Ontwikkelingen in MOOC-land

In een tijdsbestek van twee dagen hebben twee van de grote aanbieders van MOOC’s, EdX en Udacity, activiteiten aangekondigd die de moeite van het volgen waard zijn. Zeker omdat bij beide initiatieven Google betrokken is.
Udacity kondigde de start aan van de Open Education Alliance. Dit initiatief heeft als doel vrij beschikbare cursussen aan te bieden die lerenden bijscholen op de nieuwste technologische ontwikkelingen. Of, in hun woorden (bold aangebracht door mij):

The Open Education Alliance is open to any entity committed to reducing the skills gap through education. Members actively generate new educational pathways that are accessible, affordable, and in many cases free of charge to the students.

In dit initiatief werkt Udacity, naast Google, samen met bedrijven en organisaties als AT&T, NVidia en de Khanacademy. Op de site wordt aangegeven dat belangstellenden kunnen deelnemen door onder andere cursussen mee te ontwikkelen en de certificaten die behaald worden te erkennen. De deelnemende organisaties zullen cursussen aanleveren (leid ik af door de voorbeelden van cursussen van enkele van de bedrijven die op de site vermeld staan) en mogelijk zullen ze ook toegang krijgen tot de opvallende studenten die de cursussen aanleveren (interpreteer ik uit een zin van hun missie “connect learners with opportunities in industry”). Of het allemaal (x)MOOC’s zullen zijn is nog onduidelijk, evenals wanneer er kosten worden berekend aan studenten.
EdX kondigde vandaag een partnership aan met Google. Gezamenlijk zullen ze het open source platform Open EdX (verder) ontwikkelen en deze als basis gebruiken voor een initiatief mooc.org. Deze site zal in 2014 live gaan. Op de site kunnen instellingen voor  hoger(?) onderwijs, for-profit bedrijven en individuele docenten zelf cursussen creëren en hosten (in die zin enigszins vergelijkbaar met het reeds bestaande canvas.net). Daarnaast zullen de partners gezamenlijk onderzoek doen naar hoe studenten leren en hoe leren en onderwijzen op campus en elders optimaal kan worden ondersteund door technologie.
Vragen die bij me opkomen bij deze initiatieven:

  • Gaat de content onder een echt open licentie beschikbaar komen?
  • Zullen de cursussen alleen in de vorm van xMOOC’s gepubliceerd worden of worden ook alternatieven (zoals niet-cohortgewijze vormen) toegestaan?
  • Hoe vrij zullen de cursusaanbieders op de platformen zijn in keuzes die ze maken qua onderwerp, vorm en licentie?
  • Zijn er kosten verbonden aan het publiceren op de platforms?
  • Hoe zit het met eigenaarschap van al het materiaal dat op de platformen gepubliceerd gaat worden?

De toekomst zal meer duidelijkheid hierover geven.

MOOC providers


Via Laura Czerniewicz, director van het OpenUCT Initiative aan de University of Cape Town (lid van het Open Courseware Consortium) kreeg ik een overzichtskaart van MOOC-providers gestuurd. Op deze kaart staan alle aanbieders van MOOC-platformen wereldwijd. Dat zijn er momenteel 19, waarvan 8 uit de VS, 2 in Australië en Duitsland en in Brazilië, Guatemala, Ierland, Groot-Brittanië, China, Spanje  en Nederland (OpenupEd) ieder 1. De kaart is hier te vinden.
Een aantal van deze platforms levert MOOC’s of andere vormen van open education (soms zelfs daarnaast ook halfproducten, zoals TED-talks) die elders worden aangeboden en ondertitelen die dan. Dit gebeurt bijvoorbeeld bij Veduca in Brazilië. Anderen richten zich op de lokale markt en bieden cursussen in de betreffende taal, afkomstig van instellingen uit die regio, zoals Ewant uit China. Ik verwacht dat er meer van dergelijke lokale initiatieven zullen ontstaan, omdat daarbij een belangrijk kwaliteitscriterium voor MOOC’s of open content in het algemeen, aansluiten bij de normen en waarden van de gebruiker, wordt ingevuld. Het nog steeds ontbreken van een echt open licentie bij de meeste van de MOOC’s die door de bekende platforms worden aangeboden maakt namelijk de aanpassing van bestaande MOOC’s van elders aan de lokale context onmogelijk.

MOOC's en credit: docent- en instellingsview

In een vorige post heb ik het vraagstuk van erkennen van een MOOC vanuit een studentview beschreven. In deze post wil ik enkele beschouwingen maken bij overwegingen voor docenten of instellingen voor hoger onderwijs om al dan niet over te gaan tot erkenning van een MOOC in een regulier programma.
In de discussie op de Linkedingroep van de SIG OER werd gewezen op (voor het HBO) tamelijk stringente kwaliteitssystemen die een dergelijke erkenning in de weg zouden staan. De kwaliteit van het aanbod is uiteindelijk de verantwoordelijkheid van de instelling, zowel bij HBO als bij WO. Dat wil niet zeggen dat de kwaliteit van MOOC’s per definitie onder de maat zou zijn. Maar om die genoemde kwaliteitsverantwoordelijkheid invulling te kunnen geven, gecombineerd met de onzekerheid en onbekendheid onder studenten over de (on)mogelijkheden van een MOOC, zijn de volgende zaken wel van belang:

  • Het aanbod van MOOC’s groeit dagelijks. Om te voorkomen dat iedere willekeurige MOOC door studenten zouden kunnen worden ingebracht als alternatief voor een regulier vak en een docent voor de taak staat deze MOOC te moeten beoordelen op haar merites, zou een “White list” met toegestane MOOC’s vooraf kunnen worden opgesteld.
  • Opstellen van zo’n White List vergt veel investering van docent en instelling. Het is te vergelijken met de keuze voor een standaardboek als bron bij een vak. Daarbij spelen zaken als gewenste niveau en de mate van overlap met andere vakken een rol. Je komt daar alleen achter door ofwel een MOOC in haar geheel te volgen ofwel af te gaan op oordelen van peers. Het argument “bron = Ivy League, dus met de kwaliteit zit het wel goed” is onvoldoende. Immers: deze universiteiten hebben een naam op excellente research, niet op excellent onderwijs. Daarnaast komen steeds meer MOOC’s van andere dan Ivy League universiteiten. En de mate van overlap met andere vakken is onafhankelijk van de bron van een MOOC.
  • Juist vanwege de te maken investering wil je een grote mate van zekerheid hebben dat de betreffende MOOC niet slechts éénmaal wordt gegeven, maar dat het in de bekeken vorm langer aangeboden wordt.
  • Een minimum eis voor erkenning is ook de mate van zekerheid dat het behaalde certificaat op een eerlijke wijze is behaald. Een “proctored exam” is daarvoor noodzakelijk. Dat kun je als instelling zelf organiseren of je maakt afspraken met andere instellingen om dat voor je te verzorgen (maar beide opties zijn een investering).

De beschreven inspanningen kunnen verdeeld worden over alle instellingen voor hoger onderwijs door de resultaten van de evaluaties van MOOC’s te delen onder instellingen. Het raamwerk dat Gráinne Conole heeft opgesteld voor de beschrijving van een MOOC zou hierbij een rol kunnen spelen. Dit zou moeten worden aangevuld met een beschrijving in kernwoorden van de inhoud, zodat voor iedereen duidelijk is welke onderwerpen wel of niet behandeld worden. Het mooiste zou het zijn als die kernwoorden uit een thesaurus komen. Het onderwijsbegrippenkader, dat momenteel door Edustandaard wordt opgesteld, zou hiervoor gebruikt kunnen worden. Dat is echter nog wel werk in uitvoering. Met name voor het hoger onderwijs is daar nog niet veel voor gebeurd.

MOOC's en credit: studentview

Op de Linkedingroep van de SIG OER is een discussie gaande over erkennen van MOOC’s voor een regulier programma. De aanleiding was een vraag of een MOOC-certificaat kon meetellen voor professionaliseringspunten. Hoewel die aanleiding dus buiten een regulier curriculum lag, gingen de reacties in op al dan niet erkennen van een MOOC in een regulier programma en aan welke eisen dan voldaan zouden moeten worden. Ik wil in twee blogposts wat zaken hieromtrent op een rijtje proberen te zetten. In deze post behandel ik het vanuit een studentperspectief, in een volgende vanuit een docent- en instellingsperspectief. Ik beperk me daarbij tot de erkenning van MOOC’s voor reguliere studenten (dus niet in de context van een leven lang leren).
Eén van de redenen waarom instellingen voor hoger onderwijs nadenken over hoe om te gaan met MOOC’s is het hierboven geschetste vraagstuk: hoe moeten we reageren als een student om vrijstelling gaat vragen omdat hij/zij een MOOC heeft gevolgd en daar ook een certificaat voor heeft behaald? Deze vraagstelling gaat uit van de veronderstelling dat studenten uit zichzelf op zoek gaan naar alternatieven voor vakken die ze volgen bij hun opleiding en op die wijze ook op MOOC’s kunnen stuiten. Maar hoe reëel is deze veronderstelling?
In juni heeft Suzanne de Kort, als onderdeel van haar stage bij Wikiwijs, een onderzoek gedaan onder studenten hbo en wo over hun bekendheid met en gebruik van vrij beschikbare leermaterialen (in de survey hebben we dat “aanvullend digitaal leermateriaal” genoemd). Naast enkele kwalitatieve interviews heeft ze ook een survey gehouden. Deze had een response van ruim 180 inzendingen, redelijk gelijkelijk verdeeld over hbo en wo. Hoewel de data analyses (o.a. naar significantie) nog moeten plaatsvinden zijn er al wel op basis van puur frequenties enkele opvallende resultaten te melden.
Op de vraag “waarom zou je niet op zoek gaan naar aanvullend digitaal leermateriaal op internet?” kon een deelnemer meerdere antwoorden kiezen. In de 168 responses bij deze vraag waren de drie meest genoemde redenen:

  • Ik twijfel of de informatie betrouwbaar is (62%)
  • Door de hoeveelheid informatie op het internet raak ik het overzicht kwijt (39%)
  • Ik weet niet of ik het juiste leermateriaal uitkies (35%)

De survey bevatte ook twee vragen naar resp. de bekendheid met MOOC’s en de ervaring ermee. Op de vraag “Het afgelopen jaar zijn Massive Open Online Courses (afgekort tot MOOC, gratis cursussen op het internet van veelal gerenommeerde Amerikaanse universiteiten als Stanford, Harvard en MIT) sterk in opkomst. Ben je bekend met deze ontwikkeling?” antwoordde 80% van de 159 respondees “Nee”. Van degenen die wel bekend waren met dit fenomeen gaven 7 personen aan dat ze wel eens een MOOC deels hadden gevolgd en slechts één gaf aan ook het examen gedaan te hebben, overigens zonder een certificaat te hebben behaald.
De resultaten van deze vragen geven volgens mij aan:

  • Studenten zijn minder geneigd dan we misschien denken (hopen?) om op zoek te gaan naar aanvullend leermateriaal. Een enquete in de UK waarover ik eerder blogde gaf een soortgelijk resultaat. Hier ligt met name een rol voor docenten om bij hun vak expliciet aan te geven welke bronnen (inclusief MOOC’s) wel en welke niet de moeite waard zijn. Zeker in de Bacherlorfase mag je van studenten nog niet verwachten dat ze hiertoe in staat zijn. Ze missen immers het overzicht over hun vakgebied (daarom zijn ze nog geen Bachelor). De docent als curator dus!
  • Gegeven de onbekendheid met MOOC’s onder studenten hoeven we in de nabije toekomst nog niet te verwachten dat er massaal verzoeken zullen komen voor erkenning van MOOC’s.

Concluderend: hoewel het zeker verstandig is als instelling te anticiperen op verzoeken voor credits voor MOOC’s zullen we ook, als we het een goede ontwikkeling zouden vinden dat studenten dergelijk gedrag gaan vertonen, werk moeten maken van het kweken van besef bij studenten van het bestaan van dergelijke vrij beschikbare materialen en de potentiële mogelijkheden voor hen.

Internationalisatie: MOOC's of niet?

Net voor het zomerreces lanceerde minister Bussemaker het voornemen een actieplan op te stellen. Doel is “internationaal talent uit te dagen in Nederland te komen studeren en daarna ook te kiezen voor een carrière in Nederland”. Het CPB berekende dat “zo’n 64% van de masterstudenten in Nederland wil blijven, 16% vertrekt en de rest weet het nog niet. Voor promovendi zijn de cijfers vergelijkbaar.”.
Onderdeel van een dergelijk actieplan kan ook het meer inzetten van online onderwijs (al dan niet open) en MOOC’s zijn. Met name voor MOOC’s wordt de zichtbaarheid van de instelling voor potentieel interessante internationale studenten en onderzoekers als argument genoemd om ermee te starten. Maar het kent ook enkele uitdagingen en potentiële nadelen

  • De MOOC’s moeten concurreren met die van de Ivy League universiteiten. Onderscheidend zijn moet dan ofwel gebeuren door een toponderwerp gepresenteerd door een topdocent, ofwel door een onderscheidende didactiek.
  • Gegeven de ambities die uit het plan van OCW spreken zal met name gemikt worden op masterstudenten en onderzoekers. Juist in de masterfase komen hoorcolleges minder voor en gebeurt het onderwijs veel meer in andere vormen. Een (x)MOOC geeft dan geen goed beeld van deze fase. Ook dit pleit voor een onderscheidende didactiek die meer overeenkomt met wat in de masterfase gebruikelijk is.
  • Er zou met het aanbieden van de MOOC’s kunnen worden gemikt op geschikte bachelorstudenten met de verwachting dat de top daarvan tijdens die fase komt bovendrijven (“funnel-effect”). Deze aanpak is wellicht (te?) inefficiënt. Zijn er gegevens bekend van hoeveel van de huidige internationale studenten in de bachelorfase starten en dan doorstromen naar de master?
  • Online aanbieden van vakken (al dan niet open en al dan niet als een MOOC) zou de drempel voor daadwerkelijk inschrijven kunnen verlagen. Maar uiteindelijk gaat het er in het actieplan om talenten daadwerkelijk naar Nederland te halen. Een substantieel gedeelte on campus is daarom essentieel.

Ik denk dat online, al dan niet open, aanbieden van een deel van de masterfase zeker zal helpen bij het realiseren van de doelstellingen van het actieplan. Maar voorzichtigheid daarmee is dus wel geboden.
 

Presenteren op afstand

Afgelopen donderdag zag ik om 12:30 uur een tweet in mijn tijdlijn met het verzoek of ik een uur later (!) kon invallen bij het Springbreak-evenement in Roermond voor het geven van een presentatie over MOOC’s. Omdat ik door omstandigheden aan huis ben gebonden kon ik niet op dit verzoek ingaan, maar zou het wel op afstand kunnen. Dit aanbod werd in dank aanvaard door de organisatie. Snel een presentatie die ik eerder had gebruikt aanpassen aan de gelegenheid (een paar sheets eruit, een paar andere erin). Ik nam de vrijheid het kader breder te schetsen: open online onderwijs is meer dan alleen MOOC’s en kan voortbouwen op een traditie vanuit zowel open universiteiten als OER.
Via Google Hangout zou e.e.a. plaatsvinden. Voor mij was die omgeving nieuw, maar het bleek zich bijna vanzelf te wijzen. Helaas was er geen duplex-verbinding mogelijk, zodat ik tijdens de presentatie geen visuele en auditieve feedback kreeg. Ik voelde me een beetje zoals een nieuwslezer zich moet voelen en kreeg daardoor ook meer respect voor deze beroepsgroep. De Q&A na afloop werd via mobiele telefoon gedaan: de vragensteller stelde de vraag, ik gaf antwoord en de vragensteller vatte het antwoord samen voor de rest van de toehoorders.
Al met al een leuke ervaring, maar face2face contact met het publiek heeft toch mijn grote voorkeur. De organisatie heeft deze ervaring vanuit hun perspectief ook beschreven.
De presentatie die ik heb gebruikt staat hier.

Kwaliteit, docenten en MOOC

De afgelopen weken verschenen verschillende publicaties over (gebrek aan) kwaliteit van onderwijs en de rol van docenten en studenten daarbij. Wilfred Rubens reageerde op een artikel van een 6 VWO-leerling die aangaf niets op school te hebben geleerd. Wilfred gaf aan in zijn eigen middelbare schooltijd slechts één inspirerende docent te hebben gehad. In een blogpost getiteld Mooc, Schmooc reageert de auteur (Mark Childs) op de kritiek op MOOC’s dat credits kunnen worden gehaald zonder één college te hebben bezocht. Dat gebeurt al jarenlang, ook al vóórdat MOOC’s verschenen. Hoeveel tentamens heb je eigenlijk gehaald zonder één college te hebben bezocht omdat daar toch alleen maar een boek werd voorgelezen? Hoogleraar Jan Derksen van de Radboud Universiteit constateerde eind 2012 een gebrek aan belangstelling van studenten en pleitte daarom voor afschaffen van hoorcolleges. Daar kwam veel kritiek op, waarbij met name gesuggereerd werd dat hij zijn colleges aantrekkelijker zou moeten maken. Kritiek op studenten kwam er ook in een onlangs verschenen blogpost van Roger Berkowitz als reactie op een essay van Aaron Bady. Roger onderscheidt twee typen studenten: zij die alleen het resultaat (diploma) belangrijk vinden en zij die ook hechten aan academische vorming.
Terugdenkend aan mijn eigen schoolcarrière ben ik over de docenten op de middelbare school alleen maar positief. Ik zat op het Dominicuscollege in Nijmegen en heb daar het grootste deel van mijn VWO (1968-1974) gedaan. Met name in de laatste 2 jaren waren mijn docenten stuk voor stuk “kanjers” die mij inspireerden en door hun wijze van lesgeven aanmoedigden het beste uit mij te halen. Wat minder positief moet ik helaas zijn over mijn docenten op de universiteit. Zowel bij de (toen nog zo geheten) Katholieke Universiteit Nijmegen (wiskunde, 1974-1980) als bij de TU Eindhoven (Informatica als werkstudent, 1983-1989) waren de echt inspirerende docenten op de vingers van één hand te tellen. Als er toentertijd een keuze zou zijn geweest tussen face 2 face college volgen of een online alternatief (bijvoorbeeld een MOOC), zou ik vaak voor het laatste hebben gekozen omdat de face 2 face bijeenkomst voor mij weinig zou toevoegen aan een online ervaring.
En wellicht zit daar een toekomst voor MOOC’s en andere vormen van online onderwijs. Daar waar docenten onder de maat presteren of waar studenten weinig belang hechten aan de academische vorming zou een online alternatief kunnen worden gepresenteerd. Dat roept wel vragen op:

  • Zou kwaliteit van docenten bij het hoger onderwijs niet nog meer een issue moeten zijn dan het nu al is geworden door invoering van het verplichte BKO?
  • Moet je accepteren dat er in feite twee “soorten” afgestudeerden gaan ontstaan, namelijk zij die wel en zij die minimaal een academische vorming hebben gehad? Of is dat eigenlijk een formalisering van een status quo die er nu ook al is? Deze vraag wordt hardop gesteld nu Georgia Tech heeft aangekondigd vanaf 2014 een online Master Computer Science aan te bieden in samenwerking met MOOC-producent Udacity voor een fractie van de prijs die een campusstudent moet betalen voor dezelfde opleiding.

Food for thought!

OER13 congres Nottingham

Op 26 en 27 maart werd in Nottingham het OER13 congres gehouden. Deze editie telde 220 deelnemers, waarvan het leeuwendeel uit de UK afkomstig was. Het congres is voor Britse OER-onderzoekers hét congres om aan elkaar onderzoeksresultaten te presenteren en van gedachten te wisselen over allerlei issues.
De organisatie was erg verrast door het grote aantal deelnemers. In 2012 eindigde de financiering van twee grote OER-initiatieven in de UK. Het HEA/JISC OER programma, met meer dan 13M GBP aan subsidie, liep van 2009 tot 2012 en leverde een groot aantal OERs op. SCORE (Support Centre for Open Resources in Education) leverde ondersteuning aan OER-gerelateerde activiteiten, events en services. Dit project eindigde eveneens in 2012.
Waar tegenwoordig over OER gesproken wordt, ontbreekt de aandacht voor MOOC’s niet. Dit congres was daarop geen uitzondering, maar ik vond het wel een verademing dat het niet alle aandacht opslokte van de deelnemers en dat ook steeds is gestreefd naar het beschouwen van een MOOC in het bredere kader van open education in plaats van als een geïsoleerd fenomeen. Over het in december 2012 door de OU-UK gelanceerde MOOC-platform Futurelearn is overigens niet veel meer bekend dan dat er zich momenteel 22 Engelse universiteiten hebben aangesloten bij dit platform. In de wandelgangen vernam ik dat de OU-UK (de initiatiefnemer van dit platform) ernaar streeft de leermaterialen in de MOOC’s die zij via Futurelearn willen aanbieden, onder een open licentie te publiceren. Of dat een voorwaarde wordt voor alle deelnemers en of de andere deelnemers dit ook zullen doen is nog niet bekend.
Dit congres bood een grote diversiteit aan onderwerpen. Een kleine greep:

  • Making OER available on multiple platforms (U-Now, IBook, eBooks),
  • What do teachers need for sharing and creating knowledge about OER?,
  • Learning lessons of innovation from MOOC’s, OER and crowdsourcing environments,
  • New Approaches to Describing and Discovering Open Educational Resources.

Beleidsonderwerpen kwamen met name aan bod in presentaties over resultaten van EU-gefinancierde projecten.
De openingskeynote was van Toni Pearce, de Vice-President van de National Union of Students HE. Ze presenteerde resultaten van een onderzoek dat door hun organisatie is uitgevoerd onder studenten. Enkele resultaten uit dat onderzoek:

  • Studenten gebruiken veelal alleen OER wanneer dit onderdeel van de cursus is of wanneer dit specifiek door de docent wordt aangegeven.
  • Slechts een minderheid van de studenten heeft m.b.v. OER een betere indruk gekregen van de opleiding voordat ze zich aanmeldden.
  • Aanbrengen van digitale vaardigheden in een vroeg stadium vinden ze belangrijk
  • Studenten beschouwen zichzelf niet als de doelgroep van OER, maar zien het veeleer een rol spelen in een leven lang leren traject
  • Ze vragen zich af of aanbod van OER gratis kan blijven.

Ming Nie presenteerde de eerste resultaten van het door de EU gefinancierde POERUP project. POERUP staat voor “Policies for OER Uptake”. Doel is tot aanbevelingen te komen voor hoe overheden de groei in gebruiken van OER kan stimuleren. O.a. de Open Universiteit is partner in dit project. Een eerste tussenresultaat bestaat uit 24 reports waarin initiatieven op nationaal, regionaal en (grotere) instituties beschreven zijn. Van de onderzochte landen en regio’s waren Nederland, USA, Roemenië en Zuid-Afrika de landen met een aanpak op nationaal niveau. Maar landen als Australië, Nieuw-Zeeland, Spanje en Canada zijn ook erg actief, zonder de aanwezigheid van een nationale aanpak.
Op het congres waren er ook diverse workshops voor het Communicate OER project. Dit project heeft tot doel om OER-gerelateerde artikelen in de Wikipedia te schrijven of te actualiseren. In de komende maanden zullen op gezette tijden online sessies worden georganiseerd voor groepen belangstellenden om gezamenlijk een artikel onder de loep te nemen en (indien nodig) te verbeteren. De workshops tijdens dit congres gaf een introductie in het schrijven van Wikipedia artikelen.
Samenvattingen van de meeste congresbijdragen zijn te lezen op de conference blog. Daar zijn ook links naar de slides opgenomen.

MOOC en de NRC

Afgelopen zaterdag stond er in de Opinie & Debat bijlage van de NRC een artikel van prof. José van Dijck (UvA) getiteld “Dat gratis online Harvard komt ook hier concurreren“. Door diverse personen is er al over geblogd, zoals Ria Jacobi (HvA) en Marco Derksen.
In het artikel werd de opkomst van de MOOCs geschetst, met name die van Udacity, Coursera en EdX. Onder andere werd gewezen op het gebruik (potentieel misbruik?) van de enorme hoeveelheden data die deze systemen over lerenden verzamelen en de mogelijkheid dat deze vormen van online leren binnenkort omgeven zouden worden door reclameboodschappen. Het Nederlandse hoger onderwijs zou op deze ontwikkelingen moeten reageren, bijvoorbeeld:

“Nederland zou voorop kunnen lopen in manieren om online educatieve middelen in het publieke domein beschikbaar te maken en te houden, om zinvolle elementen in te zetten in onderwijspraktijken en uit te vinden wat werkt en wat niet. Dat is een heel andere missie dan de goldrush van Udacity en Coursera of de zoektocht naar diamantjes in datamijnen, zoals EdX voorstaat. Als we niet willen dat studenten voor onderwijs gaan betalen door de ontvangst van commerciële boodschappen of door het vrijgeven van hun persoonlijke data, moeten we manieren vinden om online educatie in te passen in de publieke sector. “

Fred Mulder, Ben Janssen en ondergetekende hebben een reactie op dit artikel geschreven en deze naar de NRC gestuurd. Van de NRC ontvingen we zojuist bericht dat ze die helaas niet konden plaatsen. Daarom op deze plek onze reactie.
———————-
2012 wordt al het jaar van de Massive Open Online Courses (MOOCs) genoemd vanwege de onstuitbare opmars van deze gratis online cursussen. Het feit dat ze primair afkomstig waren van de Ivy League universiteiten maakte de aandacht ervoor des te groter. Terecht dat José van Dijck hier een punt van maakt. Maar er is veel meer gaande dan zij signaleert …
1 De MOOCs zijn een speciale tak in de grotere familie van het creëren van meer openheid in het onderwijs. Open universiteiten zijn al lang belangrijke spelers in deze wereld van Open Education, maar in 2001 kwam er een digitale revolutie langszij toen MIT startte met het open (online) publiceren van haar digitaal beschikbare cursussen. We spreken van OpenCourseWare (OCW) of Open Educational Resources (OER), in Nederland open leermaterialen genoemd. Dit heeft geleid tot een krachtige wereldwijde OER-beweging. In ons land werden de eerste open leermaterialen in 2006 door de Open Universiteit gepubliceerd, in 2007 gevolgd door de TU Delft en in 2010 door de Universiteit Leiden.
2 Toenmalig minister van onderwijs Ronald Plasterk lanceerde eind 2008 een nationaal programma Wikiwijs met als doel het gebruik van open leermaterialen in alle onderwijssectoren leidend te laten worden. Daarmee was Nederland het eerste land ter wereld dat de relevantie van OER voor het onderwijs in het publieke domein vertaalde in een nationale aanpak. De veronderstelling daarbij is dat open leermaterialen bijdragen aan een betere invulling van de verantwoordelijkheid van de overheid, namelijk het bevorderen en garanderen van de toegankelijkheid, de kwaliteit en de doelmatigheid van het onderwijs.
3 Belangrijke internationale organisaties hebben, de een na de ander, de enorme potentie van OER erkend, verwoord in rapporten en omgezet in actie. Om te beginnen UNESCO vanaf 2002, de OECD vanaf 2007, en meer recent de Europese Unie. Deze week (9-11 december) is er een conferentie van de ministers van Onderwijs van de EU-landen in Oslo met als thema ‘Opening up education through technologies’, als finale in de voorbereiding op een omvangrijk en ambitieus Europees initiatief in 2013. Dit bestrijkt alle onderwijs maar wordt primair ingestoken vanuit het publieke domein. En natuurlijk krijgen MOOCs daar hun eigen plek in.
4 Terug dan naar de MOOCs … In de Open Education en OER wereld is er de nodige kritiek op de MOOCs. Ze zijn niet écht ‘open’, want niet beschikbaar voor hergebruik, aanpassing of verdere verspreiding. Ze zijn veelal gebaseerd op een video-duplicering van het traditionele ‘hoorcollegemodel’, waar kennisoverdracht van de docent centraal staat in plaats van het leerproces van de student of leerling. En het is bekend dat de reputatie van de Amerikaanse elite universiteiten niet zozeer is verworven op hun onderwijskwaliteit maar veel meer vanwege hun excellente onderzoek. Wij delen die kritiek grotendeels maar zien de MOOCs als een belangrijke change agent in een proces dat nog maar een jaar op gang is. Er valt nog veel te verwachten en dan is het maar beter dat je ‘meespeelt in het spel’. In die zin zijn we het van harte eens met José van Dijck.
5 Maar, zoals hiervoor betoogd, de ontwikkeling is veel breder en loopt al langer en het is verstandig om MOOCs in dat perspectief te plaatsen. Dan zien we niet alleen bedreigingen, zoals de in het artikel genoemde vercommercialisering van het onderwijs of misbruik van verzamelde data, maar ook kansen. In het voorjaar van 2012 is door de Open Universiteit, in opdracht van SURF en Wikiwijs, een onderzoek gedaan naar de stand van zaken met betrekking tot visie en beleid op open leermaterialen bij instellingen van hoger onderwijs in Nederland. Dit onderzoek leert dat er nog veel te winnen is als we in staat zijn om genoemde andere dominante prioriteiten, zoals hoe om te gaan met de bezuinigingen en het opstellen van prestatieafspraken met het ministerie, te flankeren met het adopteren van de nieuwe mogelijkheden die OER en MOOCs bieden. En het is prima dat de opkomst van MOOCs ons allen prikkelt om in beweging te komen in het opener maken van ons onderwijs, zowel in de publieke sector als in het private domein!

MOOC en businessmodellen

Op 17 juli publiceerde de New York Times een artikel waarin werd aangekondigd dat 14 universiteiten zich bij het bedrijf Coursera hadden aangesloten om Massive Open Online Courses (MOOC) aan te bieden. Het aantal beschikbare cursussen steeg daardoor naar meer dan 100. Twee van de aangesloten universiteiten komen uit Europa, de University of Edinburgh en EPF Lausanne, een technische universiteit. Evenals de aankondiging van de samenwerking tussen MIT en Harcard in EDx een maand eerder leidde deze publicatie ook weer tot veel reacties. Enkele van die reacties geven inzicht in de businessmodellen die achter deze MOOCs schuil gaan en de drijfveren van universiteiten om zich hierbij aan te sluiten.

Business modellen

The Chronicle of Higher Education publiceerde details over contracten die de universiteiten met Coursera hebben afgesloten. In het artikel wordt de vraag gesteld hoe Coursera en de deelnemende universiteiten geld kunnen verdienen aan iets wat gratis wordt aangeboden. Uit dat artikel blijkt dat nog veel onduidelijk is. Ofwel: “Coursera is following an approach popular among Silicon Valley start-ups: Build fast and worry about money later.”. In het contract staan 8 mogelijke verdienopties genoemd:

  • Certificering aanbieden tegen betaling
  • Assessments in een gecontroleerde omgeving aanbieden
  • Queries kunnen uitvoeren op studentgegevens, bijvoorbeeld voor recruiting. Dit moet wel de toestemming hebben van studenten
  • Screening van werknemers of toekomstige studenten op geleverde prestaties, bijvoorbeeld wanneer er vrijstellingen worden gevraagd
  • Tutoring of niet-automatische beoordelingen mogelijk maken
  • Corporate/University enterprise model. Hierbij worden contracten met bedrijven afgesloten waardoor werknemers op een enterprise-versie van het platform terecht kunnen met meer mogelijkheden (zoals het kunnen volgen van de vorderingen van werknemers en kunnen aanpassen van de content met bv. eigen bedrijfscases). Dit zou ook kunnen met bv. community colleges, waardoor studenten van community colleges aangepaste versies van de cursussen kunnen gebruiken.
  • Mogelijk maken van sponsors bij cursussen, inclusief afbeelding van logo’s van sponsoren
  • Delen van cursussen alleen tegen betaling aanbieden.

Motiveringen

In het artikel No such thing as a free MOOC geeft Jeff Haywood van de University of Edinburgh enkele redenen waarom ze besloten hebben zich aan te sluiten bij Coursera. Enkele van de overwegingen:

  • Ze zijn al bezig met een open aanbod en een MOOC past in hun denken
  • Door aan te sluiten hoeven ze hun energie niet meer te steken in ontwikkelen van een platform maar kunnen ze zich concentreren op de pedagogiek en cursusontwerp
  • Vooralsnog zullen ze zich concentreren op cursussen op het eerste jaar en een omvang van 5 weken
  • Inkomsten zullen komen uit betaalde certificering. Maar ze merken ook op ” On the other hand, no knowledge is free and as we wish to explore this space, we feel the return will be worthwhile to us, and to those who take our MOOCs.”. Dus een beetje een sprong in het diepe lijkt het wel te zijn.
  • En toch ook wat idealisme: “enabling those in less privileged HE settings to access courses in subjects that they cannot take, individuals with weak formal qualifications who might demonstrate competences at advanced levels as part of portfolios for recognition of prior learning.”

Op dit artikel is een reactie geschreven waarin vraagtekens worden gezet bij de duurzaamheid en business modellen van een MOOC. De boodschap: “But because they (MOOCs, Robert) are unlikely to incorporate a high level of learner support and rigorous assessment, they will not be appropriate for all students in all contexts. They may used to provide a ‘taster’ as a marketing exercise, but this involves applying a business model which may not be appropriate. It’s essential to find a model of resourcing their development and delivery which is sustainable and which enhances rather than undermines the institution’s existing programmes.”

En Nederland?

Op de Linkedin groep van de Special Interest Group OER van SURF ontstond een discussie naar aanleiding van het artikel, waarbij ook meningen werden gegeven over wat universiteiten in Nederland nu zouden kunnen doen met deze ontwikkeling. Daarbij gaat het om de vraag of universiteiten MOOCs zouden moeten aanbieden of dat er andere mogelijkheden zijn om er “iets” mee te doen. Ik heb hier onder andere de volgende (deels gemodificeerde) reactie gegeven:
De benefits voor de US zijn met name dat de colleges van door hoge tuition fees ontoegankelijke topuniversiteiten nu voor US studenten toegankelijk worden. Deze situatie is onvergelijkbaar met die bij ons, waar universiteiten (nog?) steeds voor iedereen die wil studeren toegankelijk zijn. Wat zouden dan benefits zijn voor universiteiten in Nederland om een MOOC te starten? Zouden ze dit wel moeten doen of zouden ze alleen moeten aanhaken aan US-MOOCs en daar diensten rond omheen aanbieden? Universiteiten doen er goed aan zich op deze vragen te bezinnen. Het zou bijvoorbeeld in deze tijden van bezuinigingen al een efficiencyslag kunnen zijn wanneer goede colleges die middels deze MOOCs worden aangeboden in plaats komen van zelf te ontwikkelen materiaal en alleen vragenuurtjes georganiseerd worden en tentamens erover worden afgenomen.
Timo Kos (Cap Gemini) is nieuwsgierig naar antwoorden op de volgende vragen:
In hoeverre gaat dit de internationale markt voor hoger onderwijs beïnvloeden? Wat is het effect van dit online aanbod op de keuzes van internationale studenten, die met name in de masterfase steeds belangrijker worden als je als universiteit wilt groeien en toponderzoekers aan je wilt verbinden? Wat als de top universiteiten via deze weg nog meer talenten weten te werven uit hun databases met de examenresultaten van miljoenen studenten?
Voor (research) universiteiten die een ambitie hebben om wereldwijd met de top mee te doen en een top 50 (of zelfs top 10) speler willen zijn (of blijven) in het internationale hoger onderwijs is de hamvraag of ze zich kunnen veroorloven om deze ontwikkeling aan zich voorbij te laten gaan. Vroeg instappen geeft nog een kans om dit type onderwijs onder de knie te krijgen en ervaring op te doen met grote aantallen online studenten. Nu niet meedoen kan wel eens betekenen dat de voorsprong van de ‘early adaptors’ straks zo groot is dat deze niet – of alleen tegen heel hoge kosten – kan worden ingehaald.”
Gelden deze vragen ook voor universiteiten in Nederland die voor het grootste deel lokaal werven? Zouden ze zich veel meer op leven lang lerenden moeten richten dan op aankomende studenten? Ligt de sleutel voor haalbaarheid in de kunst/kunde om met relatief weinig middelen online leermateriaal voor reguliere cursussen om te vormen tot open online leermateriaal? Of zou er veel meer moeten worden samengewerkt om dit mogelijk te maken? En welke voordelen levert dat dan op behalve wellicht de eerder genoemde efficiencyvoordelen?
Mij lijkt dat het nauw volgen van deze ontwikkelingen en kijken welke lessen geleerd kunnen worden parallel moet lopen met aandacht van bestuurders van universiteiten voor de kansen en de bedreigingen van deze ontwikkeling.