ECTS credits voor MOOC's

Donderdag berichtte het commerciële Duitse MOOC-platform Iversity via hun blog dat er voor twee cursussen die door hen worden aangeboden ook ECTS-credits verdiend kunnen worden. Letterlijk stond er:

Good news for all MOOC students on iversity: From now on, participants can obtain ECTS credits in two of our courses – and more will follow. If you’re enrolled and pass the exam at the end of the course, the professors will issue a certificate that your home university will recognize – all over Europe!

Dat lijkt op het eerste gezicht niet minder dan een kleine revolutie: gratis MOOC’s volgen en dan ook nog credits krijgen die dan overal in Europa erkend worden: zou dit de “disruptive innovation” zijn van de MOOC’s die ons al enige tijd te wachten zou staan? Even verder zoeken naar meer informatie leerde me echter dat de werkelijkheid iets minder prozaïsch is dan een eerste lezing van het blogbericht suggereert.

  • Op de website van de EU staat het volgende over erkenning van ECTS credits door instellingen voor hoger onderwijs: “Although ECTS can help recognition of a student’s studies between different institutions and national education systems, higher education providers are autonomous institutions. The final decisions are the responsibility of the relevant authorities: professors involved in student exchanges, university admission officers, recognition advisory centres (ENIC-NARIC), ministry officials or employers.”. Ofwel: de stellige bewering dat de ECTS-credits die met de MOOC’s verdiend kunnen worden erkend zullen worden door je eigen universiteit behoeft enige nuancering. In de comments bij het blogbericht wordt deze nuancering, op vraag van een lezer, ook al aangebracht door Iversity zelf.
  • Doorklikken naar de beide cursussen leert, dat de ECTS-credits pas verdiend kunnen worden als je een offline examen aflegt op de betreffende instelling. Dat is voorstelbaar, mede omdat ik denk dat acceptatie van de credits door andere universiteiten en hogescholen toch minimaal een examen onder gecontroleerde omstandigheden vereist.
  • Of er aan het behalen van een ECTS-certificaat ook kosten zijn verbonden en zo ja, hoe hoog die kosten dan zijn, wordt nergens duidelijk gemaakt. Navraag hiernaar heeft tot op heden geen reactie opgeleverd. Update 23-9: Ik heb het volgende antwoord gekregen over de kosten: “The course is totally free of charge. However, if you choose to take the proctored exam, it will be subject to a processing fee in order to cover the costs of the examination.”

Ondanks deze nuanceringen en onduidelijkheid over de kosten een mooie nieuwe ontwikkeling. Ik ben ook erg benieuwd naar de effecten van deze ontwikkeling. Omdat de betreffende cursussen Duitstalig zijn, zullen Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland waarschijnlijk het meeste merken van eventuele effecten.

MOOC en het einde van de universiteit (of toch niet?)

Dit weekeinde verschenen er twee publicaties over de opkomst van de MOOC en wat dit uiteindelijk voor de huidige universiteit kan betekenen. In het artikel The end of the university? Not likely betoogt Eric Beerkens, senior advisor for international affairs aan de Universiteit Leiden, dat de universiteit van nu er over 25 jaar nog steeds is. Daar tegenover is het artikel MOOCs and the Gartner Hype Cycle: A very slow tsunami van Jonathan Tapson, Acting Dean of the School of Computing, Engineering and Mathematics aan de University of Western Sydney. Hierin betoogt hij dat de voorspelde “tsunami” waarbij er slechts een paar topuniversiteiten zullen overblijven door de opkomst en verdere ontwikkeling van MOOC’s misschien langzamer komt dan eerder voorspeld, maar dat het over 10 tot 20 jaar wel een feit zal zijn. Juist omdat in beide artikelen een volledig tegengesteld resultaat wordt voorspeld is het leerzaam de argumenten te bekijken die door de auteurs worden gebruikt in hun betoog. In de onderstaande tabel staat naast elkaar de opbouw van het betoog van beiden. Leesaanwijzing: invullingen van twee naast elkaar staande cellen hebben geen verband met elkaar; de keuze het in tabelvorm te presenteren is alleen genomen om in beide kolommen een betooglijn te kunnen weergeven.

Universiteit verdwijnt niet Universiteit verdwijnt wel
Belangrijkste drivers voor verandering:
– wereldwijde massificatie van hoger onderwijs (het John Daniels argument)
– toenemend gebruik van ICT in onderwijs en levering ervan
– voortdurende globalisering van hoger onderwijs
Gartners hypecycle: gaan MOOC’s die volledig doormaken? En waar staan we nu dan?
De combinatie van deze drivers zouden het einde van “de universiteit” betekenen Waarom zouden traditionele universiteiten niet eenzelfde disruptie meemaken als de muziekindustrie, de reiswereld en de boekhandel?
Echter: er bestaat niet één model van “de universiteit”, maar een grote variëteit (juist door de massificatie van het hoger onderwijs). Er is niet één land in de wereld waarin het traditionele model van een universiteit nog representatief is voor het gehele systeem voor hoger onderwijs in dat land. De non-believers gebruiken twee argumenten:
– Er is geen hoge kwaliteit student-docent en student-student interactie mogelijk via alleen online.
– De uitval bij MOOC’s is erg groot
Zelfs het traditionele model van een universiteit zal overleven (whatever dat model ook is). De traditionele universiteit is een van de meest solide systemen ter wereld. Beide argumenten zijn gebrekkig. De meeste universiteiten bieden nu ook geen student-docent interactie. De Socratische dialoog wordt ook nu nauwelijks gevoerd. En de huidige generatie interacteert liever online dan face2face.
Want: zowel onderzoek als onderwijs is in voortdurende ontwikkeling door veranderingen in de economie en de maatschappij. Misschien langzamer dan gewenst, maar het gebeurt. Het uitvalargument: een klein percentage van een grote massa is nog steeds een grote massa. En vanwege de zero costs voor een student, gekoppeld aan het gemak van een vrijheid in tijd en plaats bij een MOOC is het niet zinvol alleen op slagingspercentages te beoordelen.
Maar in de kern verandert het model niet veel. Ergo: vanwege het gemak en de lage kosten is het niet de vraag òf, maar wanneer de disruptie zal optreden.
Die kern is: organisatie rond vakgebieden, accountability door peer review, vergelijkbare loopbaan- en promotiesystemen, verbinding tussen onderwijs en onderzoek, academische staf verantwoordelijk voor zowel onderzoek als onderwijs, op bachelor en master niveau, de nadruk op face2face onderwijs. Dit bestaat al tientallen, zo niet honderden jaren. Het is naief te denken dat een financiële crisis of een nieuw type toelevering zoals MOOC’s een dergelijk solide systeem en bijbehorende waarden fundamenteel zal veranderen. Om dit te voorspellen wordt een analyse gedaan naar waar MOOC´s nu zitten op de Gartner hype cycle. De MOOC-beweging zou nu het trough of disillusionment ingaan.
Christensen en Eyring noemen die vaste kern het DNA van de universiteit. Starten met een opleiding en de keuze om die online te doen is echter geen impulsbesluit, zoals het kopen van een boek of CD wel is.
Dit DNA verandert niet zo eenvoudig In de US is streven naar een plek op een prestigieuze universiteit belangrijk voor een latere maatschappelijke positie.
Institutionele procedures bepalen wat er gebeurt (geschreven in de genetische code) Vergelijking met Windows en Linux. Windows wordt door de massa verkozen vanwege het comfort van ondersteuning, hoewel de prijs hoger is dan Linux. Linux is leidend in de serverwereld. En nu zie je Android (ook een open source operating system) op steeds meer mobiele devices komen. Uiteindelijk wordt de massamarkt gedomineerd door de goedkoopste optie. En dat gaat uiteindelijk ook gelden voor MOOC’s.
ICT ontwikkelingen zullen over 25 jaar alternatieven laten zien, gericht op specifieke doelgroepen. Traditionele universiteiten zullen die ontwikkelingen ook toepassen in hun systemen. Een schoolverlater van nu heeft nog geen keuze. En ook in de komende jaren zullen jongeren die het kunnen betalen opteren voor Harvard.
Maar dit zal de universiteiten zoals we die nu kennen niet overbodig maken, omdat de kern veel meer is dan slechts productie en transfer van kennis. Studenten komen ook voor de academische ervaring en de graad die hen uiteindelijk een baan oplevert en een zekere status De eerste MOOC-adopters zullen de jongeren en hun ouders zijn voor wie “gratis” een overtuigend argument is. Dit is 99% van de mensheid.
Dat wil niet zeggen dat er geen veranderingen zouden moeten optreden. Maar juist vanwege de DNA van een universiteit is er zelden een revolutie van het type dat zo vaak is voorspeld Uiteindelijk (in 10 tot 20 jaar) zal het besef er zijn dat “gratis” niet synoniem is met “junk”
25 jaar terugkijken en zien wat er veranderd is geeft je ook een idee van de veranderingen voor de komende 25 jaar. En dan zie je opmerkelijk weinig veranderingen in het DNA. En dat zal de komende 25 jaar niet anders zijn. Harvard en Cambridge zullen dan gespaard worden om dezelfde reden waarom er nu mensen ook Rolls Royces kopen.
De middenmaat kan nog 10 jaar vooruit met business as usual. Omdat de meesten in de boards over 10 jaar met pensioen gaan zullen ze het probleem niet serieus nemen.

Wanneer ik beide betogen vergelijk valt me op dat beiden ervaringen uit het verleden gebruiken met een bijbehorende theorie (resp. de DNA-theorie en de Gartner hype-cycle) om die ervaringen te extrapoleren naar de toekomst. Het grote verschil voor mij is echter dat Beerkens (de linkerkolom) daarbij ervaringen uit hetzelfde gebied (nl. de universiteit) gebruikt, waar Tapson ervaringen uit andere gebieden gebruikt (zoals de muziekindustrie of de operating systemen). Dat geeft Tapson de extra “plicht” om te betogen dat die ervaringen ook zo maar op het onderwijs kunnen worden toegepast. En dat betoog is er niet.
De toekomst voorspellen is geen exacte wetenschap. En wellicht worden in beide  beschouwingen veel te weinig elementen meegenomen. Beiden gebruiken een theorie waarvan het maar de vraag is hoe valide die is. Maar omdat Beerkens de argumentatie vanuit het verleden opbouwt vanuit de universiteitcontext en niet vanuit een ander gebied zou ik mijn geld op zijn voorspelling zetten.

Ontwikkelingen in MOOC-land

In een tijdsbestek van twee dagen hebben twee van de grote aanbieders van MOOC’s, EdX en Udacity, activiteiten aangekondigd die de moeite van het volgen waard zijn. Zeker omdat bij beide initiatieven Google betrokken is.
Udacity kondigde de start aan van de Open Education Alliance. Dit initiatief heeft als doel vrij beschikbare cursussen aan te bieden die lerenden bijscholen op de nieuwste technologische ontwikkelingen. Of, in hun woorden (bold aangebracht door mij):

The Open Education Alliance is open to any entity committed to reducing the skills gap through education. Members actively generate new educational pathways that are accessible, affordable, and in many cases free of charge to the students.

In dit initiatief werkt Udacity, naast Google, samen met bedrijven en organisaties als AT&T, NVidia en de Khanacademy. Op de site wordt aangegeven dat belangstellenden kunnen deelnemen door onder andere cursussen mee te ontwikkelen en de certificaten die behaald worden te erkennen. De deelnemende organisaties zullen cursussen aanleveren (leid ik af door de voorbeelden van cursussen van enkele van de bedrijven die op de site vermeld staan) en mogelijk zullen ze ook toegang krijgen tot de opvallende studenten die de cursussen aanleveren (interpreteer ik uit een zin van hun missie “connect learners with opportunities in industry”). Of het allemaal (x)MOOC’s zullen zijn is nog onduidelijk, evenals wanneer er kosten worden berekend aan studenten.
EdX kondigde vandaag een partnership aan met Google. Gezamenlijk zullen ze het open source platform Open EdX (verder) ontwikkelen en deze als basis gebruiken voor een initiatief mooc.org. Deze site zal in 2014 live gaan. Op de site kunnen instellingen voor  hoger(?) onderwijs, for-profit bedrijven en individuele docenten zelf cursussen creëren en hosten (in die zin enigszins vergelijkbaar met het reeds bestaande canvas.net). Daarnaast zullen de partners gezamenlijk onderzoek doen naar hoe studenten leren en hoe leren en onderwijzen op campus en elders optimaal kan worden ondersteund door technologie.
Vragen die bij me opkomen bij deze initiatieven:

  • Gaat de content onder een echt open licentie beschikbaar komen?
  • Zullen de cursussen alleen in de vorm van xMOOC’s gepubliceerd worden of worden ook alternatieven (zoals niet-cohortgewijze vormen) toegestaan?
  • Hoe vrij zullen de cursusaanbieders op de platformen zijn in keuzes die ze maken qua onderwerp, vorm en licentie?
  • Zijn er kosten verbonden aan het publiceren op de platforms?
  • Hoe zit het met eigenaarschap van al het materiaal dat op de platformen gepubliceerd gaat worden?

De toekomst zal meer duidelijkheid hierover geven.

MOOC providers


Via Laura Czerniewicz, director van het OpenUCT Initiative aan de University of Cape Town (lid van het Open Courseware Consortium) kreeg ik een overzichtskaart van MOOC-providers gestuurd. Op deze kaart staan alle aanbieders van MOOC-platformen wereldwijd. Dat zijn er momenteel 19, waarvan 8 uit de VS, 2 in Australië en Duitsland en in Brazilië, Guatemala, Ierland, Groot-Brittanië, China, Spanje  en Nederland (OpenupEd) ieder 1. De kaart is hier te vinden.
Een aantal van deze platforms levert MOOC’s of andere vormen van open education (soms zelfs daarnaast ook halfproducten, zoals TED-talks) die elders worden aangeboden en ondertitelen die dan. Dit gebeurt bijvoorbeeld bij Veduca in Brazilië. Anderen richten zich op de lokale markt en bieden cursussen in de betreffende taal, afkomstig van instellingen uit die regio, zoals Ewant uit China. Ik verwacht dat er meer van dergelijke lokale initiatieven zullen ontstaan, omdat daarbij een belangrijk kwaliteitscriterium voor MOOC’s of open content in het algemeen, aansluiten bij de normen en waarden van de gebruiker, wordt ingevuld. Het nog steeds ontbreken van een echt open licentie bij de meeste van de MOOC’s die door de bekende platforms worden aangeboden maakt namelijk de aanpassing van bestaande MOOC’s van elders aan de lokale context onmogelijk.

MOOC's en credit: docent- en instellingsview

In een vorige post heb ik het vraagstuk van erkennen van een MOOC vanuit een studentview beschreven. In deze post wil ik enkele beschouwingen maken bij overwegingen voor docenten of instellingen voor hoger onderwijs om al dan niet over te gaan tot erkenning van een MOOC in een regulier programma.
In de discussie op de Linkedingroep van de SIG OER werd gewezen op (voor het HBO) tamelijk stringente kwaliteitssystemen die een dergelijke erkenning in de weg zouden staan. De kwaliteit van het aanbod is uiteindelijk de verantwoordelijkheid van de instelling, zowel bij HBO als bij WO. Dat wil niet zeggen dat de kwaliteit van MOOC’s per definitie onder de maat zou zijn. Maar om die genoemde kwaliteitsverantwoordelijkheid invulling te kunnen geven, gecombineerd met de onzekerheid en onbekendheid onder studenten over de (on)mogelijkheden van een MOOC, zijn de volgende zaken wel van belang:

  • Het aanbod van MOOC’s groeit dagelijks. Om te voorkomen dat iedere willekeurige MOOC door studenten zouden kunnen worden ingebracht als alternatief voor een regulier vak en een docent voor de taak staat deze MOOC te moeten beoordelen op haar merites, zou een “White list” met toegestane MOOC’s vooraf kunnen worden opgesteld.
  • Opstellen van zo’n White List vergt veel investering van docent en instelling. Het is te vergelijken met de keuze voor een standaardboek als bron bij een vak. Daarbij spelen zaken als gewenste niveau en de mate van overlap met andere vakken een rol. Je komt daar alleen achter door ofwel een MOOC in haar geheel te volgen ofwel af te gaan op oordelen van peers. Het argument “bron = Ivy League, dus met de kwaliteit zit het wel goed” is onvoldoende. Immers: deze universiteiten hebben een naam op excellente research, niet op excellent onderwijs. Daarnaast komen steeds meer MOOC’s van andere dan Ivy League universiteiten. En de mate van overlap met andere vakken is onafhankelijk van de bron van een MOOC.
  • Juist vanwege de te maken investering wil je een grote mate van zekerheid hebben dat de betreffende MOOC niet slechts éénmaal wordt gegeven, maar dat het in de bekeken vorm langer aangeboden wordt.
  • Een minimum eis voor erkenning is ook de mate van zekerheid dat het behaalde certificaat op een eerlijke wijze is behaald. Een “proctored exam” is daarvoor noodzakelijk. Dat kun je als instelling zelf organiseren of je maakt afspraken met andere instellingen om dat voor je te verzorgen (maar beide opties zijn een investering).

De beschreven inspanningen kunnen verdeeld worden over alle instellingen voor hoger onderwijs door de resultaten van de evaluaties van MOOC’s te delen onder instellingen. Het raamwerk dat Gráinne Conole heeft opgesteld voor de beschrijving van een MOOC zou hierbij een rol kunnen spelen. Dit zou moeten worden aangevuld met een beschrijving in kernwoorden van de inhoud, zodat voor iedereen duidelijk is welke onderwerpen wel of niet behandeld worden. Het mooiste zou het zijn als die kernwoorden uit een thesaurus komen. Het onderwijsbegrippenkader, dat momenteel door Edustandaard wordt opgesteld, zou hiervoor gebruikt kunnen worden. Dat is echter nog wel werk in uitvoering. Met name voor het hoger onderwijs is daar nog niet veel voor gebeurd.

MOOC's en credit: studentview

Op de Linkedingroep van de SIG OER is een discussie gaande over erkennen van MOOC’s voor een regulier programma. De aanleiding was een vraag of een MOOC-certificaat kon meetellen voor professionaliseringspunten. Hoewel die aanleiding dus buiten een regulier curriculum lag, gingen de reacties in op al dan niet erkennen van een MOOC in een regulier programma en aan welke eisen dan voldaan zouden moeten worden. Ik wil in twee blogposts wat zaken hieromtrent op een rijtje proberen te zetten. In deze post behandel ik het vanuit een studentperspectief, in een volgende vanuit een docent- en instellingsperspectief. Ik beperk me daarbij tot de erkenning van MOOC’s voor reguliere studenten (dus niet in de context van een leven lang leren).
Eén van de redenen waarom instellingen voor hoger onderwijs nadenken over hoe om te gaan met MOOC’s is het hierboven geschetste vraagstuk: hoe moeten we reageren als een student om vrijstelling gaat vragen omdat hij/zij een MOOC heeft gevolgd en daar ook een certificaat voor heeft behaald? Deze vraagstelling gaat uit van de veronderstelling dat studenten uit zichzelf op zoek gaan naar alternatieven voor vakken die ze volgen bij hun opleiding en op die wijze ook op MOOC’s kunnen stuiten. Maar hoe reëel is deze veronderstelling?
In juni heeft Suzanne de Kort, als onderdeel van haar stage bij Wikiwijs, een onderzoek gedaan onder studenten hbo en wo over hun bekendheid met en gebruik van vrij beschikbare leermaterialen (in de survey hebben we dat “aanvullend digitaal leermateriaal” genoemd). Naast enkele kwalitatieve interviews heeft ze ook een survey gehouden. Deze had een response van ruim 180 inzendingen, redelijk gelijkelijk verdeeld over hbo en wo. Hoewel de data analyses (o.a. naar significantie) nog moeten plaatsvinden zijn er al wel op basis van puur frequenties enkele opvallende resultaten te melden.
Op de vraag “waarom zou je niet op zoek gaan naar aanvullend digitaal leermateriaal op internet?” kon een deelnemer meerdere antwoorden kiezen. In de 168 responses bij deze vraag waren de drie meest genoemde redenen:

  • Ik twijfel of de informatie betrouwbaar is (62%)
  • Door de hoeveelheid informatie op het internet raak ik het overzicht kwijt (39%)
  • Ik weet niet of ik het juiste leermateriaal uitkies (35%)

De survey bevatte ook twee vragen naar resp. de bekendheid met MOOC’s en de ervaring ermee. Op de vraag “Het afgelopen jaar zijn Massive Open Online Courses (afgekort tot MOOC, gratis cursussen op het internet van veelal gerenommeerde Amerikaanse universiteiten als Stanford, Harvard en MIT) sterk in opkomst. Ben je bekend met deze ontwikkeling?” antwoordde 80% van de 159 respondees “Nee”. Van degenen die wel bekend waren met dit fenomeen gaven 7 personen aan dat ze wel eens een MOOC deels hadden gevolgd en slechts één gaf aan ook het examen gedaan te hebben, overigens zonder een certificaat te hebben behaald.
De resultaten van deze vragen geven volgens mij aan:

  • Studenten zijn minder geneigd dan we misschien denken (hopen?) om op zoek te gaan naar aanvullend leermateriaal. Een enquete in de UK waarover ik eerder blogde gaf een soortgelijk resultaat. Hier ligt met name een rol voor docenten om bij hun vak expliciet aan te geven welke bronnen (inclusief MOOC’s) wel en welke niet de moeite waard zijn. Zeker in de Bacherlorfase mag je van studenten nog niet verwachten dat ze hiertoe in staat zijn. Ze missen immers het overzicht over hun vakgebied (daarom zijn ze nog geen Bachelor). De docent als curator dus!
  • Gegeven de onbekendheid met MOOC’s onder studenten hoeven we in de nabije toekomst nog niet te verwachten dat er massaal verzoeken zullen komen voor erkenning van MOOC’s.

Concluderend: hoewel het zeker verstandig is als instelling te anticiperen op verzoeken voor credits voor MOOC’s zullen we ook, als we het een goede ontwikkeling zouden vinden dat studenten dergelijk gedrag gaan vertonen, werk moeten maken van het kweken van besef bij studenten van het bestaan van dergelijke vrij beschikbare materialen en de potentiële mogelijkheden voor hen.

Internationalisatie: MOOC's of niet?

Net voor het zomerreces lanceerde minister Bussemaker het voornemen een actieplan op te stellen. Doel is “internationaal talent uit te dagen in Nederland te komen studeren en daarna ook te kiezen voor een carrière in Nederland”. Het CPB berekende dat “zo’n 64% van de masterstudenten in Nederland wil blijven, 16% vertrekt en de rest weet het nog niet. Voor promovendi zijn de cijfers vergelijkbaar.”.
Onderdeel van een dergelijk actieplan kan ook het meer inzetten van online onderwijs (al dan niet open) en MOOC’s zijn. Met name voor MOOC’s wordt de zichtbaarheid van de instelling voor potentieel interessante internationale studenten en onderzoekers als argument genoemd om ermee te starten. Maar het kent ook enkele uitdagingen en potentiële nadelen

  • De MOOC’s moeten concurreren met die van de Ivy League universiteiten. Onderscheidend zijn moet dan ofwel gebeuren door een toponderwerp gepresenteerd door een topdocent, ofwel door een onderscheidende didactiek.
  • Gegeven de ambities die uit het plan van OCW spreken zal met name gemikt worden op masterstudenten en onderzoekers. Juist in de masterfase komen hoorcolleges minder voor en gebeurt het onderwijs veel meer in andere vormen. Een (x)MOOC geeft dan geen goed beeld van deze fase. Ook dit pleit voor een onderscheidende didactiek die meer overeenkomt met wat in de masterfase gebruikelijk is.
  • Er zou met het aanbieden van de MOOC’s kunnen worden gemikt op geschikte bachelorstudenten met de verwachting dat de top daarvan tijdens die fase komt bovendrijven (“funnel-effect”). Deze aanpak is wellicht (te?) inefficiënt. Zijn er gegevens bekend van hoeveel van de huidige internationale studenten in de bachelorfase starten en dan doorstromen naar de master?
  • Online aanbieden van vakken (al dan niet open en al dan niet als een MOOC) zou de drempel voor daadwerkelijk inschrijven kunnen verlagen. Maar uiteindelijk gaat het er in het actieplan om talenten daadwerkelijk naar Nederland te halen. Een substantieel gedeelte on campus is daarom essentieel.

Ik denk dat online, al dan niet open, aanbieden van een deel van de masterfase zeker zal helpen bij het realiseren van de doelstellingen van het actieplan. Maar voorzichtigheid daarmee is dus wel geboden.
 

Presenteren op afstand

Afgelopen donderdag zag ik om 12:30 uur een tweet in mijn tijdlijn met het verzoek of ik een uur later (!) kon invallen bij het Springbreak-evenement in Roermond voor het geven van een presentatie over MOOC’s. Omdat ik door omstandigheden aan huis ben gebonden kon ik niet op dit verzoek ingaan, maar zou het wel op afstand kunnen. Dit aanbod werd in dank aanvaard door de organisatie. Snel een presentatie die ik eerder had gebruikt aanpassen aan de gelegenheid (een paar sheets eruit, een paar andere erin). Ik nam de vrijheid het kader breder te schetsen: open online onderwijs is meer dan alleen MOOC’s en kan voortbouwen op een traditie vanuit zowel open universiteiten als OER.
Via Google Hangout zou e.e.a. plaatsvinden. Voor mij was die omgeving nieuw, maar het bleek zich bijna vanzelf te wijzen. Helaas was er geen duplex-verbinding mogelijk, zodat ik tijdens de presentatie geen visuele en auditieve feedback kreeg. Ik voelde me een beetje zoals een nieuwslezer zich moet voelen en kreeg daardoor ook meer respect voor deze beroepsgroep. De Q&A na afloop werd via mobiele telefoon gedaan: de vragensteller stelde de vraag, ik gaf antwoord en de vragensteller vatte het antwoord samen voor de rest van de toehoorders.
Al met al een leuke ervaring, maar face2face contact met het publiek heeft toch mijn grote voorkeur. De organisatie heeft deze ervaring vanuit hun perspectief ook beschreven.
De presentatie die ik heb gebruikt staat hier.

Kwaliteit, docenten en MOOC

De afgelopen weken verschenen verschillende publicaties over (gebrek aan) kwaliteit van onderwijs en de rol van docenten en studenten daarbij. Wilfred Rubens reageerde op een artikel van een 6 VWO-leerling die aangaf niets op school te hebben geleerd. Wilfred gaf aan in zijn eigen middelbare schooltijd slechts één inspirerende docent te hebben gehad. In een blogpost getiteld Mooc, Schmooc reageert de auteur (Mark Childs) op de kritiek op MOOC’s dat credits kunnen worden gehaald zonder één college te hebben bezocht. Dat gebeurt al jarenlang, ook al vóórdat MOOC’s verschenen. Hoeveel tentamens heb je eigenlijk gehaald zonder één college te hebben bezocht omdat daar toch alleen maar een boek werd voorgelezen? Hoogleraar Jan Derksen van de Radboud Universiteit constateerde eind 2012 een gebrek aan belangstelling van studenten en pleitte daarom voor afschaffen van hoorcolleges. Daar kwam veel kritiek op, waarbij met name gesuggereerd werd dat hij zijn colleges aantrekkelijker zou moeten maken. Kritiek op studenten kwam er ook in een onlangs verschenen blogpost van Roger Berkowitz als reactie op een essay van Aaron Bady. Roger onderscheidt twee typen studenten: zij die alleen het resultaat (diploma) belangrijk vinden en zij die ook hechten aan academische vorming.
Terugdenkend aan mijn eigen schoolcarrière ben ik over de docenten op de middelbare school alleen maar positief. Ik zat op het Dominicuscollege in Nijmegen en heb daar het grootste deel van mijn VWO (1968-1974) gedaan. Met name in de laatste 2 jaren waren mijn docenten stuk voor stuk “kanjers” die mij inspireerden en door hun wijze van lesgeven aanmoedigden het beste uit mij te halen. Wat minder positief moet ik helaas zijn over mijn docenten op de universiteit. Zowel bij de (toen nog zo geheten) Katholieke Universiteit Nijmegen (wiskunde, 1974-1980) als bij de TU Eindhoven (Informatica als werkstudent, 1983-1989) waren de echt inspirerende docenten op de vingers van één hand te tellen. Als er toentertijd een keuze zou zijn geweest tussen face 2 face college volgen of een online alternatief (bijvoorbeeld een MOOC), zou ik vaak voor het laatste hebben gekozen omdat de face 2 face bijeenkomst voor mij weinig zou toevoegen aan een online ervaring.
En wellicht zit daar een toekomst voor MOOC’s en andere vormen van online onderwijs. Daar waar docenten onder de maat presteren of waar studenten weinig belang hechten aan de academische vorming zou een online alternatief kunnen worden gepresenteerd. Dat roept wel vragen op:

  • Zou kwaliteit van docenten bij het hoger onderwijs niet nog meer een issue moeten zijn dan het nu al is geworden door invoering van het verplichte BKO?
  • Moet je accepteren dat er in feite twee “soorten” afgestudeerden gaan ontstaan, namelijk zij die wel en zij die minimaal een academische vorming hebben gehad? Of is dat eigenlijk een formalisering van een status quo die er nu ook al is? Deze vraag wordt hardop gesteld nu Georgia Tech heeft aangekondigd vanaf 2014 een online Master Computer Science aan te bieden in samenwerking met MOOC-producent Udacity voor een fractie van de prijs die een campusstudent moet betalen voor dezelfde opleiding.

Food for thought!

OER13 congres Nottingham

Op 26 en 27 maart werd in Nottingham het OER13 congres gehouden. Deze editie telde 220 deelnemers, waarvan het leeuwendeel uit de UK afkomstig was. Het congres is voor Britse OER-onderzoekers hét congres om aan elkaar onderzoeksresultaten te presenteren en van gedachten te wisselen over allerlei issues.
De organisatie was erg verrast door het grote aantal deelnemers. In 2012 eindigde de financiering van twee grote OER-initiatieven in de UK. Het HEA/JISC OER programma, met meer dan 13M GBP aan subsidie, liep van 2009 tot 2012 en leverde een groot aantal OERs op. SCORE (Support Centre for Open Resources in Education) leverde ondersteuning aan OER-gerelateerde activiteiten, events en services. Dit project eindigde eveneens in 2012.
Waar tegenwoordig over OER gesproken wordt, ontbreekt de aandacht voor MOOC’s niet. Dit congres was daarop geen uitzondering, maar ik vond het wel een verademing dat het niet alle aandacht opslokte van de deelnemers en dat ook steeds is gestreefd naar het beschouwen van een MOOC in het bredere kader van open education in plaats van als een geïsoleerd fenomeen. Over het in december 2012 door de OU-UK gelanceerde MOOC-platform Futurelearn is overigens niet veel meer bekend dan dat er zich momenteel 22 Engelse universiteiten hebben aangesloten bij dit platform. In de wandelgangen vernam ik dat de OU-UK (de initiatiefnemer van dit platform) ernaar streeft de leermaterialen in de MOOC’s die zij via Futurelearn willen aanbieden, onder een open licentie te publiceren. Of dat een voorwaarde wordt voor alle deelnemers en of de andere deelnemers dit ook zullen doen is nog niet bekend.
Dit congres bood een grote diversiteit aan onderwerpen. Een kleine greep:

  • Making OER available on multiple platforms (U-Now, IBook, eBooks),
  • What do teachers need for sharing and creating knowledge about OER?,
  • Learning lessons of innovation from MOOC’s, OER and crowdsourcing environments,
  • New Approaches to Describing and Discovering Open Educational Resources.

Beleidsonderwerpen kwamen met name aan bod in presentaties over resultaten van EU-gefinancierde projecten.
De openingskeynote was van Toni Pearce, de Vice-President van de National Union of Students HE. Ze presenteerde resultaten van een onderzoek dat door hun organisatie is uitgevoerd onder studenten. Enkele resultaten uit dat onderzoek:

  • Studenten gebruiken veelal alleen OER wanneer dit onderdeel van de cursus is of wanneer dit specifiek door de docent wordt aangegeven.
  • Slechts een minderheid van de studenten heeft m.b.v. OER een betere indruk gekregen van de opleiding voordat ze zich aanmeldden.
  • Aanbrengen van digitale vaardigheden in een vroeg stadium vinden ze belangrijk
  • Studenten beschouwen zichzelf niet als de doelgroep van OER, maar zien het veeleer een rol spelen in een leven lang leren traject
  • Ze vragen zich af of aanbod van OER gratis kan blijven.

Ming Nie presenteerde de eerste resultaten van het door de EU gefinancierde POERUP project. POERUP staat voor “Policies for OER Uptake”. Doel is tot aanbevelingen te komen voor hoe overheden de groei in gebruiken van OER kan stimuleren. O.a. de Open Universiteit is partner in dit project. Een eerste tussenresultaat bestaat uit 24 reports waarin initiatieven op nationaal, regionaal en (grotere) instituties beschreven zijn. Van de onderzochte landen en regio’s waren Nederland, USA, Roemenië en Zuid-Afrika de landen met een aanpak op nationaal niveau. Maar landen als Australië, Nieuw-Zeeland, Spanje en Canada zijn ook erg actief, zonder de aanwezigheid van een nationale aanpak.
Op het congres waren er ook diverse workshops voor het Communicate OER project. Dit project heeft tot doel om OER-gerelateerde artikelen in de Wikipedia te schrijven of te actualiseren. In de komende maanden zullen op gezette tijden online sessies worden georganiseerd voor groepen belangstellenden om gezamenlijk een artikel onder de loep te nemen en (indien nodig) te verbeteren. De workshops tijdens dit congres gaf een introductie in het schrijven van Wikipedia artikelen.
Samenvattingen van de meeste congresbijdragen zijn te lezen op de conference blog. Daar zijn ook links naar de slides opgenomen.