

Beschouwing

Zoals eerder gemeld is het Action Plan bedoeld voor een brede waaier aan onderwijssectoren (inclusief non-formeel leren) en stakeholders. De mate van adoptie van OER in verschillende landen is ook heel divers. Bij sommige landen moet er nog een eerste besef van de mogelijkheden ontstaan, in andere landen (zoals Nederland) is men al veel verder. In die zin zal er niet één proces van implementatie van de aanbevelingen zijn. Het Action Plan laat zich daarom ook niet uit over een dergelijke implementatiestrategie, maar richt zich vooral op het realiseren van een solide basis die nodig is om te bereiken dat OER mainstream wordt.
OER wordt gezien als een belangrijk middel om te komen tot kwalitatief goed onderwijs met gelijke toegang tot middelen voor iedere wereldburger, zonder toegangsdrempels (zoals in de UNESCO SDG 4 is geformuleerd). De voorgestelde acties richten zich daarom op dat toegangsaspect en verhogen van de kwaliteit van onderwijs. Bij dat laatste wordt vooral ingestoken op de mogelijkheden van OER om te komen tot betere docenten en wordt er nauwelijks stilgestaan bij wat die docenten dan vervolgens met OER kunnen doen. Is dat een gemiste kans? Wellicht zal een aanpak die start met het laatste (kweken van interesse bij de docent door uit te gaan van zijn of haar specifieke onderwijscontext, zodat effecten van OER direct zichtbaar zijn) en dan de skills aanbrengen om OER daadwerkelijk te kunnen inzetten (waar de acties uit het actieplan zich op richten) een goede strategie zijn. Het Action Plan sluit die strategie overigens niet uit, maar benoemt die ook niet expliciet.
Het Action Plan gebruikt ook een strikte definitie van OER: vrije toegang en recht op aanpassen en hergebruiken van de materialen onder de voorwaarden van een open licentie. Er zijn echter vele online bronnen die vrij toegankelijk zijn, maar niet aan de voorwaarden van de open licentie voldoen. Hoewel ze niet aangepast mogen worden kunnen deze bronnen zinvol zijn in bepaalde contexten (bijvoorbeeld voor een self-learner). De meeste MOOC’s vallen bijvoorbeeld onder deze categorie. Bij de implementatie van de aanbevelingen zou aandacht voor dit onderscheid in contexten zinvol kunnen zijn, zodat as-is hergebruik van dergelijke bronnen meegenomen wordt.
Het plan benoemt wel de potentie van OER voor onderwijsprocessen en de voorwaarde van een goede didactiek om OER effectief te laten zijn:

OER’s transformative potential going forward – reinforced by the expansion of ICT and broadband infrastructure – broadens horizons for knowledge sharing and collaboration among educators, institutions and countries. If used effectively and supported by sound pedagogical practices, OER allow for the possibility to dramatically increase access to education through ICT, opening up opportunities to create and share a wider array of educational resources to accommodate a greater diversity of educator and learner needs. Increased online access to OER further promotes individualized study, which, when coupled with social networking and collaborative learning, fosters opportunities for pedagogical innovation and knowledge creation.

In die opvatting is mainstreaming OER een voorwaarde om deze onderwijstoepassingen mogelijk te maken om dan pas te kunnen denken aan zaken als Open Educational Practices en Open Pedagogy. En zoals eerder opgemerkt zijn lang niet alle landen al zover dat er zelfs maar een begin van mainstreaming van OER aan de gang is.
Naast een hoofdprogramma dat zich richtte op het finaliseren van het Action Plan, was er ook een nevenprogramma in Ljubljana. In één van de sessies in dat nevenprogramma werd de publicatie Cape Town + 10 (CPT+10) gelanceerd. De “+10” verwijst naar de 10 jaar die er zijn verstreken sinds in 2007 de Cape Town Declaration for Open Education werd gepubliceerd. Deze Declaration heeft als ondertitel “Unlocking the promise of open educational resources”. De Declaration is ontstaan vanuit een bottom-up aanpak en heeft als doel OER beter en meer toepasbaar te maken om daarmee te komen tot open(er) vormen van onderwijs. Momenteel hebben een kleine 2600 individuen en ongeveer 270 organisaties de Declaration ondertekend. In CPT+10 worden tien richtingen gesuggereerd om meer open(er) onderwijs te realiseren. De scope is dus breder dan alleen OER, overlapt deels met aanbevelingen uit het Action Plan en geeft handvatten om invulling te geven aan implementatie van de aanbevelingen uit het Action Plan.
Ik heb me beperkt tot het duiden van het plan voor het hoger onderwijs. Zoals vermeld gelden de aanbevelingen in het plan voor alle vormen van onderwijs (zeg maar van de wieg tot het graf, formeel en non-formeel). Omdat iedere onderwijssector haar eigen karakteristieken heeft zal het implementeren van de aanbevelingen maatwerk zijn per sector. En wellicht dat acties voor andere sectoren nog meer nodig zijn dan voor het hoger onderwijs. Ik denk dan met name aan het beroepsgerichte onderwijs, zowel regulier als non-formeel. Recent hebben Ben Janssen en ik, in opdracht van UNESCO, een onderzoek uitgevoerd naar de stand van zaken betreffende adoptie van OER in die sector. Uit dat onderzoek blijkt dat het belang van OER voor die sector wereldwijd hoog wordt geacht, maar dat daadwerkelijke activiteiten om adoptie van OER te realiseren nauwelijks van de grond komen of zelfs maar aandacht krijgen van overheden. In Ljubljana hebben we de voorlopige resultaten gepresenteerd in het nevenprogramma.
>> Slides presentatie OER in TVET
Om een en ander effectief en efficiënt te laten verlopen zou de overheid in dezen een regierol moeten voeren, zodat lessons learned uit één sector, indien toepasbaar, ook ter beschikking komen in andere sectoren. Maar daarnaast zijn ook instellingen aan zet om werk te maken van implementatie van de aanbevelingen.
Ter afsluiting een sfeerbeeld van het congres middels een (bijna onvermijdelijke) groepsfoto.

Boegbeeldproject hbo verpleegkunde en infrastructuur


Eind vorig jaar lanceerde (inmiddels demissionair) minister Bussemaker twee boegbeeldprojecten. Het doel van deze projecten is ervaring op te doen met instellingsoverstijgend open delen van leermaterialen. In het wo houden de 4 TU’s zich bezig met leermaterialen voor het vakgebied wiskunde (gestart in april, looptijd 16 maanden). In het hbo is gekozen voor delen van leermaterialen voor het vakgebied verpleegkunde (gestart in januari, looptijd 12 maanden). Bij dat laatste project zijn 5 hbo-instellingen in januari gestart, met als projecttrekker Fontys Hogeschool Mens en Gezondheid.
>> Meer informatie over de boegbeeldprojecten
In deze blog zal ik de context van het hbo-project beschrijven en de keuzes die we, met name voor de infrastructuur, in dit project hebben gemaakt. 

Context

Alle 17 hbo-instellingen die een Bachelor Verpleegkunde aanbieden, zijn verenigd onder de vlag van het LOOV: Landelijk Overleg Opleidingen Verpleegkunde. In 2016 presenteerden ze een plan voor een gezamenlijk curriculum, Bachelor Nursing 2020 (BN2020). Dat betekent dat op kernbegrippen, thema’s en globale leerdoelen de 17 hogescholen uniform zijn. Wel kan iedere hogeschool eigen accenten aanbrengen en variëren in onderwijsvormen.
Een dergelijke context maakt potentieel instellingsoverstijgend delen van leermaterialen kansrijk. Immers, door de afspraken in BN2020 spreekt iedere opleiding dezelfde taal en kunnen leermaterialen van elders daardoor beter inzetbaar zijn op verschillende plekken. Mede daarom heeft de Vereniging Hogescholen deze opleiding naar voren geschoven voor het boegbeeldproject. Naast Fontys participeren ook Hogeschool Zuyd, Saxion, Hogeschool Rotterdam en de HAN in dit project.

Aanpak

Mede op basis van ervaringen die over Wikiwijs zijn gerapporteerd, zijn de volgende uitgangspunten geformuleerd:

  1. Om gedeelde leermaterialen daadwerkelijk hergebruikt te laten worden is vertrouwen nodig bij docenten over de kwaliteit van het leermateriaal
  2. De kwaliteit van het leermateriaal moet na publicatie zichtbaar en herkenbaar zijn
  3. Om de leermaterialen actueel te houden en te leren van ervaringen ermee is een actieve vakcommunity nodig.

Tot nu toe hebben we binnen het project vooral gewerkt aan uitgangspunten 1 en 2. Er is een kwaliteitsmodel opgesteld waarin de eisen zijn geformuleerd waar goed leermateriaal voor hen aan moet voldoen. Dit model kan ook dienen als handvat voor docenten die een beeld willen krijgen van wat door de opleiding goed leermateriaal wordt genoemd. De eisen betreffen vakinhoudelijke kwaliteit, didactische kwaliteit, beschrijvende gegevens (metadata), vormgeving, taal(gebruik) en copyright.
Momenteel worden bestaande bronnen bij ieder van de vijf hogescholen langs dit model gelegd. Wanneer de materialen voldoen worden ze beschreven en gedeeld op een gemeenschappelijk platform. Deze materialen hoeven niet per se afkomstig te zijn van hen zelf. Bijvoorbeeld Youtube bevat veel geschikte leermaterialen die alleen adequaat moeten worden beschreven om daardoor beter vindbaar te zijn. In die zin vormen de docenten een curator rol omdat ze hierdoor op basis van het kwaliteitsmodel het kaf van het koren scheiden.
Wat betreft de infrastructuur is ervoor gekozen om gebruik te maken van wat er al aan beschikbare componenten bestaat in Nederland. De onderstaande figuur geeft een totaaloverzicht (erop klikken geeft een groot formaat)


De door het project tot nu gebruikte elementen zijn:

  • Edurep Delen: voor het beschrijven van geschikte materialen die al in diverse bronnen aanwezig zijn en uploaden van nieuwe materialen in de eigen database van Wikiwijs
  • NL-LOM als standaard voor metadateren
  • Een volgens assemble-to-order procedure gecreëerde startpagina van waaruit de leermaterialen vanuit diverse filters kan worden gezocht. De snelle en deskundige hulp van Linda le Grand van Kennisnet is hierbij van onschatbare waarde.
  • Zoeken maakt gebruik van de door Edurep verzamelde metadata.

Uit de figuur is verder te lezen dat we de keurmerkfunctie van Wikiwijs willen gaan gebruiken om de leermaterialen die aan het kwaliteitsmodel voldoen zichtbaar te maken. Dat gaat gebeuren door het toevoegen van een nog te maken icoontje aan het materiaal. Wanneer een gebruiker dat materiaal in de zoekresultaten krijgt kan hij/zij op dat icoontje klikken, waarna het kwaliteitsmodel dat gebruikt wordt zichtbaar wordt. Door die transparantie hopen we te bereiken dat er vertrouwen ontstaat in de kwaliteit van het leermateriaal en daarmee hergebruik positief wordt beïnvloed. Daarnaast willen we stimuleren dat gebruikers de leermaterialen gaan beoordelen, gebruikmakend van de mogelijkheden die Wikiwijs hiervoor biedt (sterren rating en maken van een review).

Hoe verder?

In de komende weken zullen we ervaring gaan opdoen met deze infrastructuur. Er zullen leermaterialen gedeeld worden en docenten bekend gemaakt worden met deze leermaterialen. Ze zullen geactiveerd worden ook zelf te gaan delen en hergebruiken. Tevens zullen keurmerken aan de materialen worden toegevoegd. Er zal een start gemaakt worden met een vakcommunity rondom die leermaterialen, waarschijnlijk startend met de meest actieve docenten. Verder zullen vocabulaires voor de bij verpleegkunde gebruikte terminologie worden opgesteld en als standaard worden aangemeld bij Edustandaard. Vanuit SURF zijn daar al acties in ondernomen.
In de huidige infrastructuur in Nederland ontbreekt nog een ondersteunend platform voor vakcommunities. Ik zie daarin een taak voor SURF. Hopelijk zal de komende ronde van de stimuleringsregeling open en online onderwijs, pijler open leermaterialen, met een focus op vakcommunities, zorgen voor ontwikkeling van een dergelijk platform, zodat de online activiteiten van een dergelijke community adequaat kunnen worden ondersteund.

Eerste resultaten stimuleringsregeling open en online onderwijs


Bij de eerste ronde van de stimuleringsregeling open en online onderwijs in 2015 werden 11 aanvragen gehonoreerd. Deze projecten zijn afgerond. Deze week verscheen een publicatie van SURF Checklist Aan de slag met open en online onderwijs waarin 9 geleerde lessen uit die projecten zijn geformuleerd.
>> Download publicatie
In deze publicatie staan de 11 projecten benoemd, met links naar de resultaten. Een soortgelijk overzicht staat ook op de website van SURF. In dat overzicht staan details van 8 van de 11 projecten. Omdat ik wilde weten waar dat verschil in aantal door te verklaren was en ook meer wilde weten over de openheid van de projectresultaten heb ik de resultaten nader bekeken. Janina van Hees, die vanuit SURF de stimuleringsregeling begeleidt, heeft me op aanvraag extra informatie gestuurd. Dit waren mijn bevindingen.

  • De 3 projecten die ontbreken in het overzicht op de website zijn Flipping the master (Erasmus Medisch Centrum), Data Science voor Alfa en Gamma (Universiteit Tilburg) en Open leerplatform met anatomische content (LUMC). De verwachting is dat de resultaten van de eerste twee genoemde projecten binnenkort ook via dat overzicht op de website toegankelijk worden. De reden waarom dat laatstgenoemde project ontbreekt in de overzichtstabel is mij niet duidelijk geworden.
  • De meeste projecten hebben keurig voldaan aan de eis dat ontwikkeld materiaal onder een Creative Commons licentie beschikbaar worden gesteld.
  • Een aantal projecten (waar het ontwikkeling van een MOOC betrof) heeft de voor die MOOC’s ontwikkelde video’s ook beschikbaar gesteld op Youtube, zodat deze materialen ook toegankelijk zijn zonder de plicht je eerst te moeten registreren voor die MOOC. Voor publicatie zijn diverse Creative Commons licenties gebruikt.
  • Soms is de licentie bij de bronnen niet duidelijk. Bijvoorbeeld bij de video’s van de MOOC FFESx van de Wageningen University is de licentie volgens het overzicht op de website van SURF CC BY-NC-ND, maar bij de video’s in Youtube staan geen licenties vermeld (afgezien van de trailer). Bij het project Denken, delen, doen van de NHL en de Haagse Hogeschool is een reader beschikbaar gesteld. In die reader ontbreekt de Creative Commons licentie. Daardoor is onduidelijk of en onder welke voorwaarden de artikelen in die reader mogen worden hergebruikt.
  • Bij het project Responsible Innovation van de TU Delft zijn cursussen ontwikkeld die niet vrij beschikbaar zijn. Janina van Hees meldde me dat de cursusmaterialen na de eerste run van die cursussen als Open Courseware beschikbaar komen. Voor het e-book dat onderdeel is van dit project staat in de colofon “© March 2016”. Het lijkt erop dat die publicatie niet onder een Creative Commons licentie is gepubliceerd.

Wat betreft de kwaliteit van de inhoud van de cursussen voel ik me niet capabel genoeg daar een uitspraak over te doen. Echter, voor mij springt het project Basisbeginselen statistiekonderwijs van de Universiteit Utrecht er uit. Prachtig materiaal, mooie opzet en dito inhoud. Een pareltje wat mij betreft!

Geleerde lessen

De publicatie vermeldt ook negen, veelal unaniem, gedeelde ervaringen uit de projecten, geformuleerd als aanbevelingen. Zes ervan betreffen online onderwijs, drie ervan open leermaterialen. Die laatste drie aanbevelingen zijn

  1. Steek als instelling én als overheid energie in het promoten van open onderwijsmateriaal.
  2. Maak gebruik van reeds beschikbaar open leermateriaal.
  3. De bibliotheek wil je graag helpen. Maak er gebruik van.

Bij aanbeveling 2 wordt gepleit voor “een ‘meta-platform’ dat een overzicht zou kunnen bieden van open leermateriaal dat inmiddels al gemaakt is door Nederlandse hogeronderwijsinstellingen. Het platform moet meer zijn dan een verzameling links naar repository’s, maar minder dan een database met individuele leerobjecten.” Dit platform bestaat er in potentie al: Wikiwijs. In deze blog beschrijf ik in meer detail de mogelijkheden van dit platform (en meer) die in het boegbeeldproject hbo verpleegkunde worden gebruikt. Daarnaast is SURF ook bezig met ontwikkelingen aan het platform Sharekit, waardoor delen van leermaterialen via dat platform mogelijk wordt. Welke functionaliteiten daar op termijn precies zullen worden aangeboden is nog niet duidelijk.

Vervolg

Momenteel kan voor de 4e ronde van de stimuleringsregeling worden ingeschreven. Ten opzichte van de voorgaande edities zijn er flinke wijzigingen. Zo is er meer geld beschikbaar (€ 1.1M) en worden twee categorieën (pijlers) onderscheiden: open leermaterialen (met focus op vakcommunities) en online onderwijs (met focus op peer feedback en peer assessment). Uit de voorwaarden van deze regeling kan worden afgeleid dat, wanneer er geen leermaterialen worden ontwikkeld, bij de laatste pijler projecten niet per se hoeven bij te dragen aan open onderwijs om toch in aanmerking te komen voor subsidie. Persoonlijk vind ik dat jammer; de intentie van de regeling was indertijd stimuleren van openheid in onderwijs. Voor de duidelijkheid kan daarom de regeling beter worden hernoemd naar Stimuleringsregeling open en/of online onderwijs.

OER en commercie, strange bedfellows?


Deze blog is een co-productie van Ben Janssen en mijzelf.

Inleiding

De Open Education beweging is inmiddels 15 jaar oud. Een van de onderwerpen waarover nog steeds flink wordt gediscussieerd is hoe het maken en verspreiden van Open Educational Resources (OER) voor het onderwijs rendabel zou kunnen worden.
In de VS lijkt de onderneming Lumen Learning, mede opgericht door een van de grondleggers van de OER-beweging David Wiley, een businessmodel rond Open Educational Resources te hebben ontwikkeld dat perspectiefvol is. De onderneming heeft enerzijds een investering van $ 3,75 miljoen ontvangen van zogenaamde angel investors en is anderzijds een alliantie aangegaan met Follett, een onderneming die leermiddelen voor het onderwijs distribueert. Via deze twee lijnen hoopt Lumen Learning een versnelling te bewerkstelligen in de adoptie van OER door onderwijsinstellingen in de VS. Voor meer informatie over deze samenwerking: zie het persbericht en de blogpost van David Wiley.
In een eerdere blogpost is Lumen Learning beschreven als “Het richt zich op ondersteuning van onderwijsinstellingen die stappen willen zetten met implementeren van een OER-aanpak.”. David Wiley karakteriseerde het als A Red Hat for OER: het bedrijf biedt, naast OER, ondersteunende diensten aan om onderwijsinstellingen te helpen bij de adoptie van OER (publiceren, maar vooral ook hergebruik). Ze hebben daarnaast beschikbare OER uitgebreid met resources als quizzes, die echter vaak niet als OER beschikbaar zijn.
Al vrij snel na het bekend worden van de plannen van Lumen Learning ontspon zich op internet een discussie over het nieuwe businessmodel van Lumen Learning (bijvoorbeeld Stephen Downes (hier en hier),  Phil Hill, Michael Feldstein, en een reactie van David Wiley). Die discussie richtte zich met name op de vraag of de OER hierdoor alleen beschikbaar zou komen worden voor de scholen en/of lerenden die ook de betaalde services en aanvullende materialen afnemen. Dat blijkt niet het geval te zijn, de OER blijven door hun open licenties voor iedereen vrij beschikbaar.

Vraagstelling en analyse

Een vraag die nog niet is opgeworpen en die ons inziens belangrijk is:

Is OER bruikbaar voor docenten (en instellingen) zonder dat men aanvullende diensten van een onderneming als Lumen Learning/Follett hoeft af te nemen?

Om deze vraag te kunnen beantwoorden grijpen we terug naar een artikel over OER en businessmodellen die we voor het SURF SIG OER trendrapport 2013 hebben geschreven. In dit artikel gebruiken we het Business Model Canvas van Osterwalder en Pigneur om te modelleren welke invloed publiceren en hergebruiken van OER heeft op een (publiek bekostigde) universiteit. In de volgende figuur is in rood aangegeven welke gevolgen een dergelijke verandering heeft op het businessmodel (klik op de figuur om een grotere versie te bekijken; opent in een nieuw venster)

Voor deze blogpost zijn vooral de wijzigingen onder Key Resources voor docent en ondersteuner en onder Revenue streams van belang bij hergebruik van OER:

  • Docent wordt docent +: de + is een awareness van de mogelijkheden van OER en de capaciteiten om van die mogelijkheden gebruik te maken
  • Ondersteuners wordt ondersteuners +: de + zijn de kennis en vaardigheden die direct samenhangen met de beleidsbeslissing, zoals ondersteuning bij zoeken en aanpassen
  • Revenue streams: de bijdrage van studenten voor aanvullende diensten bij OER.

Voor onze beschouwing zijn de volgende dimensies van belang:

  • De OER zijn voor een docent wel of niet beschikbaar met betaalde aanvullingen en diensten. OER zonder die aanvullingen vind je veelal bij open repositories (zoals Wikiwijs, OERCommons, Merlot). Als docent vind je daar leermaterialen in grofweg twee vormen: geordend in een leerlijn (bijvoorbeeld als open textbook) of niet geordend in een leerlijn. OER met betaalde aanvullingen geeft de situatie weer die ontstaat bij de deal tussen Lumen Learning en Follett. Bij deze situatie kun je onderscheid maken tussen de bruikbaarheid van OER voor de docent met of zonder die aanvullingen. Deze bruikbaarheid kan laag zijn wanneer bijvoorbeeld de OER alleen excerpten uit een leerlijn zijn (vergelijk Google Books, waar slechts enkele pagina’s per boek aangeboden worden).
  • Een docent heeft al dan niet tijd, kennis/kunde en middelen ter beschikking (zowel via eigen kennis en vaardigheden als via aanwezige ondersteuning) om beschikbare OER aan te passen aan zijn situatie

We nemen in onze overweging de aanname dat de OER open beschikbaar zijn voor iedere belangstellende, onafhankelijk of hij/zij betaalt voor de aanvullende diensten. Indien dit niet zo is (zoals hier het geval lijkt te zijn), mogen de aangeboden leermaterialen per definitie geen OER genoemd worden.
Beide dimensies gecombineerd geeft de volgende te onderscheiden situaties A t/m E waar het gaat om hergebruik van OER:

  OER zonder (betaalde) aanvullingen en diensten OER met (betaalde) aanvullingen en diensten
Bruikbaar zonder Niet bruikbaar zonder
Wel aanvullen door docent A. Optimaal vanuit open standpunt bezien B. Keuze-alternatief: make or buy
Niet aanvullen door docent C. Suboptimaal wanneer de OER as-is niet 100% aansluit bij de context van de docent D. Keuze-alternatief: buy or not E. Mogelijkheid, maar niet gratis

Een beschrijving van de situaties:

  1. De beschikbare OER zijn voldoende voor een docent om het (optimaal) te kunnen inzetten in zijn of haar situatie, al dan niet na aanpassing ervan. Wanneer men het heeft over publiceren en hergebruiken van OER, dan heeft men in de meeste gevallen (veelal impliciet) deze situatie voor ogen. De mogelijkheid dat extern gespecialiseerde diensten kunnen worden ingekocht, kan de adoptie van OER in een instelling wel versnellen.
  2. Een docent/instelling heeft de keuze: ofwel de aanvullingen worden door een docent zelf gemaakt, ofwel de docent/instelling besluit om de aanvullingen te kopen.
  3. Alleen wanneer de beschikbare OER een bijna 100% fit hebben met de context van gebruik is de situatie vergelijkbaar met situatie A. In de praktijk zullen echter OER moeten worden aangepast aan de eigen context voor een optimale fit. Wanneer die aanpassingen niet gedaan kunnen worden zorgt gebruik van OER voor een suboptimale onderwijssituatie.
  4. Wanneer de aanvullende materialen en diensten de beschikbare OER meer passend kunnen maken bij de gegeven context kan een docent/instelling besluiten daarvoor te betalen om zo een situatie te creëren die vergelijkbaar is met situatie A.
  5. In deze situatie is gebruik van OER financieel vergelijkbaar met gebruik van niet-open leermateriaal. Het voordeel van de OER-situatie moet dan liggen in de grotere mogelijkheden om de leermaterialen (via de aanvullingen en met aanschaf van diensten) aan te passen aan de specifieke context van gebruik, zonder dat aan de leermaterialen licentiekosten zijn verbonden.

Bij de situaties B, D en E ontstaat de vraag: wie betaalt de rekening: de instelling, de studenten, of de samenleving? Dat laatste is bijvoorbeeld het geval wanneer aanschaf van leermaterialen door de overheid gefinancierd wordt (zoals bij de Wet Gratis Schoolboeken in het VO). Wanneer de instelling betaalt, verschuift in het businessmodel de post “bijdrage lerenden/organisaties voor aanvullende diensten rond OER” naar Cost Structure.

Onze conclusie

Uiteindelijk zijn OER geen doel op zich, maar zullen zij moeten bijdragen aan verhoging van de kwaliteit van onderwijs. Ons onderzoek van vorig jaar onderschrijft dit doel, maar leerde ook dat voor adoptie van OER onder meer awareness, tijd en ondersteuning nodig is. Wanneer met dergelijke publiek/private constructies adoptie vergroot kan worden, is dat een goede zaak, mits te allen tijde de OER vrij beschikbaar zijn en de 5R rechten kunnen worden uitgeoefend. Daarmee hebben een docent en instelling een keuze: investeren in professionalisering van docenten en ondersteuners (om de “+” uit het businessmodel te realiseren) en/of inkopen van de aanvullingen en diensten.
<Update>
Willem van Valkenburg wees ons in een reactie op de beperktheid van de conclusie:

(NB: CC in zijn reactie is Community Colleges). Hij heeft gelijk: de beschreven doelstelling, en daarmee ook de conclusie, geldt in Nederland (waar ook het onderzoek waaraan we refereren is uitgevoerd). Deze beperking had wat duidelijker mogen worden vermeld, waarvan akte.
</Update>
In Nederland hanteert stichting VO-Content feitelijk een dergelijk businessmodel in het voortgezet onderwijs. VO-Content bestaat al zes jaar en haar aanpak is om OER (geordend in open beschikbare leerlijnen, meer en meer via Wikiwijs) met aanvullende diensten en materialen beschikbaar te stellen. De kosten hiervoor (€7 per leerling per jaar) betalen de scholen uit de Rijksbijdrage voor leermaterialen (€320 per leerling per jaar). Scholen zijn echter niet verplicht deze kosten te betalen als ze gebruik maken van de OER.

Tenslotte

Om te eindigen een aanrader. Deze week verscheen het langverwachte boek Made With Creative Commons van Creative Commons. In dit gratis te downloaden boek zijn 24 case study’s beschreven van open businessmodellen, uit allerlei gebieden (zoals onderwijs, kunst, muziek). Uit de Introduction:

This book shows the world how sharing can be good for business—but with a twist. (…) Those we interviewed were not typical businesses selling to consumers and seeking to maximize profits and the bottom line. Instead, they were sharing to make the world a better place, creating relationships and community around the works being shared, and generating revenue not for unlimited growth but to sustain the operation.”

Regionale consultatie Europa voor 2e World Congress OER


Ter voorbereiding op het 2e World Congress on OER werd van 23-24 februari op Malta een Regional Consultation gehouden. “Regional” in UNESCO-termen betekent hier Europa. Eerder was er al een consultatie in Azië (resultaten hier en hier) en er volgen er nog in het Midden-Oosten & Noord-Afrika, Afrika, Noord- en Zuid-Amerika en de Pacific.
Het eerste World Congress on OER in 2012, Parijs leidde tot de Paris OER Declaration, waarin overheden zich committeerden om awareness rond OER te verhogen en gebruik ervan te stimuleren. Het thema van het 2e World Congress luidt: OER for Inclusive and Equitable Quality Education: From Commitment to Action. In dat thema is de UNESCO Sustainable Development Goal 4 terug te vinden “ensure inclusive and equitable quality education and promote lifelong learning opportunities for all“. Maar ook is daaruit af te lezen dat het tijd wordt voor actie om met name brede adoptie te realiseren, wil OER echt een bijdrage kunnen leveren aan het bereiken van die doelstelling in 2030.
In Malta waren ruim 60 personen aanwezig, variërend van ministers, beleidsmedewerkers van ministeries, NGO’s, UNESCO, Commonwealth of Learning en onderwijsinstellingen, tot docenten en onderzoekers uit een diversiteit aan Europese landen en enkele daarbuiten (Canada en Korea).

Enkele resultaten

Naast enkele algemene presentaties was de hoofdmoot van de bijeenkomst gereserveerd om in vijf subgroepen aanbevelingen voor acties te genereren rond vijf actielijnen:

  1. Capacity of users to access, re-use, and share OER
  2. Language and cultural barriers
  3. Ensuring inclusive and equitable access to quality content
  4. Changing business models
  5. Development of appropriate policy solutions

De focus lag op de Europese context en daarbinnen op alle formele onderwijssectoren (van PO t/m HO) en het levenlang leren domein. Stakeholders voor deze aanbevelingen zijn onder meer de Europese Commissie, nationale overheden, onderwijsinstellingen en docent-, student-, werkgevers-, werknemers- en ouderorganisaties.
Een aantal aanbevelingen werd door meerdere subgroepen genoemd:

  • Creëer beleid op OER op zowel nationaal als instellingsniveau. Help elkaar daarbij: doe tekstvoorstellen aan overheden, maak gebruik van wat er al aanwezig is aan beleidsdocumenten en toolkits (zie bijvoorbeeld hier) en deel de beleidsplannen (al dan niet in draft) in de OER Policy Registry.
  • Creëer een nationaal platform voor delen van OER en ervaringen ermee en verbind die platformen met elkaar.
  • Zorg ervoor dat de grote meerderheid van docenten zich bewust wordt van de (on)mogelijkheden en meerwaarde van OER en ondersteun ze bij de toepassing ervan in hun dagelijkse werk. Maak OER een verplicht onderdeel van de initiële docentopleiding en Continuous Professional Development programma’s.
  • Overheden en instellingen moeten dezelfde kwaliteitseisen opleggen aan OER als aan andere leermiddelen. OER moet onderdeel worden van accreditatieprogramma’s en QA-schema’s (bijvoorbeeld ENQA voor hoger onderwijs)
  • Wees meer open over “open”: maak gebruik van de rol die MOOC’s kunnen spelen als change agent om OER-gebruik te stimuleren, verbind OER aan ontwikkelingen als Open Educational Practices en Open Pedagogy. Zoals in één groep werd geformuleerd: Open education is the goal, OER is a catalyst
  • Geef aandacht aan publiek-private samenwerking rond OER.
  • Stimuleer en ondersteun onderzoek naar evidence van effecten van OER op het onderwijs
  • Vergroot kennis van OER en hun (on)mogelijkheden bij vertegenwoordigingen van ouders, werknemers (zoals vakbonden), studenten en docenten

De subgroep waarin ik participeerde hield zich bezig met aanbevelingen voor actielijn 1: Capacity of users to access, re-use, and share OER. Enkele aanbevelingen die daarin zijn geformuleerd (naast degene die hiervoor al zijn genoemd onder deze actielijn):

  • Verbind kennis van (on)mogelijkheden van OER met agenda’s over digitale geletterdheid/21st century skills
  • Maak gebruik van tools en infrastructuren die binnen Europa al aanwezig zijn (zoals standaarden en metadata harvesters). Om dat aanbod te verhogen: verbeter transfer van resultaten uit (met name) EU-projecten naar duurzame implementatie
  • Alloceer een budget specifiek voor OER, zowel Europees (i.p.v. het onderdeel te laten zijn van programma’s als Horizon2020 en Erasmus+) als nationaal
Een overzicht van alle resultaten en opnames van de presentaties komt later beschikbaar. De gebundelde resultaten van alle regional consultations vormen de input voor het World Congress in september.

En verder
Hoewel er in de presentaties weinig aandacht aan werd geschonken, was in de wandelgangen grote bezorgdheid te horen over de recente politieke ontwikkelingen in de US, Groot Brittanië en mogelijke gevolgen van verkiezingsuitslagen in Europa. De constatering dat er een steeds grotere neiging lijkt te zijn je als land te gaan afsluiten staat haaks op wat de beweging van OER voorstaat. Grotere adoptie van OER kan voor een geluid tegen deze trend zorgen.
Hoewel er onder de deelnemers bij deze bijeenkomst enkele jongere personen aanwezig waren, signaleerden we dat de meerderheid “grijze mannen en vrouwen” waren. Om de OER beweging levend(ig) te houden is aanwas vanuit de komende generatie nodig. Bij het uitnodigen voor het World Congress in september zou bij de uitnodiging nadrukkelijk kunnen worden gestimuleerd tenminste één persoon jonger dan 30 jaar aan de delegatie toe te voegen.
De meeste subgroepen kozen ervoor om in de buitenlucht hun discussies te houden. Dat levert dan, naast inhoudelijke resultaten, een plaatje op als hieronder.

De bij deze gelegenheden traditionele groepsfoto:

 
 

De waarde van open en open als waarde

In de maanden juli-december 2016 is, onder de vlag van mijn lectoraat OER bij Fontys Hogeschool ICT, door Ben Janssen en mijzelf een onderzoek uitgevoerd om de volgende vraag te kunnen beantwoorden:

Wat leidt tot c.q. is nodig voor een brede adoptie van delen van open leermaterialen en online cursussen en hergebruiken van open leermaterialen en cursussen door docenten in het bekostigde hoger onderwijs in Nederland?

Bij 4 universiteiten en 6 hogescholen zijn totaal 55 semi-gestructureerde interviews afgenomen met docenten, bestuurders en ondersteuners. Onderwerpen die tijdens de interviews aan bod kwamen betroffen ambities met onderwijs, beleid, opvattingen over openheid in het onderwijs, motieven voor delen en hergebruiken, ervaringen met delen en hergebruiken, hindernissen die werden ondervonden, noodzakelijke randvoorwaarden en invloeden die geïnterviewden vanuit hun omgeving ervaren.
>> Download rapport

Resultaten

Analyse van de interviews gaf de volgende resultaten:

  1. Praktijken van delen en hergebruiken zijn erg divers qua openheid. Lang niet altijd zijn gedeelde leermaterialen toegankelijk voor iedereen, vaak ontbreekt een open licentie en processen als copyright clearing vinden niet altijd plaats;
  2. Delen en hergebruiken van leermaterialen (al dan niet volledig open) gebeurt veel. Hierbij wordt vooral het bereiken van een hogere kwaliteit campusonderwijs nagestreefd;
  3. Feedback op gedeelde materialen is cruciaal voor de motivatie van docenten om structureel materialen te delen;
  4. Structureel delen en hergebruik binnen een instelling heeft meer kans van slagen wanneer het gekoppeld wordt aan andere beleidsthema’s zoals internationalisatie of aan onderwijsinnovaties zoals invoeren van blended leren;
  5. Bij een aantal instellingen is sprake van zich ontwikkelend beleid op het gebied van open delen en hergebruiken van leermaterialen;
  6. Docenten zijn onvoldoende bekend met aanwezigheid danwel inhoud van beleid;
  7. De autonomie van de docent in het bepalen om met delen en hergebruiken aan de slag te gaan wordt als cruciaal gezien en als zodanig herkend en erkend, zowel door bestuur als door docenten zelf;
  8. Delen en hergebruiken moeten uiteindelijk ten goede komen aan de student of een positief effect hebben op de efficiency van het onderwijs. Of en hoe dat daadwerkelijk gerealiseerd moet worden, is vaak nog niet duidelijk;
  9. Docenten geven aan dat stimulering in termen van geld, tijd en ondersteuning essentieel is voor hen om tot structureel gedrag van delen en hergebruiken te komen. Tevens moeten voor hen de antwoorden op de what’s in it for me vraag duidelijk zijn;
  10. Publiceren van MOOC’s wordt ervaren als een versneller voor de adoptie van open delen van materialen en cursussen binnen een instelling;
  11. Acceptatie van open delen en hergebruiken op instellingsniveau, zich uitend in beleid dat vertaald is naar concrete activiteiten en richtlijnen, beïnvloedt brede adoptie ervan door docenten positief.

Aanbevelingen

Op basis van deze resultaten zijn de volgende aanbevelingen geformuleerd om brede adoptie van open delen en hergebruiken te realiseren binnen een instelling:

  1. Maak de meerwaarde van open delen en hergebruiken duidelijk aan docenten;
  2. Zorg bij deze verandering van de beeldvorming rondom open delen en hergebruiken bij docenten voor ondersteuning vanuit de instelling: op ICT-gebied, juridische en onderwijskundige aspecten, facilitering in tijd, aanwezigheid van een veilige experimenteerruimte en een ondersteunende infrastructuur;
  3. Formuleer op faculteits-, instituuts- en instellingsniveau beleid op het gebied van open delen en hergebruiken dat de activiteiten die onder aanbeveling 1 en 2 genoemd worden mogelijk maakt;
  4. Koppel beleid inzake open delen en hergebruiken aan andere thema’s van onderwijsvernieuwing of aan thema’s als internationalisering.

Hoe verder?

In mijn lectoraat wil ik voortbouwen op deze resultaten en aanbevelingen. Zo wil ik verder onderzoeken in hoeverre een verbreding van openheid van materialen naar open pedagogy de what’s in it for me vraag voor docenten mede kan beantwoorden. De workshop die Martijn Ouwehand (TU Delft) en ik hebben ontwikkeld is daarbij een middel.
 

Toolkit workshop implementing open education


Open educational resources, open online courses (eventually “massive”) and open tools like blog, twitter and open forums offer a potentially rich source to use in education. It enables active learning and a more tailor-made approach of education. When teachers are aware of the opportunities open online education can offer, they are able to make an informed choice to use them optimal when designing a course. To enable this, basic knowledge of the many manifestations of openness in education is needed. In the end, their range of teaching methods is enlarged.
To realize this, together with Martijn Ouwehand (Delft University of Technology) under the umbrella of the SURF SIG Open Education, we have developed a workshop targeted at teachers who are interested in applying forms of openness into their lectures.
The objectives of the workshop are to raise awareness of the opportunities of openness and how to integrate them to achieve the optimal learning experience for the students. Open educational practices offers a base to connect openness to the daily practice of a teacher; this workshop tries to give the ideas more flesh and blood.
The workshop offers two approaches of how to use forms of openness in course design:

  • Reuse of open learning materials or open courses. This reuse can range from just reusing the idea behind a specific OER (not all 5R rights are necessary for this aim) to reusing  reworked and remixed OER (all 5R rights are necessary)
  • Expand openness to open tools and open platforms, using an open pedagogy. For this workshop we have adopted a revised version of the definition of open pedagogy by Hegarty.

This workshop was organized twice in 2016 under the umbrella of SURFacademy. Feedback from the participants was used to improve the resources of the workshop. This has resulted in a toolkit. The toolkit can be used by those interested in organizing this workshop in their own institution.
The toolkit consists of the following resources:

  • A script. This contains all information needed to organize the workshop (available as .pdf, .docx and .odt)
  • A course manual “Basics of open”. This manual is intended for self-study a basic course on openness in education (available as .pdf, .docx and .odt)
  • Slides “Workshop Implementing open education”. These slides can be used in the workshop (available as .pptx)
  • Two inspirational models.

All resources are published under a CC BY license. The toolkit is available in both Dutch and English and can be downloaded from here.
We intend to regularly update the toolkit, based on feedback of users. Feedback can be provided using this form.
We hope this workshop will add to widening adoption of forms of open online education by teachers.
 

UNESCO Chair on OER @Fontys


This week I received confirmation from UNESCO HQ in Paris of the establishment of a UNESCO Chair on OER at Fontys University of Applied Sciences. At the School of ICT of this institution, I am working as lector OER since June 2014. For those not familiar with the Dutch system of Higher Education: “lector” is the title for a professor at a university of applied sciences in the Netherlands. UNESCO agreed with the proposal of Fontys to appoint me as the Chairholder for this Chair. Of course, I feel grateful and proud about this.
The full title of the Chair provides a summary of the kind of applied and practice-based research I am currently conducting: Open educational resources and their adoption by teachers, learners and institutions. I am interested to find out what actions will lead to large-scale adoption by OER and open online courses (whether or not massive)  by (in Rogers’ terminology) the early and late majority of teachers in higher education.
Being appointed Chairholder does not change the subject of my research fundamentally, but it provides more opportunities to extend the research, in cooperation with the already existing Chairs on OER, to other regions of the world. I intend to explore opportunities with my collegue OER Chairholders of how to shape such an extension. I also expect to get involved in activities on OER that UNESCO will perform, e.g. those in preparation for the 2nd OER World Congress, next year in Slovenia. 
In the end the results of my research will contribute to realisation of UNESCO Sustainable Development Goal 4:

Ensure inclusive and equitable quality education and promote lifelong learning opportunities for all.

Massive sharing and reuse of OER and open online courses will contribute in reaching this goal because of its opportunities to lower access barriers to education. I am convinced that quality education is key to create a world where every single individual can develop and use his or her capabilities to contribute to a better world. I consider it an honor to have the opportunity to contribute to this goal. The label that UNESCO has provided recognizes the ambitions of Fontys and my own ambitions in this regard.
A disclaimer to end this post. The logo at the top of this post is provisionally assembled out of the two logos from UNESCO/Unitwin and Fontys. UNESCO will create a definite version of the logo for communication purposes. This final version can differ from the one in this post.

Opstellen van een Open Policy


In juli is een tweetal publicaties verschenen die nuttig kunnen zijn voor onderwijsinstellingen die een beleid op openheid van onderwijs (verder aangeduid als open policy) willen formuleren.
De meest uitgebreide publicatie is de OER Policy Development Tool, ontwikkeld door Amanda Coolidge (BC Campus, Canada) en Daniel DeMarte (Tidewater Community College, USA). Deze toolkit gaat uit van het ontwikkelen van een OER policy. Naast een introductie op de toolkit bevat het een drietal componenten. Ieder van die componenten bevat voorbeelden die een instelling kunnen inspireren of die kunnen worden overgenomen bij het formuleren van een eigen policy:

  • Aannames voor ontwikkelen van een instellingsbrede OER policy (zoals Having an institution-level OER policy signifies support from the leadership, and creates a safe environment for faculty to explore the potential of OER)
  • Onderwerpen voor een policy (doelstellingen, statements, licenties, procedures en verantwoordelijkheden, training en professionalisering, technische formats voor leermaterialen, kwaliteitsborging). Deze component bevat een tool waarmee bij ieder van de onderwerpen één of meer voorbeeldteksten kunnen worden geselecteerd die vervolgens in een draft versie van een policy document worden geplaatst
  • Bronnen met verwijzingen naar achtergrondinformatie (zoals voorbeelden van instellingen met een OER policy)

Ongeveer rond dezelfde tijd publiceerde de Commonwealth of Learning een template voor een OER policy. Dit (Word)document is een synthese van een drietal bestaande open policies op instellingsniveau. Niet verrassend worden daarin grotendeels dezelfde issues geadresseerd als bij de hierboven besproken toolkit. Bevindingen uit de toolkit kunnen worden gecombineerd met elementen uit de template om zo tot een policy-document te komen.
Uiteraard zullen beide publicaties niet tot een “druk-op-de-knop” beleidsdocument leiden. De informatie kan echter wel als input gebruikt worden in (beleids)discussies die moeten voeren tot aanscherpen van gedachten omtrent openheid binnen een onderwijsinstelling.
Beide publicaties ondersteunen formuleren van een OER policy, met OER in de opvatting van UNESCO resp. de Hewlett Foundation. In essentie komt die opvatting neer op (in de UNESCO-formulering)

…teaching, learning and research materials in any medium, digital or otherwise, that reside in the public domain or have been released under an open license that permits no-cost access, use, adaptation and redistribution by others with no or limited restrictions. Open licensing is built within the existing framework of intellectual property rights as defined by relevant international conventions and respects the authorship of the work.

Naast strikt leermaterialen kunnen dat ook open cursussen (al dan niet massive) of open tools zijn. En, vanwege de zinsnede “research materials“, vallen in deze opvatting ook open data, en open access publicaties onder deze noemer. Het is daarom, bij gebruik van deze tools, goed te bedenken dat in de uitwerking alleen de smallere opvatting “leermaterialen” wordt gebruikt. Er ontbreken bijvoorbeeld uitspraken over open delen van (research)data. Tenslotte gaat het in beide tools voornamelijk over delen van leermaterialen en niet of nauwelijks over hergebruik, hoewel in de aannames wel over hergebruik wordt gesproken. Beleidsuitspraken over hergebruik (bijvoorbeeld stimuleren ervan) moeten in mijn opvatting ook onderdeel zijn van een open policy document.
Wanneer deze aandachtspunten meegenomen worden zijn beide tools naar mijn mening goed bruikbaar als ondersteuning bij het formuleren van een open policy.
 

De OER Research Agenda en vier publicaties

De afgelopen weken is een aantal publicaties rond OER en MOOC’s verschenen die de moeite van het lezen waard zijn. In deze blogpost presenteer ik vier van deze publicaties. Ze kunnen alle ook beschouwd worden als input voor of aanvulling op de research agenda die de OER Research Hub aan het opstellen is. Middels een survey worden vragen voor verdere research verzameld. Op de onlangs gehouden Global Conference van het Open Education Consortium hebben ze de eerste resultaten gepresenteerd. De website van de Hub is under construction, dus deze slides zijn momenteel de enige bron.

Open educational resources and college textbook choices: a review of research on efficacy and perceptions

John Hilton III. Bron
Deze metastudie  adresseert de vraag of OER beter of minder is dan gesloten leermaterialen. Om in deze metastudie te worden meegenomen hanteerde de auteur vijf criteria:

  • OER is de belangrijkste gebruikte bron in de setting bij hoger onderwijs en wordt vergeleken met traditionele bronnen
  • Onderzoek is in een peer-reviewd journal gepubliceerd of maakt deel uit van een onderzoeksrapport van een instelling of is een proefschrift
  • Het onderzoek presenteert data over ofwel perceptie van docent/student van de kwaliteit van OER ofwel over de leeruitkomsten
  • Het onderzoek omvat tenminste 50 deelnemers en bevat duidelijk afgebakende resultaten naar subjecten en opinies over OER en-of effecten op leren
  • Het onderzoek is in het Engels gepubliceerd vóór oktober 2015

De auteur formuleert de resultaten als:

The collective results of the 16 studies discussed in this article provide timely information given the vast amount of money spent on traditional textbooks. Because students and faculty members generally find that OER are comparable in quality to traditional learning resources, and that the use of OER does not appear to negatively influence student learning, one must question the value of traditional textbooks. If the average college student spends approximately $1000 per year on textbooks and yet performs scholastically no better than the student who utilizes free OER, what exactly is being purchased with that $1000?

In de research agenda van de OER Hub wordt de vraagstelling naar effecten van OER op leren in diverse vormen gesteld:

  • What are the benefits of using open resources? (Comparisons with traditional, non-open resources)
  • What value does the “open” (as opposed to “free”) have in improving educational outcomes
  • Does the use of open educational resources lead to better student learning outcomes?
  • Does Open Educational Practices (OEP) create better, more sustainable learning outcomes?

The Advancing MOOCs for Development Initiative: An examination of MOOC usage for professional workforce development outcomes in Colombia, the Philippines, & South Africa

Auteurs: Maria Garrido, Lucas Koepke en Scott Andersen. Bron
Deze publicatie geeft de resultaten van een studie naar effecten van MOOC’s op professionele ontwikkeling in een drietal landen uit de Global South (Colombia, Filippijnen en Zuid Afrika). De studie beantwoordt een aantal deelvragen.

  1. Wie zijn MOOC gebruikers in ontwikkelende landen en met welk doel?
  2. Wie gebruiken MOOC’s niet en waarom?
  3. Wat is het perspectief van overheden op het MOOC landschap?
  4. Wat is het perspectief van werkgevers op het MOOC landschap?

Onder de titel High MOOC completion rates in developing countries zijn de belangrijkste resultaten samengevat (met “!” door mij toegevoegd):

  • Low- and middle-income populations make up 80% of MOOC users in contrast to wealthier populations reported elsewhere.
  • More than four out of five MOOC users only have basic or intermediate level ICT skills, challenging the belief that MOOCs are predominantly taken by people with higher level skills.
  • 49% of MOOC users received certification in a MOOC, and another 30% completed a course. This is far above the single-digit rates reported elsewhere (!)
  • Women are more likely than men to complete a MOOC or obtain certification (!)
  • The main motivations of MOOC users were found to be in gaining specific job skills (61%), preparing for additional education (39%), and obtaining professional certification (37%).
  • Among non-users (aware of MOOCs), lack of time (50%) was by far the largest barrier to MOOC participation. Lack of computer access (4%) or skills (2%) was NOT found to be a barrier.

Onder andere wordt bevestigd wat ook wel vermoed kon worden: “The high completion and certification rates found may be tied to the fact that users in the three countries take MOOCs primarily to advance their education or career, rather than for enjoyment.“. Naast tijdgebrek wordt ook gemeld dat 79% van de non-users niet van het bestaan van MOOC’s op de hoogte was.
Bij het resultaat over Lack of computer access heb ik wel de volgende kanttekening betreffende geldigheid voor alle ontwikkelende landen. Ik denk dat bijvoorbeeld Zuid-Afrika niet representatief is voor geheel Afrika. In 2015 had in meer dan de helft van de landen in Afrika slechts <20% van de bevolking toegang tot internet. Deze landen zijn bijna allemaal gelegen in West- en Midden-Afrika. Voor de drie landen in de survey zijn die percentages: Zuid-Afrika 49%, Colombia 59% en Filippijnen 43% (bron).
De research agenda van de OER Hub adresseert gebruik in ontwikkelende landen met de volgende vragen:

  • Do OER policies make a difference?
  • How can we create a sustainable, public, non-profit economic ecosystem for OER?
  • Does Innovation in open learning widens the global knowledge gap?
  • In developing countries, mindset to share resources is lacking along with the knowledge of Open licenses
  • What are the reasons for the lack of production and uptake of OER in developing countries?
  • Are current understandings of open education (dominated by the Western world/global north) harming educational progress in the global south?
  • Why are governments not mandating publically organisations to release everything under a sensible CC licence that allows attribution and re-purposing not for profit?

Uitgaande van MOOC’s waarbij de leermaterialen onder een open licentie beschikbaar worden gesteld kunnen deze researchvragen mijns inziens worden uitgebreid naar MOOC’s.

Business Models for Opening Up Education

Auteur: Paul Bacsich. Bron

Met een focus op Europa geeft het rapport een overzicht van mogelijke en gerealiseerde business modellen voor met name MOOC’s. Het doel is “to provide guidance for senior managers in higher education institutions, specifically in four Member States of the EU – France, Italy, Spain and UK – when they come to consider whether to deploy MOOCs and related approaches and how to justify such decisions.“.

Enkele resultaten die mij opvielen:

  • De meeste EU-landen hebben activiteiten op het gebied van OER in HO, maar weinig landen hebben een beleid om dit te bevorderen en te financieren
  • In Europa lijkt OER minder aandacht te krijgen dan Open Access en MOOC’s
  • Veel landen hebben geringe activiteiten rondom MOOC´s
  • Sommige landen hebben beleid/financiering om activiteiten rondom MOOC’s te bevorderen. 
  • Activiteiten rondom MOOC’s zijn vaak groter dan kan worden verantwoord vanuit de missie van een instelling en de levensvatbaarheid van business modellen
  • De twee belangrijkste business modellen voor MOOC’s zijn freemium (voor alles wat werkelijk van waarde is voor een lerende moet worden betaald) en loss-leader (kosten worden gedekt door inkomsten uit andere activiteiten die door de MOOC’s worden bevorderd).
  • Twee andere businessmodellen zijn civic role (goed-gefinancierde activiteiten voor instellingen die via MOOC’s hun sociale missie willen uitdragen) en hovering (focus op MOOC’s, wachtend op betere marktcondities of meer support vanuit de overheid voor online afstandsleren)
  • Businessmodellen voor MOOC’s worden beter haalbaar als een instelling hun activiteiten uitbreidt naar beroepsopleidingen of professionele trainingen
  • Wees voorzichtig met toepassen van ervaringen uit de US (met name Silicon Valley) in de Europese context

De research agenda van de OER Hub adresseert dit onderwerp met de volgende vragen:

  • What is the public (and private) return on investment (social, cultural, economic and environmental) for opening up education through more flexible delivery models? 
  • What is the role of publishers in promoting or hindering open education? Also, what is the role of corporations (Google, Apple) and corporate charities (Bill & Melissa Gates Foundation, Hewlett Foundation) in open ed promotion?
  • How to obtain sustainability of institutional approaches to OER use?
  • How do we foster and promote open cooperation?

Open Educational Resources: Policy, Costs and Transformation

Auteurs: Fengchun Miao, Sanjaya Mishra en Rory McGreal. Bron
Een UNESCO/Commonwealth of Learning rapport met een aantal lessen over beleid (open policy), kosten en de bijdrage van OER aan de transformatie naar meer open onderwijs, gebaseerd op 14 case studies. De belangrijkste resultaten uit deze case studies:

  • Zowel top-down beleid als bottom-up initiatieven komen voor, afhankelijk van de context waarin de activiteiten plaatsvinden. Top-down nationaal beleid vereist waardering en erkenning van beleidsmakers voor de potentie van OER. Bottom-up vereist een sterke docentencommunity en betrokkenheid van beleidsmakers van de overheid of een organisatie als de Commonwealth of Learning.
  • Kostenbesparingen hoeven niet alleen door studenten gerealiseerd te worden, maar kunnen ook door instellingen behaald worden door hergebruik van bestaand materiaal, gecombineerd met een efficiënt productieproces voor leermaterialen
  • De OER University is een voorbeeld waarbij kostenbesparingen worden behaald door samenwerking van instellingen, waarbij externe funding niet per se noodzakelijk is om OER duurzaam te krijgen
  • De mindset over copyright is meer en meer aan het veranderen. In steeds meer landen publiceren auteurs hun werk onder een open licentie om betere zichtbaarheid en gebruik ervan te realiseren en daarmee hun eigenaarschap te benadrukken.

Veel van de vragen uit de research agenda die bij de voorgaande publicaties al zijn vermeld worden ook door deze publicatie geadresseerd.

Conclusies

Hoewel een aantal van de resultaten uit deze rapporten voor ingewijden niet verrassend is bieden ze ook nieuwe inzichten. Alle auteurs benadrukken dat deze inzichten verder uitgewerkt en getoetst moeten worden in vervolgonderzoek. De rapporten kunnen bijdragen aan de onderzoeksvragen die momenteel door de OER Hub worden verzameld onder de vlag van de OER Research Agenda.