Open (Education | Educational (Resources | Practices) | Pedagogy | Science)

In mijn vorige blog schreef ik over de Verklaring nationale aanpak digitale en open leermaterialen. Die blog eindigde ik met een constatering dat het in het regeerakkoord gebezigde begrip Open Education verschillende omschrijvingen kent. Inmiddels circuleren in de onderwijspraktijk van alledag diverse begrippen die met openheid te maken hebben. In deze blog wil ik deze begrippen nader omschrijven en een samenhang tussen die begrippen presenteren. Daarmee hoop ik te bereiken dat scherper zicht gekregen kan worden op deze begrippen, bijvoorbeeld voor beleidsformulering of realiseren van ondersteuning.

Open Educational Resources

Van alle begrippen die in deze blog aan bod komen is de definitie van Open Educational Resources de enige waar een algemeen aanvaarde definitie van bestaat. In de UNESCO Recommendation on OER (UNESCO, 2020) is de volgende definitie te vinden:

Open Educational Resources (OER) are learning, teaching and research materials in any format and medium that reside in the public domain or are under copyright that have been released under an open license, that permit no-cost access, re-use, re-purpose, adaptation and redistribution by others

(Open leermaterialen zijn leer-, onderwijs- en onderzoeksmaterialen in ieder mogelijk format en op ieder mogelijke drager die tot het publieke domein behoren of auteursrechtelijk beschermd zijn en onder een open licentie zijn vrijgegeven, die kosteloos toegang, hergebruik, herbestemming, aanpassing en verdere verspreiding door anderen mogelijk maken)

Er zijn varianten hierop (zoals hier), maar ze beschrijven alle de karakteristieke kenmerken van OER: kosteloze toegang en rechten voor hergebruik, aanpassing, mixen, verdere verspreiding en lokale opslag. Lokale opslag ontbreekt overigens in de UNESCO definitie, maar is een logisch gevolg van de andere genoemde rechten: uitoefenen van de rechten (zoals aanpassen) wordt praktisch erg lastig als de resource niet mag worden gedownload en lokaal opgeslagen.

Open Educational Practices

In 2009-2011 liep het, deels door de EU gefinancierde, project OPAL. In dit project lag de focus op hoe Open Educational Resources in de onderwijspraktijk kunnen worden toegepast om een hogere kwaliteit van onderwijs te realiseren. In dat project werd het begrip Open Educational Practices voor het eerst geïntroduceerd met de volgende omschrijving (Andrade et al, 2011, p.12):

Open Educational Practices are defined as practices which support the (re)use and production of OER through institutional policies, promote innovative pedagogical models, and respect and empower learners as coproducers on their lifelong learning path.

Opvallend in deze beschrijving zijn de karakteristieken van een toepassing van OER in de onderwijspraktijk: er is een instellingsbeleid, het gaat om geavanceerde didactische werkvormen en legt de nadruk op verantwoordelijkheid van de lerende voor zijn of haar eigen leerproces. Voor de onderwijspraktijk is de vraag “Hoe kom ik nu tot een situatie waarin Open Educational Practices een vanzelfsprekende praktijk is” relevant. Het Institute for the Study of Knowledge Management in Education (ISKME) heeft daartoe een set van rubrics beschreven die docenten kan helpen stapsgewijs toepassing van OER in hun onderwijspraktijk te introduceren.

Open Pedagogy

In 2019 heeft de SIG Open Education een Thema-uitgave Open Pedagogy gepubliceerd (Jacobi et al, 2019). In dat rapport worden diverse opvattingen over Open Pedagogy uit de literatuur beschreven. Uit al die opvattingen is de volgende omschrijving van Open Pedagogy gedestilleerd (nadruk aangebracht door mij):

Open Pedagogy is een paraplu van didactische werkvormen waarop één of meer van de volgende karakteristieken van toepassing is:

  1. Lerenden werken aan leertaken waarbij de waarde die ze toevoegen open toegankelijk is zodat anderen er toegang toe hebben, dit kunnen delen en opnieuw waarde kunnen toevoegen;
  2. Leertaken worden uitgevoerd door lerenden die via open netwerken (inclusief social media) met elkaar verbonden;
  3. Via leertaken dragen lerenden bij aan kenniscreatie door aanpassing, hergebruik of combineren van open beschikbare content/kennisobjecten en het open beschikbaar stellen van het resultaat;
  4. Bij leertaken wordt gebruik gemaakt van Open Educational Resources en content die beschikbaar is op open netwerken.

Uit deze omschrijving is af te leiden dat hiermee een nadere invulling wordt gegeven aan de karakteristiek innovative pedagogical model uit de definitie van Open Educational Practices. Verder is, door de frase “één of meer”, een gevolg van deze omschrijving dat Open Educational Resources niet per se een element van Open Pedagogy hoeft te zijn. Schematisch kan deze omschrijving als volgt worden weergegeven (afgeleid uit (Jacobi et al, 2021)).

Klik op de afbeelding voor een vergroting

Specifieke verschijningsvormen van Open Pedagogy waarvoor Open Educational Resources essentieel zijn om te realiseren worden in (Wiley & Hilton III, 2018) omschreven als OER-enabled pedagogy:

The set of teaching and learning practices that are only possible or practical in the context of the 5R permissions which are characteristic of OER.

Open Education

Over het begrip Open Education bestaan veel opvattingen en daarbij behorende beschrijvingen. Karakteristieken die daarbij vaak worden genoemd zijn:

  • Laagdrempelige(r) (veelal kosteloze) toegang tot onderwijs en elementen daarvan zoals Open Educational Resources
  • Vrijheden in leerpaden en onderwijsvormen (zoals vrijheid van plaats, tijd, tempo en programma)
  • Samenwerking met partijen binnen en over de grenzen van onderwijsinstellingen
  • Open toegankelijk maken van resultaten van onderwijs

In de context van deze blog is vooral de opvatting uit de eerste bullet van belang: Open Educational Resources zijn een element van Open Education. Deze opvatting is bijvoorbeeld in meer detail beschreven in (Mulder & Janssen, 2013) in hun Five Components of Open Education (5COE) model. In (Inamorato dos Santos et al, 2016) wordt een support framework voor implementatie van vormen van Open Education beschreven (door hen aangeduid als Opening Up Education), uitgaande van een model voor Open Education van 10 dimensies. Ook in dat model wordt een koppeling gemaakt tussen toegang en Open Educational Resources, waarbij vaak de Massive Open Online Course (MOOC) als verschijningsvorm van Open Educational Resources wordt benoemd.

Open Science

Steeds vaker worden manifestaties van Open Education gerelateerd aan het concept Open Science. Voorbeelden daarvan in Nederland zijn te vinden in de white paper Reshaping The Academic Self van de Universiteit Utrecht (De Knecht et al, 2021) en de invulling van Open Science aan de TU Delft. In beide voorbeelden worden de begrippen Open Education en Open Science aan elkaar gerelateerd.

De meest gedetailleerde beschrijving van Open Science die ik ben tegengekomen is afkomstig uit de in 2021 gepubliceerde UNESCO Recommendation on Open Science (UNESCO, 2021). Daar staat de volgende definitie:

Open science is defined as an inclusive construct that combines various movements and practices aiming to make multilingual scientific knowledge openly available, accessible and reusable for everyone, to increase scientific collaborations and sharing of information for the benefits of science and society, and to open the processes of scientific knowledge creation, evaluation and communication to societal actors beyond the traditional scientific community. It comprises all scientific disciplines and aspects of scholarly practices, including basic and applied sciences, natural and social sciences and the humanities, and it builds on the following key pillars: open scientific knowledge, open science infrastructures, science communication, open engagement of societal actors and open dialogue with other knowledge systems.

Daarnaast worden ook definities gegeven van de begrippen Open scientific knowledge, Scientific publications, Open research data, Open educational resources, Open source software, en Open hardware. Schematisch zijn al deze begrippen weergegeven in de volgende figuur uit de Recommendation:

De andere begrippen die in deze figuur voorkomen (Open science infrastructures, Open engagement of societal actors en Open dialogue with other knowledge systems) worden ook beschreven. Deze begrippen vallen echter buiten de context van deze blogpost.

Zowel in de UNESCO Recommendation on Open Science als in de UNESCO Recommendation on Open Educational Resources wordt het begrip Open Education niet nader omschreven en is er dus geen verband beschreven tussen beide begrippen. Voor praktische doeleinden is het echter wel zinnig om Open Education als component van Open Science te beschouwen, iets wat in de eerder genoemde voorbeelden van de TU Delft en de Universiteit Utrecht ook wordt gedaan.

Samenhang

Uit de beschrijvingen is af te leiden hoe de in deze blog beschreven concepten met elkaar samenhangen:

  • Open Educational Resources zijn een component van Open Education en van Open Science
  • Open Education is een component van Open Science
  • Open Educational Practices is een toepassing van Open Educational Resources in de praktijk
  • Open Educational Resources is optioneel een component van Open Pedagogy
  • Open Pedagogy kan een verschijningsvorm zijn van Open Educational Practices (namelijk in die gevallen dat er Open Educational Resources worden gebruikt)

De onderstaande figuur toont de samenhang schematisch (als een soort Bill Of Materials):

Klik op de afbeelding voor een vergroting

Tenslotte

Uit deze beschrijvingen is duidelijk geworden dat de terminologie rond open vormen van onderwijs zeker niet is uitgekristalliseerd. De vraag is of dat ook ooit zal gebeuren. Zo kent het begrip Open Education een lange geschiedenis waarbij de opkomst van de mogelijkheden die de digitale wereld biedt ook de begripsvorming rond Open Education heeft beïnvloed. Het al eerder genoemde 5COE-model van Mulder & Janssen (2013) geeft mij altijd houvast wanneer ik met vraagstukken rond Open Education bezig ben, maar wanneer het gaat om inrichting van daarbij behorende processen vind ik het 10-dimensies model van Inamorato et al (2016) nuttig.

De in deze blog gepresenteerde beschrijvingen en samenhang moet als een foto worden beschouwd van dit moment. Die foto kan mogelijk behulpzaam zijn om scherper zicht te krijgen op aspecten van beleidsvorming of wijzen van ondersteuning. Maar waarschijnlijk zal, wanneer over tien jaar zo’n foto weer eens wordt gemaakt, een ander beeld zijn ontstaan met mogelijk nieuwe elementen en andere samenhangen.

Referenties

Andrade, A., Ehlers, U.-D., Caine, A., Carneiro, R., Conole, G., Kairamo, A.-K., …, Holmberg, C. (2011). Beyond OER: Shifting focus to open educational practices. Open Education Quality Initiative. https://oerknowledgecloud.org/sites/oerknowledgecloud.org/files/OPAL2011.pdf

De Knecht, S., Van der Meer, M., Brinkman, L., Kluijtmans, M., & Miedema, F. (2021). Reshaping The Academic Self. Utrecht University. https://www.uu.nl/sites/default/files/210401%20-%20White%20Paper%20Open%20Science%20Education.pdf

Inamorato dos Santos, A., Punie, Y., & Castaño-Muñoz, J. (2016). Opening up Education: A Support Framework for Higher Education Institutions. JRC Science for Policy Report, EUR 27938 EN; doi:10.2791/293408 https://op.europa.eu/en/publication-detail/-/publication/c52b6cab-a82c-4e75-8420-d2431196d11d/language-en

Jacobi, R., Schuwer, R. & van der Woert, N. (2019). Thema-uitgave Open Pedagogy. Er is meer Open Pedagogy dan je denkt! SURF, Nederland. https://www.surf.nl/files/2020-02/thema-uitgave-open-pedagogy.pdf

Jacobi, R., De Jong, M., & Post, M. (2021, June 25). Model open pedagogy en Studentbetrokkenheid. https://blog3.han.nl/hanicto/model-open-pedagogy-en-studentbetrokkenheid/

Mulder, F. & Janssen. B. (2013). Open (het) onderwijs. In R. Jacobi, H. Jelgerhuis & N. van der Woert (Eds.), Trendrapport Open Educational Resources 2013 (pp. 38-43). SURF. https://robertschuwer.nl/download/mulder-janssen-5coe.pdf

UNESCO (2020). Recommendation on Open Educational Resources (OER) (CL/4319). https://unesdoc.unesco.org/ark:/48223/pf0000373755

UNESCO (2021). UNESCO Recommendation on Open Science (SC-PCB-SPP/2021/OS/UROS). https://unesdoc.unesco.org/ark:/48223/pf0000379949.locale=en

Wiley, D., & Hilton III, J. L. (2018). Defining OER-Enabled Pedagogy. The International Review of Research in Open and Distributed Learning19(4). https://doi.org/10.19173/irrodl.v19i4.3601

Attribution

In de figuur die de samenhang tussen elementen toont zijn enkele afbeeldingen verwerkt waarvoor naamsvermelding vereist is.

Verklaring nationale aanpak digitale en open leermaterialen

Het sluiten van de Unie van Utrecht, 1579, Simon Fokke, 1782 – 1784. Bron

Deze week hebben de Vereniging Hogescholen, Universiteiten van Nederland en SURF de Verklaring nationale aanpak digitale en open leermaterialen ondertekend. Daarmee “spreken de Nederlandse publieke hoger onderwijsinstellingen de ambitie uit de komende jaren als instelling zelf én in gezamenlijkheid, regie te voeren op het maken, delen, hergebruiken en inkopen van digitale en open leermaterialen en de daarbij behorende of af te leiden data. Op die wijze borgen de hoger onderwijsinstellingen belangrijke publieke waarden, voor nu en in de toekomst” (nadruk aangebracht door mij).

De Verklaring en deze ondertekening ervan is het resultaat van een proces onder leiding van Huib de Jong (onder veel meer voormalig bestuursvoorzitter van de HvA), begeleid door adviesbureau AEF, voornamelijk gerepresenteerd door Dennis van den Berg, en Yvonne Rouwhorst, de verbinder van de zone Gezamenlijk koersen op versnelling (kortweg het Koersteam) van het Versnellingsplan Onderwijsinnovatie met ICT. Het Koersteam heeft einde 2020 dit proces geïnitieerd. De Verklaring kreeg tijdens dat proces de werktitel Unie van Utrecht (en persoonlijk vind ik het wel jammer dat dat niet de finale titel is geworden, maar je kunt niet alles hebben). De ambities waaraan de koepels en SURF zich door deze ondertekening hebben gecommitteerd hebben een horizon van 2035.

Ik denk dat het belang van dit commitment niet genoeg kan worden benadrukt. Leermaterialen zijn (te) lang een domein geweest waar weinig bestuurlijke aandacht voor was. De komst van digitale leermaterialen met hun vele mogelijkheden en daarmee samenhangende vraagstukken als optimaal gebruik in het onderwijsproces, betaalbare toegankelijkheid voor studenten, platformen van commerciële uitgevers en de bijbehorende risico’s, maar ook de waarden die open leermaterialen bieden hebben dit veranderd. Met dit commitment hebben bestuurders hun verantwoordelijkheid genomen voor dit domein, waarbij het toverwoord is regie te houden op leermaterialen:

  1. Hoger onderwijsinstellingen kiezen voor het zelf of in open co-creatie ontwikkelen van digitale en open leermaterialen. Dit gebeurt volgens het principe dat leermaterialen die het resultaat zijn van publieke financiering voor iedereen (digitaal) beschikbaar dienen te zijn.
  2. Hoger onderwijsinstellingen gaan gezamenlijk een aantal randvoorwaarden afspreken met betrekking tot de inkoop en co-creatie van commerciële leermaterialen, zodat komende ontwikkelingen op dat gebied onder regie van de instellingen kunnen plaatsvinden

Achtergronden van deze Verklaring zijn in een rapport te lezen. Samengevat:

  1. Aanleiding. Op basis van een studie van ResearchNed uit 2020 bleek dat hoger onderwijsinstellingen op dit moment nog onvoldoende in positie zijn om invloed op de keten van digitale leermaterialen te kunnen uitoefenen. Die positie kan worden vergroot door de ontwikkeling van een gemeenschappelijke visie en beleid op digitale leermaterialen. Het Koersteam heeft twee samenhangende ambities geformuleerd om tot een nationaal ecosysteem voor het gebruik van digitale en open leermaterialen te komen: (1) een landelijk initiatief voor het ontwikkelen en (her)gebruiken van open leermaterialen, en (2) een landelijk afsprakenstelsel en gezamenlijke inkoop.
  2. Belang van digitale en open leermaterialen. Digitale leermaterialen passen binnen een bredere ontwikkeling van digitalisering van het hoger onderwijs. In dat veld hebben diverse stakeholders een positie: studenten, docenten, ondersteuningsstaf (w.o. bibliotheken), gremia als SURF, traditionele uitgeverijen en EdTech bedrijven. Dat schept kansen (zoals meer mogelijkheden het leerproces van studenten te ondersteunen), maar vraagt ook aandacht voor risico’s (zoals verlies van autonomie en zorgen om veiligheid).
  3. In drie stappen naar adoptie van open leermaterialen. Hierin wordt dieper ingegaan op de vraag hoe onderwijsinstellingen zelf leermaterialen kunnen ontwikkelen en de transitie kunnen maken naar grotere adoptie van open leermaterialen.
  4. Afspraken en randvoorwaarden leermaterialen. Hierin wordt invulling gegeven aan waar gezamenlijke afspraken voor nodig zijn om regie te verkrijgen en behouden: auteursrechten (copyright), data, meta-datering en diverse ICT-standaarden en (gezamenlijke) inkoop en co-creatie van leermaterialen.
  5. Organisatie en governance. Als hoger onderwijsinstellingen een situatie wensen waarin leermaterialen open gedeeld worden én er onder publieke voorwaarden met commerciële partijen wordt samengewerkt, vereist dat een zorgvuldige governance: hoe werken de partijen samen en welke voorwaarden gelden daarbij.
  6. Groeimodel. Om uiteindelijk in 2035 de gewenste situatie te bereiken wordt een model geschetst waarin drie fasen zijn te onderscheiden:
    • Initiatie (2022-2024): uitwerken verklaring Regie op leermaterialen
    • Implementatie (2025-2030)
    • Consolidatie (2031-2035)

Wat betekent dit voor open leermaterialen?

De Verklaring spreekt over “digitale en open leermaterialen”. Deze formulering moet worden opgevat als “Digitale leermaterialen en (als een subset daarvan) open leermaterialen”. Nadrukkelijk wordt steeds als doel voor ogen gehouden de passende mix van leermaterialen, die (zeker waar het commerciële leermaterialen betreft) ook niet-digitaal kunnen zijn. “Open leermaterialen” worden in het rapport niet gedefinieerd, maar ik pleit sterk voor een zo breed mogelijke opvatting van dat begrip, waarbij minimaal digitale toegang zonder financiële drempels gewaarborgd is voor een zo groot mogelijke doelgroep (zie voor een uitgebreider definitiekader deze blog). Hoewel niet expliciet zo geformuleerd neigt de Verklaring wel naar die brede opvatting.

Het mooie van deze Verklaring vind ik dat (activiteiten rond) open leermaterialen niet als een afzonderlijk object van aandacht worden beschouwd, maar als een onderdeel van een groter en complexer ecosysteem van digitale leermaterialen. Dat maakt nadrukkelijk ook publiek-private samenwerking mogelijk bij creatie en aanbieden van leermaterialen. Daarbij kan inspiratie worden opgedaan bij enkele initiatieven in het buitenland, zoals NDLA in Noorwegen (ook beschreven op p. 34-39 van dit rapport) en de State University of New York (beschreven op p. 43-48 in dit rapport). Beide initiatieven tonen hoe dergelijke samenwerkingen grootschalige adoptie van open leermaterialen door instellingen kunnen bevorderen en versnellen door aandacht voor kwaliteit van leermaterialen, inzet vanuit een visie op onderwijs, training van stakeholders en open platformen waar de leermaterialen kunnen worden “afgespeeld”.

Ik wil ook pleiten voor (veel) meer aandacht voor dergelijke open platformen. In de Verklaring wordt wel gerept over “verdere inrichting en (door)ontwikkeling van de bestaande technische infrastructuur (edusources) om digitale en open leermaterialen op te slaan, te bewerken, te zoeken, te delen en te beoordelen”, maar niet over afspelen van die leermaterialen. Zo wordt bijvoorbeeld Youtube voornamelijk gebruikt om video’s te delen en af te spelen vanwege het gemak en de vrije toegankelijkheid daarvan. Maar eigenlijk zou een net zo eenvoudig alternatief waar onder meer privacy beter gewaarborgd kan worden beschikbaar moeten zijn (zie deze publicatie). In het MBO wordt al een aantal jaar met het open platform Xerte gewerkt, waarin naast maken en delen van de leermaterialen ook het afspelen ervan kan plaatsvinden. Commerciële uitgevers bieden die afspeelmogelijkheden voor hun leermaterialen aan. De af te spreken randvoorwaarden waarvan in de Verklaring sprake is zullen ook over die platformen moeten gaan. Maar zorg daarnaast voor een publiek beschikbare open variant voor dergelijke platformen. Dat draagt bij aan de regie op leermaterialen die je als gezamenlijke instellingen wil verkrijgen.

Parallel aan de realisatie van de ambities in de Verklaring zal structureel onderzoek moeten plaatsvinden naar adoptie van open leermaterialen. In mijn vorige blog heb ik al onderzoek naar effect van open leermaterialen op studiesucces genoemd, maar er zijn meer onderwerpen te benoemen zoals duurzaamheid van initiatieven rond open leermaterialen en bewaken van kwaliteit van open leermaterialen. In een latere blog zal ik hier dieper op ingaan.

Tenslotte zal de overheid ook stappen moeten zetten om de geformuleerde ambities te kunnen realiseren. De volgende passage in het coalitieakkoord van kabinet Rutte IV (onder het kopje Sterker hoger- en wetenschappelijk onderwijs, p. 22) schept in ieder geval wel verwachtingen en vereist commitment van de overheid (nadruk aangebracht door mij):

We stimuleren de vrije en veilige uitwisseling van ideeën en borgen de academische vrijheid van wetenschappers. We stellen kaders vast voor de wetenschappelijke samenwerking met onvrije landen. ‘Open science’ en ‘open education’ worden de normen, mits de nationale veiligheid hierbij niet in het geding komt.

Uiteraard is Open Education meer dan alleen open leermaterialen (hoewel beide begrippen in het coalitieakkoord niet verder worden omschreven; zie voor opvattingen over Open Education bijvoorbeeld hier, hier en hier), maar meer adoptie van open leermaterialen schept wel een stevige basis om invulling te geven aan dit voornemen van de regering.

Effect van open leermateriaal op studiesucces

Ben Janssen attendeerde mij deze week op een artikel uit 2019: Do open educational resources improve student learning? Implications of the access hypothesis. De auteurs van dit artikel betogen dat studies al wel hebben aangetoond dat gebruik van open leermaterialen (Open Educational Resources, OER) leidt tot lagere kosten voor lerenden en (mede daardoor) tot minder ongelijkheid in onderwijs. Studies naar effecten op de leerresultaten tonen echter veelal geen effect aan. De auteurs betogen dat dit komt doordat bij die studies wordt uitgegaan van de hypothese dat lagere drempels voor toegang leidt tot positieve leerresultaten en dat deze opzet van de studies een positief effect niet kan ontdekken, zelfs als er een positief effect is.

Ik ben het eens met de auteurs van dit artikel. Leermateriaal met een open licentie op zichzelf geven alleen een potentie om onderwijs zodanig te ontwerpen dat daardoor uiteindelijk aantoonbaar positieve effecten op leerresultaten optreden. Essentieel is  datgene wat een docent doet met de affordances die open leermateriaal bieden: vrije toegang en rechten op aanpassing. In deze blog wil ik aangeven welk onderzoek nodig is om meer inzicht te krijgen in de effecten van open leermateriaal op studiesucces.

Effecten van leermateriaal op studiesucces

Een meer algemene vraag is “wat draagt leermateriaal bij aan studiesucces en hoe kan dat worden gerealiseerd?” In het Versnellingsplan hebben Sylvia Moes (VU), Leontien van Rossum (Fontys) en ondergetekende vorig jaar een tool gepubliceerd “Kies wijzer je digitaal leermateriaal“. Met deze tool kan een docent, gegeven een te behalen leeruitkomst en gewenste werkvorm, suggesties krijgen voor welk type leermateriaal (zoals video, simulatie, tekst) potentieel geschikt is, gebaseerd op onderzoek ernaar (waarbij de papers die de evidence aanleveren ook getoond worden). Het uiteindelijke effect op studieresultaten wordt in die artikelen echter vaak niet aangegeven.

De opzet van de Kieswijzer is echter wel waar het bij de effect-vraag van open leermaterialen om zou moeten draaien: onderwijsvisie is leidend en materiaal is volgend. Daarmee kan de effectvraag worden geherformuleerd tot “welk effect heeft een onderwijsvorm, waarbij open leermaterialen essentieel zijn, op studiesucces?

Dergelijke onderwijsvormen staan bekend als open pedagogy. Clinton-Lisell (2021) gaf, in een metastudie naar open pedagogy, de volgende omschrijving van dit concept:

“The concept of open pedagogy has had multiple interpretations. A model of open pedagogy with eight key attributes to guide instructors in using OER was developed by Hegarty (2015). These attributes were helpful for open pedagogy but did not necessarily require open licensing to incorporate, such as connected community, peer review, and reflections. This broader approach is contrasted with a more precise approach by Wiley and Hilton who coined the term OER-enabled pedagogy (2018). OER-pedagogy is a specific approach regarding teaching and learning techniques that are only possible through open licensing (the 5Rs). Similarly, DeRosa and Robison (2017) describe OER use as a “jumping off point” for empowering students with student-centered, process-oriented learning through open licensing. This was further developed by describing open pedagogy as an “access-oriented commitment to learner-driven education AND as a process of designing architectures and using tools for learning that enable students to shape the public knowledge commons of which they are a part” (DeRosa & Jhangiani, 2018, pp. 13-14). In other words, open pedagogy is a method for students to be knowledge creators rather than only knowledge consumers.

In the current review, the term open pedagogy is used to broadly describe teaching and learning techniques made possible through open licensing (also referred to as OER-enabled pedagogy; Wiley & Hilton, 2018). Moreover, there is a focus on how the open pedagogy definition or explanation in the study aligns with OER-enabled pedagogy as described by Wiley and Hilton (2018). This is to allow for a detailed examination of how the study’s examination of open pedagogy resonates with the affordances of open licensing and contrasts open pedagogy with other effective pedagogical techniques that do not require open licensing (e.g., collaborative learning, non-disposable assignments in general). This approach allows for an examination of the unique nature of open pedagogy.”

De SIG Open Education heeft in (Jacobi et al, 2019) de volgende omschrijving gegeven van open pedagogy (nadruk door mij aangebracht):

Open Pedagogy is een paraplu van didactische werkvormen waarop één of meer van de volgende karakteristieken van toepassing is:

  1. Lerenden werken aan leertaken waarbij de waarde die ze toevoegen open toegankelijk is zodat anderen er toegang toe hebben, dit kunnen delen en opnieuw waarde kunnen toevoegen;

  2. Leertaken worden uitgevoerd door lerenden die via open netwerken (inclusief social media) met elkaar verbonden;

  3. Via leertaken dragen lerenden bij aan kenniscreatie door aanpassing, hergebruik of combineren van open beschikbare content/kennisobjecten en het open beschikbaar stellen van het resultaat;

  4. Bij leertaken wordt gebruik gemaakt van Open Educational Resources en content die beschikbaar is op open netwerken.

Uit deze beide omschrijvingen is te halen dat een specifieke verschijningsvorm van open pedagogy, OER-enabled pedagogy, van belang is voor de effectvraag van open leermaterialen op studiesucces. Wiley & Hilton III (2018) omschrijven OER-enabled pedagogy als

the set of teaching and learning practices that are only possible or practical in the context of the 5R permissions which are characteristic of OER.

Effecten van open leermateriaal op studiesucces

Clinton-Lisell heeft in haar metastudie ook gekeken naar effecten van OER-enabled pedagogy op studiesucces (nadruk door mij aangebracht):

One area of critical importance in open pedagogy is how it relates to student learning outcomes. Open pedagogy has been conceptually linked with philosophies known to benefit student learning, such as constructivism and student-centered learning (Allsop et al, 2020; Isik et al, 2018), as there is meaningful engagement with the content and students are actively engaged in developing their knowledge (Masterman, 2016). Therefore, one can intuit that open pedagogy would likely benefit student learning. However, without empirical evidence regarding learning outcomes, one cannot determine if open pedagogy actually improves student outcomes.

(…)

Learning outcomes were examined in only two studies. Tillinghast and colleagues (2020) as well as Bloom (2019) compared course sections with students’ open pedagogy to students having more traditional assignments. The two approaches to open pedagogy differed in that Tillinghast and colleagues had students revise an existing OER textbook and Bloom had students develop OER learning tools. However, their findings regarding student learning outcomes were similar. Neither found differences in performance for grades in the course. Bloom noted that increases in writing mechanics knowledge appeared to be larger for students in the open pedagogy group, but this difference was only marginally significant. Given the relatively small sample, it is possible that reliable results could be found with a larger sample in future research.

Dit citaat geeft twee zaken aan: er zijn erg weinig studies naar effecten op studiesucces én, hoewel bij beide studies OER-enabled pedagogy het vertrekpunt was, in die studies zijn geen effecten op studiesucces gevonden.

Conclusie

Er is nog weinig bekend over effecten van gebruiken van open leermaterialen op studiesucces. Toekomstig onderzoek zou zich daarom meer moeten richten op deze effectvraag. Daarvoor is nodig dat er meer bekendheid bij docenten en ondersteuners is over Open pedagogy in het algemeen en OER-enabled pedagogy in het bijzonder. Zorgen voor meer bekendheid is op de kortere termijn een professionaliseringsvraagstuk, maar voor de langere termijn zou in de curricula van lerarenopleidingen veel meer aandacht moeten komen voor open leermaterialen en wat daarmee mogelijk is.

Uiteindelijk kan een resultaat zijn dat effecten op studiesucces niet aan te tonen zijn. Daarmee wordt gebruiken van open leermaterialen echter niet minder waard. Er blijven voldoende andere waarden over om de adoptie van open leermaterialen te verantwoorden. Zie een eerdere blog die daarover is verschenen.

Referenties

Clinton-Lisell, V. (2021). Open Pedagogy: A Systematic Review of Empirical Findings. Journal of Learning for Development 8(2), 255-268. Retrieved from https://jl4d.org/index.php/ejl4d/article/view/511

Grimaldi, P. J., Basu Mallick, D., Waters, A. E., & Baraniuk, R. G. (2019). Do open educational resources improve student learning? Implications of the access hypothesis. PLOS ONE14(3), e0212508. https://doi.org/10.1371/journal.pone.0212508

Jacobi, R., Schuwer, R. & van der Woert, N. (2019). Thema-uitgave Open Pedagogy. Er is meer Open Pedagogy dan je denkt! SURF, Nederland. https://www.surf.nl/files/2020-02/thema-uitgave-open-pedagogy.pdf

Wiley, D., & Hilton III, J. L. (2018). Defining OER-Enabled Pedagogy. The International Review of Research in Open and Distributed Learning19(4). https://doi.org/10.19173/irrodl.v19i4.3601

A crosswOERd puzzle for under the Christmas tree

As part of a virtual Happy Christmas wish for our colleagues at Fontys University of Applied Sciences, School of ICT, my colleague Leontien van Rossum and me have created a crossword puzzle about OER (so a crosswOERd puzzle). In this puzzle we aim to inform and educate our colleagues about OER. Especially our new colleagues, whom we have never met in real life due to the pandemic, will hopefully get inspired to dive deeper into the topic. The items in the puzzle address the very basic stuff (the meaning of the acronym OER, the 5R’s, Creative Commons licenses), some history, specific Dutch oriented topics (two national platforms), where to get support and open pedagogy as an advanced topic. We have also added some resources to find more information. These resources also contain the solutions of the items. After correctly solving the puzzle, some designated characters in the solutions form our wish.

The puzzle is available here. And I want to take the opportunity to wish you a Happy Christmas and a prosperous 2022.

Erkennen en waarderen van Open Educational Practices

In 2018 startten 25 publieke onderwijsinstellingen in de Verenigde Staten het initiatief Driving OER Sustainability for Student Success (DOERS3). In hun bewoordingen:

(…) are committed to supporting student success by promoting free, customizable open educational resources (OER). (…) DOERS3 helps member organizations implement, scale, and sustain OER by advancing research and policy, sharing tools and learnings, and showing how OER can foster equity and student success.

Eén van de issues om te komen tot een duurzame adoptie van OER is hoe activiteiten op het gebied van OER of (breder) Open Education (ook wel Open Educational Practices genoemd) kunnen worden erkend en gewaardeerd. Voor dit doel hebben ze een beoordelingsmatrix opgesteld die kan helpen bij het opstellen van een beoordelingskader. Activiteiten die docenten kunnen ondernemen zijn geordend naar de categorieën:

  • Adopt (bijvoorbeeld: Use OER in a class or classes)
  • Adapt (bijvoorbeeld: Revise others’ OER to be more relevant to student needs)
  • Create (bijvoorbeeld: Make new OER)
  • Improve learning (bijvoorbeeld: Improve student outcomes)
  • Community (bijvoorbeeld: Mentoring others in OER)
  • Research (bijvoorbeeld: Conference Presentations)

Voor iedere activiteit zijn suggesties gegeven voor evidence en tot welke van de categorieën Teaching, Research of Service het behoort. De matrix is bedoeld als een basisdocument waarop andere instellingen kunnen voortbouwen.

Deze week verscheen een concept beoordelingskader, gebaseerd op deze matrix, van het Iowa Open Education Action Team. Dit concept is in Appendix A van een Google Doc beschikbaar voor feedback, maar is onder CC-BY ook beschikbaar voor hergebruik. Het is een voorbeeld van een beoordelingskader in meer detail dan de matrix van DOERS3.

Hogescholen en universiteiten die meer werk willen maken van adoptie van open leermaterialen en vormen van open onderwijs en daarin ook medewerkers voor die activiteiten willen erkennen en waarderen hebben met deze beide artefacten een basis waarop ze hun eigen waarderings- en beoordelingskader kunnen formuleren.

De Universiteit Utrecht profileert zich al enige tijd als instelling die tot een nieuwe wijze van erkennen en waarderen wil komen, waarbij Open Science een sleutelrol vervult. Onlangs zag ik daar een mooi voorbeeld van hoe (student)onderzoek in een onderwijssetting kan leiden tot publicaties van artikelen op Wikipedia van 40 studenten Dynamische Oceanografie. Een mooi voorbeeld van zowel de verbinding tussen Open Science en Open Education als van Open Pedagogy.

Update

Na publicatie van deze blog attendeerde Sicco de Knecht me via Twitter op een white paper van de Universiteit Utrecht: (Re)shaping the academic self. Connection education with Open Science. In deze white paper wordt beargumenteerd waarom verbinden van Open Science en onderwijs belangrijk is voor de ontwikkeling van Open Science. Die verbinding resulteert in open onderwijs. Daarin worden vier perspectieven onderscheiden:

  1. Open Science mindset (onderwijs geven over de historie van en ideeën achter Open Science)
  2. Open Science skillset (aanbrengen van kennis en vaardigheden die voor toepassen van Open Science nodig zijn, zoals kennis van open licenties)
  3. Open Educational Resources (waar mogelijk gebruik maken van OER en zoveel mogelijk open delen van leermaterialen)
  4. Recognition & reward (waarderen en belonen van practices van Open Science)

Voor implementatie van deze ideeën worden voor Master en PhD-trajecten, Life Long Learning en het kerncurriculum mogelijke stappen geformuleerd. Deze white paper kan, naast de eerder genoemde buitenlandse bronnen, als inspiratiebron fungeren voor andere instellingen die stappen willen zetten op deze weg.

 

Visioning and policy development for OER

This blog post is a co-production of Ben Janssen (OpenEd Consult) and me. Nederlandse versie

In the previous four blogs, we have discussed the value of OER from various perspectives. First, we referred to the 2019 UNESCO Recommendation (UNESCO, 2019) which indicates that Open Educational Resources (OER) can make an important contribution to achieving the Social Development Goals (SDG), in particular Goal 4: “Ensure inclusive and equitable quality education and promote lifelong learning opportunities for all”. Universal access to quality education is, according to UNESCO, the key to building peace, sustainable social and economic development and intercultural dialogue.

OER can make a significant contribution to improving teaching and learning around the world by making high quality education universally accessible and ensuring that the learning content is state of the art. By encouraging educators and learners around the world to share, reuse and collaborate on learning resources, OER can also contribute to international knowledge exchange, social cohesion and a peaceful, sustainable world for all. In addition, the value of OER is closely linked to public values: those values that we as a society, as institutions, and as individuals consider so important that we make choices and take actions based on them.

In this fifth and final blog in our series, we deal with the development of an institutional vision and policy for OER. A vision for OER can be part of a broader vision on digital learning resources or on education as a whole, but it can also be formulated as a vision on its own. An example of a broader perspective on digital learning resources at national and institutional level was published last year by the Dutch Acceleration Plan. This vision can be a starting point for vision development for an institution or a cross-institutional partnership (for example a subject-related Community of Practice). Ideally, such a vision should fit with a vision on teaching or learning. The vision for digital learning resources then describes the conditions that digital learning resources and the processes involving them must meet.

Guidelines

For policy-making, we refer to a publication Guidelines on the development of open educational resources policies by UNESCO and the Commonwealth of Learning (COL) in which Ben Janssen was one of the authors (Miao et al, 2019). The publication provides detailed guidelines for developing systematic and effective policy regarding OER. Such a policy is important in order to coordinate, strengthen, and guide initiatives within a country or institution. It aims to get actors and institutions at various levels to work together to achieve common goals regarding OER.

The guidelines describe the various steps for developing, implementing, monitoring, evaluating and analysing a context-relevant OER policy. It provides a comprehensive framework for governments and institutions to determine their vision and the scope of their policy, and to develop and implement an appropriate implementable policy plan. The purpose of the guidelines is to help people go through the various steps involved in drawing up an OER policy, involving the various stakeholders in drawing up an implementation plan, and determining the appropriate implementation, monitoring, evaluation and possible adjustment of the policy. Figure 1 shows the steps.

Figure 1. Steps for vision and policy formulation for OER

The guidelines describe the whole process of designing and implementing an OER policy in seven chapters, each representing a distinct phase in the whole process. Each chapter introduces the purpose of the phase, provides background information, and refers to practical examples to illustrate it. At the end of each chapter, specific tasks are formulated for the policy designer that will help formulate the final OER policy.

When designing policy, determining the scale and scope plays a role. At institutional level, policy can be formulated for the entire institution, for part of it (usually a department), or for a subject-related Community of Practice (scale). The scope of a policy at institutional level can focus on themes with which OER overlap. These can be the topics mentioned in our previous blog on added value (for example internationalisation and flexibility) and topics such as professionalisation of staff and educators in dealing with OER, lifelong learning, and contributing to the preservation of public values.

Regardless of the scale and scope of an OER policy, the UNESCO-COL publication distinguishes six building blocks that can be specified for the specific policy context. We have added a seventh building block (safeguarding public values). The seven building blocks are related to the values and obstacles that we described in the previous blog post (see next table).

Main building blocksMain goals
Adoption of an open licensing frameworkEnabling and facilitating the use of open licenses for learning resources
Ensure the development, storage and accessibility of OERMake OER easily findable, accessible and adaptable via digital storage and editing platforms
Safeguard the public values of educationWhen making policy choices, include the potential contributions of OER to safeguarding public values in education
Alignment of quality assurance proceduresEnsure appropriate quality assurance procedures, which stimulate continuous improvement of learning resources
Support capacity building and awareness raisingEnabling users to make full use of the qualities of OER for teaching and learning

Ensure that all stakeholders are aware of the qualities of OER and how they can be used
Encourage sustainable business models and launch financing strategiesEnsuring that the cycle of production and reuse of OER is sustainable over time for the actors involved in its production and reuse
Monitoring and research of the effectiveness of the use of OER and their learning outcomesEnsuring that the progress of the policy is continuously monitored

Ensure that sufficient research is conducted into the effects of using OER and that this research can be taken into account when formulating OER policy

The Guidelines referred to above provide a step-by-step approach to formulating an OER policy. Examples of OER policy are available in the OER World Map. These examples can serve as inspiration.

Further considerations

Finally, we would like to add a few additional considerations. The following considerations are important if a balanced approach to OER is to be created at the institutional level:

  • Formulate the added value of OER for the institution not only from the perspective of quality improvement but also taking other perspectives into account (for example the potential contribution to achieving strategic objectives such as flexibility and the public values angle that we described in the previous blog post).
  • Quality assurance of learning resources focuses on learning resources that are published openly by the institution (for example as a MOOC or in an institutional repository of open courseware).
  • Encourage bottom-up initiatives by clarifying the space that educators have for adopting OER and by ensuring that extra time and support are available. This can be done, for example, by encouraging the reuse and local sharing of learning resources (as a stepping stone to open sharing).
  • Encourage the creation of professional communities that will be responsible for sharing and maintaining shared learning resources. These subject communities are potentially of great value in making OER initiatives more sustainable (see for example (MacKinnon et al, 2016)).

In this series of blogs, we have attempted to give policymakers a handle on formulating an institution’s vision and policy on OER, with the aim of striking a balance between principled arguments (guaranteeing the moral values to which OER can contribute) and pragmatic arguments.  We would like to know whether we have succeeded in this. Feedback is therefore welcome in the comments below this blog or by e-mailing Ben Janssen (benjanssen@xs4all.nl) or me (robert@robertschuwer.nl).

References

MacKinnon, T., Pasfield-Neofitou, S., Manns, H., & Grant, S. (2016). A meta-analysis of open educational communities of practice and sustainability in higher educational policy. Alsic, 19(1). Source

Miao, F., Mishra, S., Orr, D., & Janssen, B. (2019). Guidelines on the development of open educational resources policies. UNESCO Publishing. Source

UNESCO (2019). Recommendation on Open Educational Resources (OER). Source


This blog is the final contribution in a series entitled A principled, pragmatic view of institutional OER policy. Previous contributions:

Visie- en beleidsvorming voor open leermaterialen

Deze blog is een coproductie van Ben Janssen (OpenEd Consult) en mij. Version in English.

In de voorgaande vier blogs zijn we vanuit verschillende invalshoeken ingegaan op de waarde van open leermaterialen. Allereerst hebben we verwezen naar de UNESCO Recommendation uit 2019 (UNESCO, 2019) waarin wordt aangegeven dat Open Educational Resources (OER) een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan het bereiken van de Social Development Goals (SDG), in het bijzonder doel 4: “Zorg voor inclusief en rechtvaardig kwaliteitsonderwijs en bevorder de mogelijkheden voor een leven lang leren voor iedereen.” Universele toegang tot onderwijs van hoge kwaliteit is volgens UNESCO de sleutel tot de opbouw van vrede, duurzame sociale en economische ontwikkeling en interculturele dialoog.

OER kunnen een aanzienlijke bijdrage leveren aan het verbeteren van onderwijs en leren in de hele wereld, door onderwijs van hoge kwaliteit universeel toegankelijk te maken en ervoor te zorgen dat de leerinhoud state of the art is. Door leraren en lerenden over de hele wereld aan te moedigen om leermaterialen te delen, te hergebruiken en samen te werken, kunnen OER ook bijdragen aan internationale kennisuitwisseling, sociale cohesie en een vreedzame, duurzame wereld voor iedereen. Daarnaast is de waarde van OER nauw verbonden met publieke waarden: die waarden die wij als samenleving, als instellingen en als personen zo belangrijk achten, dat we van daaruit keuzes maken en acties ondernemen.

In deze vijfde en laatste blog uit onze serie gaan we in op visie- en beleidsvorming voor OER. Een visie op open leermaterialen kan deel uitmaken van een bredere visie op (digitale) leermaterialen of op onderwijs in zijn geheel, maar kan ook als afzonderlijke visie worden geformuleerd. Een voorbeeld van een bredere visie op digitale leermaterialen op nationaal en instellingsniveau is vorig jaar gepubliceerd door het Versnellingsplan. Deze visie kan een startpunt zijn voor een instelling of een instellingsoverstijgend samenwerkingsverband (zoals een vakcommunity) bij het formuleren van een eigen visie. Idealiter sluit zo’n visie aan op een visie op onderwijs of leren. De visie op digitale leermaterialen beschrijft dan de condities waaraan digitale leermaterialen en de processen eromheen moeten voldoen.

Richtlijnen

Voor beleidsvorming sluiten we aan op een publicatie Guidelines on the development of open educational resources policies van UNESCO en de Commonwealth of Learning (COL) waar Ben Janssen een van de auteurs is geweest (Miao et al, 2019).  In de publicatie worden gedetailleerde richtlijnen voor het ontwikkelen van systematisch en effectief beleid rond OER geformuleerd. Dergelijk beleid is belangrijk om initiatieven in een land of in een instelling te coördineren, te versterken en aan te sturen. Het beoogt actoren en instellingen op verschillende niveaus te laten samenwerken om gemeenschappelijke doelen rond OER te bereiken.

In de richtlijnen worden de verschillende stappen beschreven voor het ontwikkelen, implementeren, monitoren, evalueren en analyseren van een contextrelevant OER-beleid. Het biedt een uitgebreid kader voor overheden en instellingen om hun visie en de reikwijdte van hun beleid te bepalen, en om een daarbij passend uitvoerbaar beleidsplan te ontwikkelen en te implementeren. Doel van de richtlijnen is om mensen te helpen de verschillende stappen te doorlopen die nodig zijn het uittekenen van een OER-beleid, de verschillende belanghebbenden te betrekken bij het opstellen van een implementatieplan en het bepalen van een adequate uitvoering, monitoring, evaluatie en  eventuele bijsturing van het beleid. In figuur 1 zijn de stappen weergegeven.

Figuur 1. Stappen voor visie- en beleidsformulering voor OER

De richtlijnen beschrijven het hele proces voor het ontwerpen en implementeren van een OER-beleid in zeven hoofdstukken, die elk een duidelijke fase in het hele proces vertegenwoordigen. Elk hoofdstuk introduceert het doel van de fase, geeft achtergrondinformatie en verwijst naar praktijkvoorbeelden ter illustratie. Aan het eind van elk hoofdstuk worden specifieke taken geformuleerd voor de beleidsontwerper, die helpen bij het formuleren van het uiteindelijke OER-beleid.

Bij het ontwerpen van beleid speelt vaststellen van de schaal en de scope een rol. Op instellingsniveau kan beleid worden geformuleerd voor de gehele instelling, voor een onderdeel (veelal een opleiding of faculteit) of voor een vakcommunity (de schaal). De scope van een beleid op instellingsniveau kan zich richten op thema’s waar OER raakpunten mee heeft. Dat kunnen de onderwerpen zijn die in onze vorige blog bij de toegevoegde waarde zijn genoemd (zoals internationalisering en flexibilisering) en onderwerpen als professionalisering van staf en docenten over omgaan met OER, levenlang leren en bijdragen aan behoud van publieke waarden.

Ongeacht schaal en scope van een OER-beleid worden in de UNESCO-COL publicatie zes bouwstenen onderscheiden die voor de specifieke beleidscontext kunnen worden gespecificeerd. Wij hebben daar een zevende bouwsteen (borgen van publieke waarden) aan toegevoegd. De zeven bouwstenen houden verband met de waarden en belemmeringen die we in de vorige blogpost hebben beschreven (zie tabel 1).

Belangrijkste bouwstenenBelangrijkste doelstellingen
Goedkeuring van een open-licentiekaderHet gebruik van open licenties voor leermateriaal mogelijk maken en vereenvoudigen
Zorgen voor ontwikkeling, opslag en toegankelijkheid van OEROER gemakkelijk vindbaar, toegankelijk en aanpasbaar maken via digitale opslag- en bewerkingsplatforms
Borgen van de publieke waarden van onderwijsBij maken van beleidkeuzes de potentiële bijdragen van OER aan borgen van publieke waarden in het onderwijs meenemen
Op elkaar afstemmen van kwaliteitsborgingsproceduresZorgen voor passende kwaliteitsborgingsprocedures, die een voortdurende verbetering van de leermaterialen stimuleren
Ondersteuning van capaciteitsopbouw en bewustmakingGebruikers in staat stellen de kwaliteiten van OER ten volle te benutten voor onderwijs en leren

Ervoor zorgen dat alle belanghebbenden op de hoogte zijn van de kwaliteiten van OER en van de manier waarop ze kunnen worden gebruikt
Stimuleren van duurzame bedrijfsmodellen en lanceren van financieringsstrategieënErvoor zorgen dat de cyclus van productie en hergebruik van OER duurzaam is in de tijd voor de actoren die betrokken zijn bij de productie en het hergebruik ervan
Monitoring van en onderzoek naar de effectiviteit van het gebruik van OER en de leerresultaten daarvanErvoor zorgen dat de voortgang van het beleid voortdurend wordt gecontroleerd

Ervoor zorgen dat er voldoende onderzoek wordt gedaan naar de effecten van het gebruik van OER en dat dit onderzoek kan worden meegenomen bij het uitstippelen van het OER-beleid

De eerdergenoemde Guidelines bieden een stap-voor-stap aanpak voor formuleren van een OER beleid. Voorbeelden van OER beleid zijn beschikbaar in de OER World Map. Deze voorbeelden kunnen dienen als inspiratie.

Aandachtspunten

Tenslotte willen we nog enkele aanvullende aandachtspunten meegeven. Om een afgewogen visie en beleid op open leermaterialen te maken op instellingsniveau zijn de volgende overwegingen van belang:

  • Formuleer de toegevoegde waarde van open leermaterialen voor de instelling niet alleen vanuit het gezichtspunt van kwaliteitsverbetering, maar neem daarin ook andere perspectieven mee (zoals de potentiële bijdrage aan realiseren van strategische doelen zoals flexibilisering en de publieke waarden invalshoek die we in de vorige blogpost hebben beschreven).
  • Richt de borging van kwaliteit van leermaterialen op die leermaterialen die door de instelling open worden gepubliceerd (bijvoorbeeld als MOOC of in een instellingsrepository van open courseware).
  • Stimuleer initiatieven van onderaf door duidelijkheid te geven over de speelruimte die docenten hebben bij adoptie van open leermaterialen en door te borgen dat extra tijd en ondersteuning beschikbaar is. Stimulering kan bijvoorbeeld gebeuren door hergebruik en lokaal delen van leermaterialen te stimuleren (als stepping stone naar open delen).
  • Stimuleer de vorming van vakcommunity’s die verantwoordelijk worden voor delen en onderhoud van gedeelde leermaterialen. Deze vakcommunity’s hebben potentieel grote waarde in de verduurzaming van OER initiatieven (zie bv (MacKinnon et al, 2016)).

Met deze blogserie hebben we gepoogd beleidsmakers handvatten te geven voor het formuleren van een instellingsvisie en beleid voor OER, waarbij in die formulering gestreefd wordt naar een balans tussen principiële argumenten (borgen van de morele waarden waaraan OER een bijdrage kan leveren) en pragmatische argumenten.  We horen graag of we hierin geslaagd zijn. Feedback is daarom welkom in de comments onder deze blog of via e-mail aan Ben Janssen (benjanssen@xs4all.nl) of mij (robert@robertschuwer.nl).

Referenties

MacKinnon, T., Pasfield-Neofitou, S., Manns, H., & Grant, S. (2016). A meta-analysis of open educational communities of practice and sustainability in higher educational policy. Alsic, 19(1). Bron

Miao, F., Mishra, S., Orr, D., & Janssen, B. (2019). Guidelines on the development of open educational resources policies. UNESCO Publishing. Bron

UNESCO (2019). Recommendation on Open Educational Resources (OER). Bron


Deze blog is de laatste bijdrage in een serie Een principieel-pragmatische visie op institutioneel OER-beleid. Eerdere bijdragen:

The value of and issues surrounding Open Educational Resources

This blog post is a co-production of Ben Janssen (OpenEd Consult) and me. Nederlandse versie

Vision and policy are intended to promote the use of OER within higher education institutions and to ensure that such use becomes a standing practice. This means that the vision development process must clearly indicate the significance of OER for the institution, the instructors and students, while at the same time removing and answering – or at least reducing – the obstacles and questions that exist or are experienced regarding the adoption of OER.

In this fourth blog in our series, we will discuss the significance of OER. We will discuss the “value” of OER for higher education institutions, in the double sense of the word: as a public value that we consider so high that we believe we should organize it collectively, and as a value in a more economic sense. We will then discuss the issues surrounding OER.

Value of OER

Open Educational Resources are not an end in themselves, but can be seen as a means to other ends. Many publications address the (potential) value directly associated with the characteristics of OER: free (no-cost) access and rights to use, adapt and distribute the materials under certain conditions. This value can be formulated independently of a context. We refer to it as the generic value of OER. Derived from this, OER can also contribute to issues facing higher education. We will then refer to the derived value of OER. We will discuss these two types of value.

Generic value

The generic value of OER can be described from various perspectives. In the discussion and literature, we encounter the following perspectives.

Quality. A frequently used argument in advocacy for large-scale adoption of OER is the quality argument: adoption of OER increases the quality of education. Amongst others, the strategic agenda of the Dutch Ministry of Education, Culture and Science uses this argument to underpin the policy objectives regarding OER (Ministry of Education, Culture and Science, 2019). The justification is  instructors and students will have more and, in terms of type, more varied learning materials at their disposal with OER. This makes it possible to better meet the needs of instructors and students. OER also make rich didactic forms possible that would be difficult or impossible to achieve without OER. Such didactic formats are also referred to as open pedagogy (Jacobi et al, 2019). Studies that support this quality perspective can be found on the website of the Open Education Group. Open sharing of learning resources also leads in many cases to a broader peer review process than the local quality assessment from the process models in the previous blog. This potentially leads to a higher quality of learning resources. See for example (Parker, 2012).

Efficiency. Sharing and reuse of learning resources will ultimately lead to cost savings in the development of learning resources, both institutionally and socially. (Semi-)open publication of learning resources provides a better internal picture (for example, between departments) of what learning resources are already available. The idea is that reusing learning resources will prevent the same learning materials being created in different places. That saves hours of development. Studies of reuse show that especially “expensive” learning materials (such as video) are reused, but that it is also often the idea behind shared learning materials that is reused rather than the learning materials themselves (see, for example, (Baas & Schuwer, 2020a)). This can indirectly contribute to raising the quality of education.

Socially, sharing and reuse of OER contribute to containing the public costs of education, a more even social distribution of high-quality learning resources, and to more equitable access to learning opportunities (Orr, Rimini & Van Damme, 2015; UNESCO, 2019).

OER thus help lower the financial barrier to access for students and thus contribute to greater inclusiveness. And that in turn contributes to realizing UNESCO’s Sustainable Development Goal 4 “Ensure inclusive and equitable quality education and promote lifelong learning opportunities for all”.

Marketing and profiling. OER can function as an instrument with which an institution can reach new target groups and also propagate its social function.  Massive Open Online Courses (MOOCs) in particular are used for this purpose. For Delft University of Technology, for example, this has led to a greater international reputation (TU Delft, 2020). For instructors, open sharing of their educational resources can also be a means of distinguishing themselves, comparable to what even seems to be the most important value for a researcher when publishing a journal paper. In addition to reaching new target groups, OER can also contribute to binding alumni to the institution in lifelong learning programmes.

(Study)benefits. Prospective students can benefit greatly from OER because they can use them to gain a detailed and realistic picture of the content and quality of education at a university and thus be better able to make the right study choice. This could reduce dropout rates in the first year. Studies (for example by the Open Education Group mentioned earlier) indicate that study benefits using OER are at least the same if not better than those using commercial materials.

Research and innovation. Publishing OER provide the opportunity to experiment with digital learning materials outside the (accredited) curriculum. Publishing a MOOC also has the potential to collect data for research, often via surveys of MOOC participants (Valkenburg, 2016). In addition, reusing OER from elsewhere can stimulate innovation within the institution. Consider, for example, the reuse of VR and AR content. Sharing and reusing educational resources in professional communities lowers the threshold for looking into each other’s institutions and learning from each other (Baas & Schuwer, 2020b).

Derived value

OER can contribute to answers and solutions for other issues for and within higher education institutions. We outline some of those issues.

Contributing to flexibilisation. In the recent strategic agenda of the Dutch Ministry of Education, Culture and Science (2019), (more) flexible higher education is one of the ambitions. More flexibility and customization in higher education meets an increasingly diverse student population. Publishing open online courses is a way of realizing low-threshold time- and place-independent offer for working people.

A possible implementation of flexible routes a student could take is described in four scenarios in a publication of the Flexible Education Zone of the Dutch Acceleration Plan. Scheers & Pinchetti (2020) analyze the impact of these scenarios on educational logistics. In all routes, to a greater or lesser extent, a freedom in time and often also in place is given. Availability of a greater variety of content through OER provides more opportunities to set up such routes. The My Diploma scenario, in which the idea of a predetermined educational programme is abandoned and the student assembles his/her own programme, can, in our view, hardly be achieved without OER. This could involve prior orientation to subjects or having to use educational resources for themes that do not occur in a regular programme.

Cooperation regionally and internationally. Other ambitions in the strategic agenda of the Dutch Ministry of Education are to promote regional anchoring and international cooperation and a better connection to the labour market and society. The collaboration ambition addresses, among other things, the issue of increasing work pressure among instructors and researchers. The generic value of the efficiency of OER can contribute to the realization of that ambition. Working within cross-institutional subject communities to develop OER is an excellent way of achieving this in a sustainable manner. In addition, open pedagogy, which we have listed under the generic value of the quality of OER, provides relatively simple opportunities for linking up the classroom with external parties (i.e. the professional field and educational institutions). Finally, publishing research results or learning materials about trends in society via open online courses provides opportunities for making this knowledge more accessible to a wider audience than just peers. This contributes to a better connection to the labour market and society.

Financial issue. The feature that OER are freely accessible to a learner can contribute to a reduced spending on learning materials by students. This financial perspective is the main driver of OER advocacy and adoption in the United States. Anecdotally, we have already heard noises about increasingly large groups of students in the Netherlands for whom the financial burden of studying is too high, leading to delay or dropout. Data we received from The Hague University of Applied Sciences and Saxion University of Applied Sciences show us that this was already the case before the current COVID19 crisis. The data concerned internally conducted surveys among students on use of digital learning materials. Most students still purchase the compulsory literature, but find it expensive.

However, to find out more precisely the extent to which students’ financial situation affects their purchasing behaviour for learning materials, more research is needed. Research in the US has shown that savings for students can be significant. A 2018 study in North Dakota shows that over a 3-year period, an initial investment of $110K led to savings for students of over $1M (Gallion, 2018). Several studies on the website of the Open Education Group also provide similar results.

Recent research by ResearchNed, commissioned by the Interstedelijk Studenten Overleg (Brink, van den Broek & Ramakers, 2021) (with a response of over 11,000 students), reveals that the current COVID19 crisis is causing financial concerns for 40% of students in the Netherlands. Although not further elaborated in this study, this could lead to a reinforcement of the behaviour of students to purchase learning materials late or not at all (a finding from research by ResearchNed (Janssen & Van Casteren, 2021)).

OER and public values

OER and, more generally, openness in education are closely linked to values that we as a society value so highly that we organise them at the level of society: public values (Pijpers et al, 2020; Dijck, Poell, & De Waal, 2018). To these we count the accessibility, quality and efficiency of education, but also the formative value of education (Bildung). Values also play an important role at the institutional and personal level. Think of philosophical and, in the context of this blog series, value of Bildung.

A common argument for adopting OER is that what has been paid for with public money must also be made publicly available. This idea is one of the drivers behind the movement to make research results freely available (Open Access), but it can also be applied in full to learning materials created by instructors.

However, there are more values at stake. Rob Farrow (2016) has presented a framework for thinking about the ethics of open education. Ethics is seen here as a structured reflection on the (possible) impact of certain choices or actions on values: do certain choices or actions promote the advocated values of education, or do they actually threaten them?  In an e-mail communication with us, Farrow provided an extension of that framework. According to Farrow, we can distinguish the following perspectives:

  • Consequentialist ethics. These are arguments by which one judges whether something is right or wrong based on the outcome or consequences of an action. For OER, the argument that policies that lead to increased use of OER are good policies is an example of this type.
  • Deontological ethics. These are arguments in which the moral rightness of adoption and use of OER is determined by a set of rules, rather than on the consequences of the action. The issue is whether the choice or action itself is right; the consequences of the choice or action are not considered. An example is to publish outcomes of a government-funded project under an open license because this was set as a condition.
  • Ethics of care. Here, the rightness of a choice or action is determined by the care and responsibility of individuals for others. People are always and everywhere dependent on each other, and are interconnected. It is not only rules and principles that determine the correctness of a choice or action, but also the social network and the attention to each other. An example of this approach is the so-called CARE framework. The purpose of that framework is “to articulate a set of shared values and a collective vision for the future of education and learning enabled by the widespread adoption and use of OER”. The framework describes rules of conduct to be followed to make adoption of OER as widespread as possible (such as the premise that OER can be published and used outside the course and platform in which it was created or initially published).
  • Decolonization ethics. This is understood as the dismantling of power relations and conceptions of knowledge that promote the reproduction of racial, gender and geopolitical hierarchies that have emerged in the modern/colonial world or have taken on new and more powerful forms of expression (Adam, 2020). From this ethic, creators of learning materials are encouraged to create open materials not only from rules or concern for the other, but to include in them less heard perspectives (e.g. from minorities). The fundamental adaptability of OER makes this possible.
  • Social justice. Sarah Lambert (2018) provides the following description for it: “A process and also a goal to achieve a fairer society which involves actions guided by the principles of redistributive justice, recognitive justice or representational justice. Redistributive justice is the most long-standing principle of social justice and involves allocation of material or human resources towards those who by circumstance have less (Rawls, 1971). Recognitive justice involves recognition and respect for cultural and gender difference, and representational justice involves equitable representation and political voice (Fraser, 1995)”. In (Hodgkinson-Williams and Trotter, 2018) the values of OER are formulated from this view. In addition to the economic dimension, which is extremely important for the Global South (OER reduce the cost of learning materials and therefore increase accessibility), they point to the cultural dimension (whereby, in particular, the adaptability of OER makes it possible, in the event of reuse, to adapt the learning materials to the cultural context of reuse) and the political dimension (OER ensure effective access and, supported by open educational practices, support less privileged participants).

In this section, we have indicated that the “value” of OER is closely associated to values that we as a society, as institutions, and as individuals consider so important that we make choices and take action on that basis. This list also reveals a trend whereby the openness of educational resources is partly determined by their content, whereby subjects are approached from a variety of perspectives, with attention paid to perspectives that are rarely heard or taken into account. The attached tweet about the recently held OERxDomains21 conference illustrates this trend.

When making policy decisions about OER adoption, it is wise to make the aforementioned values and ethical perspectives explicit and to take them into account in the formulation of vision and policy, in addition to the arguments of affordability, efficiency, quality, and accessibility. What values are promoted and/or threatened by adoption? An ethical reflection on that question helps to guide the policy for adopting OER.

Perhaps that reflection will lead to adjustments, which in turn will prompt reflection. In the publication “Weighing Values. An ethical perspective on digitisation in education” (in Dutch) (Pijpers et al, 2020) presented a “steering model for valuable digitalisation” that can be very useful for helping to guide and steer the process of adopting OER and on the basis of values and ethics.

Issues surrounding OER

Much research has been done into factors that prevent large-scale adoption of OER. A good overview of these factors is provided in various UNESCO documents that ultimately led to the OER Recommendation in 2019 (see for example (COL, 2017)). Studies in the context of higher education in the Netherlands arrive at the same lists of factors (Baas, Admiraal & Van den Berg, 2019; Schuwer & Janssen, 2018; Schophuizen et al, 2017). Various conversations we had, for example in the context of the Acceleration Plan, with administrators, faculty, and support staff, confirm that the issues mentioned in the literature are mostly also experienced in the Netherlands and indicate that these issues are present both at the individual level of faculty and staff and at the level of a department for institution (administrators). An overview:

Lecturers:

  • Lack of time
  • Lack of clarity regarding the added value of OER (what’s in it for me)
  • No perceived recognition and appreciation for sharing OER
  • Insufficient skills regarding the findability of OER, copyright issues, and the possibilities for using them
  • Lack of clarity about quality of both retrieved OER and the learning resources to be shared
  • Insufficient perceived support in the areas of educational technology, ICT, and copyright.
  • No overall solution. Commercial learning resources are often accompanied by test banks, slides, and other supplementary material. OER often lack an overall solution of this kind.

Institutions:

  • No control over guaranteeing the quality of learning resources published under the institution’s banner
  • Uncertainty regarding the added value of OER within the context of the institution
  • Lack of clarity on how to encourage instructors to adopt OER within their teaching. Support and clarity appear to be necessary but not sufficient conditions. How do you address sentiments such as “not invented here”, “my content is king”, or “I created it in my own time so the institution does not own it”?
  • Lack of clarity on how adoption of OER can be made sustainable (not dependent on one-off project subsidies).

In addition to the observation that there appears to be very little sustainability within professional communities of practice (CoP) regarding OER, little is known about the issues within a CoP regarding the sharing and reuse of OER. A study (still in progress) of this subject at the cross-institutional professional community for the Dutch Bachelor of Nursing shows that the issues concerned are largely the same as those mentioned above for instructors.

In the next blog, we will elaborate on how to arrive at vision and policy at the institutional level, taking into account the value of and issues surrounding OER.

Acknowledgements

We would like to thank the following people for the information they sent us on request: Marjon Baas, Tecla ten Berge, Rob Farrow and Willem van Valkenburg.

References

Adam, T. (2020). Between Social Justice and Decolonisation: Exploring South African MOOC Designers’ Conceptualisations and Approaches to Addressing Injustices. Journal of Interactive Media in Education, 2020(1), p.7. DOI: http://doi.org/10.5334/jime.557

Baas, M., Admiraal, W., & Van den Berg, E. (2019). Teachers’ Adoption of Open Educational Resources in Higher Education. Journal of Interactive Media in Education, 2019(1): 9, pp. 1-11. DOI: 10.5334/jime.510

Baas, M., & Schuwer, R. (2020a). What About Reuse? A Study on the Use of Open Educational Resources in Dutch Higher Education. Open Praxis12(4), 527-540. https://dx.doi.org/10.5944/openpraxis.12.4.1139

Baas, M., & Schuwer, R. (2020b). Het bevorderen van de adoptie van open leermaterialen door docenten. Onderzoek in de vakcommunity SAMEN hbo verpleegkunde. Fontys hogescholen, Eindhoven. Source (In Dutch)

Beaven, T. (2018). ‘Dark reuse’: An empirical study of teachers’ OER engagement. Open Praxis, 10(4), 377–391. https://doi.org/10.5944/openpraxis.10.4.889

Brink, M., van den Broek, A. & Ramakers, C. (2021). Ervaringen van studenten met onderwijs en toetsen op afstand tijdens corona. ResearchNed Nijmegen. Source (In Dutch)

COL (2017). Open Educational Resources: Global Report 2017. Burnaby: COL. Source

Dijck, J. Van, Poell, T. & De Waal, M (2018). The platform society. Struggle for public values in connective world. Oxford University Press. ISBN: 9780190889777

Farrow, R. (2016). A framework for the ethics of open education. Open Praxis, 8(2). https://doi.org/10.5944/openpraxis.8.2.291

Fraser, N. (1995). From Redistribution to Recognition? Dilemmas of Justice in a “Post-Socialist” Age. New Left Review, 1 (212). Source

Gallion, J. (2018). Performance Audit Report North Dakota University System Open Educational Resources. Office of the State Auditor, North Dakota. Source

Hodgkinson-Williams, C. A., & Trotter, H. (2018). A Social Justice Framework for Understanding Open Educational Resources and Practices in the Global South. Journal of Learning for Development, 5(3), 204-224.

Jacobi, R., Schuwer, R. & van der Woert, N. (2019). Thema-uitgave Open Pedagogy. Er is meer Open Pedagogy dan je denkt! SURF, Nederland. (In Dutch)

Janssen, B. & Van Casteren, W. (2021). Digitale leermaterialen in het onderwijs. Onderzoek in opdracht van het Koersteam Versnellingsplan Onderwijsinnovatie met ICT, Utrecht (to be published, In Dutch).

Lambert, S. R. (2018). Changing our (Dis)Course: A Distinctive Social Justice Aligned Definition of Open Education. Journal of Learning for Development, 5(3), 225-244. https://files.eric.ed.gov/fulltext/EJ1197463.pdf

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2019). Houdbaar voor de toekomst. Strategische agenda hoger onderwijs en onderzoek. Den Haag. Source (In Dutch)

Orr, D., M. Rimini and D. van Damme (2015), Open Educational Resources: A Catalyst for Innovation. OECD Publishing, Paris, Source.

Parker, P. (2012). Explaining the Paradox: Perceived Instructor Benefits and Costs of Contributing to Massachusetts Institute of Technology OpenCourseWare. Utah State University. Source

Pijpers, R., Bomas, E., Dondorp, L. & Ligthart, J. (2020). Waarden wegen. Een ethisch perspectief op digitalisering in het onderwijs. Kennisnet, Zoetermeer. Source (In Dutch)

Rawls, J. (1971). A theory of justice. Oxford: Oxford University Press.

Scheers, M. & Pinchetti, T. (2020). Impact van flexibele studentroutes op onderwijslogistiek. Versnellingsplan Onderwijsinnovatie met ICT, Utrecht. Source (In Dutch)

Schophuizen, M., Kreijns, K., Stoyanov, S., & Kalz, M. (2017). Eliciting the challenges and opportunities organizations face when delivering open online education: A group-concept mapping study. The Internet and Higher Education36, 1. https://doi.org/10.1016/j.iheduc.2017.08.002

Schuwer, R., & Janssen, B. (2018). Adoption of sharing and reuse of open resources by educators in higher education institutions in The Netherlands: A qualitative research of practices, motives, and conditions. The International Review of Research in Open and Distributed Learning, 19(3). https://doi.org/10.19173/irrodl.v19i3.3390

TU Delft (2020). Extension School Impact Report 2020. TU Delft Extension School. Source

UNESCO. (2019). Recommendation on Open Educational Resources. Source

Valkenburg, W. van (2016). The Impact of DelftX MOOCs. In: Jansen, D. & Konings, L. (eds). European Policy response on MOOC opportunities. EADTU. ISBN 978-90-79730-20-9. Source

 


This blog is contribution 4 in a series entitled A principled, pragmatic view of institutional OER policy. Previous contributions:

To be published:

  • The need for a vision and policy regarding OER at both institutional and community of practice level

De waarde van en vraagstukken rond open leermaterialen

Deze blog is een coproductie van Ben Janssen (OpenEd Consult) en mij. Version in English.

Visie en beleid zijn bedoeld het gebruik van open leermaterialen in instellingen voor hoger onderwijs te stimuleren en ervoor te zorgen dat dit gebruik een staande praktijk wordt. Dit betekent dat in de visieontwikkeling de betekenis van open leermaterialen voor de instelling, de docenten en studenten helder wordt aangegeven, en dat tegelijkertijd de hindernissen en vragen, die er zijn of worden ervaren rond de adoptie van open leermaterialen, worden weggenomen en beantwoord dan wel op zijn minst verkleind.

In deze vierde blog uit onze serie gaan we in op de betekenis van open leermaterialen. We spreken in dit verband over de ‘waarde’ die open leermaterialen kunnen betekenen voor instellingen voor hoger onderwijs, in de dubbele betekenis van het woord: als publieke waarde die we zo hoog achten dat we van mening zijn dat we die gezamenlijk moeten organiseren, en als waarde in meer economische zin. Vervolgens bespreken we vraagstukken die rond open leermaterialen spelen.

Waarde van open leermaterialen

Open leermaterialen zijn geen doel op zich, maar kunnen worden beschouwd als een middel om andere doelen te bereiken. Veel publicaties adresseren de (potentiële) waarde die direct samenhangt met de karakteristieken van open leermaterialen: vrije (kostenloze) toegang en rechten om onder voorwaarden de materialen te mogen gebruiken, aanpassen en verspreiden. Deze waarde kan los van een context worden geformuleerd. We noemen dit de generieke waarde van open leermaterialen. Daarvan afgeleid kunnen open leermaterialen ook bijdragen aan vraagstukken die op het bordje van het hoger onderwijs liggen. Wij spreken dan over de afgeleide waarde van open leermaterialen. We gaan op deze twee soorten waarden in.

Generieke waarde

De generieke waarde van open leermaterialen kan vanuit verschillende invalshoeken worden beschreven. In de discussie en literatuur komen we de volgende invalshoeken tegen.

Kwaliteit. Een veel gebruikt argument in de pleidooien voor grootschalige adoptie van open leermaterialen is het kwaliteitsargument: adoptie van open leermaterialen verhoogt de kwaliteit van het onderwijs. Onder andere in de strategische agenda van OCW wordt dit argument gebruikt om de beleidsdoelstellingen rond open leermaterialen te onderbouwen (Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, 2019). De onderbouwing daarvan is dat docenten en studenten met open leermaterialen meer en, qua type, gevarieerder leermateriaal tot hun beschikking krijgen. Hierdoor kan beter worden aangesloten op de behoeften van docenten en studenten. Ook maken open leermaterialen rijke didactische werkvormen mogelijk die zonder open leermaterialen niet of lastig te realiseren zijn. Dergelijke didactische werkvormen worden ook wel aangeduid met de term open pedagogy (Jacobi et al, 2019). Onderzoeken die deze kwaliteitsinvalshoek onderbouwen zijn te vinden op de website van de Open Education Group. Open delen van leermaterialen leidt in veel gevallen ook tot een breder peer review proces dan de lokale kwaliteitsbeoordeling uit de procesmodellen van de vorige blog. Dat leidt potentieel tot een hogere kwaliteit van leermaterialen. Zie bijvoorbeeld (Parker, 2012).

Efficiency. Delen en hergebruik van leermateriaal leiden – op termijn – tot kostenbesparingen op ontwikkeling van leermateriaal, institutioneel maar ook maatschappelijk. (Semi-)open publiceren van leermateriaal geeft intern (bijvoorbeeld tussen faculteiten) een beter beeld van wat er al aanwezig is aan leermateriaal. De gedachte erachter is dat hergebruik van leermaterialen voorkomt dat op verschillende plekken hetzelfde leermateriaal wordt gemaakt. Dat bespaart het aantal uren aan ontwikkeling. Onderzoeken naar hergebruik wijzen uit dat vooral “dure” leermaterialen (zoals video) worden hergebruikt, maar dat het ook vaak het idee achter gedeeld leermateriaal is dat wordt hergebruikt en niet het leermateriaal zelf (zie bv (Baas & Schuwer, 2020a)). Dat kan indirect bijdragen aan verhoging van de kwaliteit van onderwijs.

Maatschappelijk dragen delen en hergebruik van open leermaterialen bij tot het in de hand houden van de overheidskosten van onderwijs, een gelijkmatigere maatschappelijke verdeling van kwalitatief hoogstaande leermaterialen, en een rechtvaardigere toegang tot leermogelijkheden (Orr, Rimini & Van Damme, 2015), (UNESCO, 2019).

Open leermaterialen verlagen dus mede de financiële drempel voor toegang voor studenten en dragen daarmee bij aan meer inclusiviteit. En dat draagt weer bij aan realisatie van Sustainable Development Goal 4 van UNESCO “Ensure inclusive and equitable quality education and promote lifelong learning opportunities for all”. 

Marketing en profilering. Open leermaterialen kunnen dienen als instrument waarmee een  instelling nieuwe doelgroepen bereikt en ook haar maatschappelijke functie uitdraagt.  Met name Massive Open Online Courses (MOOC) worden daarvoor ingezet. Dit heeft bijvoorbeeld voor de TU Delft tot een grotere internationale reputatie geleid (TU Delft, 2020). Voor docenten kan open delen van hun leermaterialen ook een middel zijn om zich te onderscheiden, vergelijkbaar met wat bij publiceren van een journal paper zelfs de belangrijkste waarde lijkt te zijn voor een onderzoeker. Naast bereiken van nieuwe doelgroepen kunnen open leermaterialen ook bijdragen aan binden van alumni aan de instelling, in programma’s voor levenlang leren.

(Studie)opbrengsten. Aankomende studenten kunnen veel baat hebben bij open leermaterialen, omdat zij daarmee een gedetailleerd en realistisch beeld kunnen krijgen van de inhoud en de kwaliteit van het onderwijs aan een universiteit of hogeschool en zo beter in staat zijn een juiste studiekeuze te maken. Daarmee zou uitval in het eerste jaar kunnen worden verlaagd. Studies (bijvoorbeeld van de al eerder genoemde Open Education Group) indiceren dat studieopbrengsten bij gebruik van open leermaterialen tenminste gelijk, zo niet beter zijn dan met gebruik van commerciële materialen.

Research en innovatie. Publiceren van open leermateriaal geeft de mogelijkheid te experimenteren met digitaal leermateriaal buiten het (geaccrediteerde) curriculum. Publiceren van een MOOC heeft ook de potentie dataverzameling te realiseren voor onderzoek, veelal via surveys onder de deelnemers aan de MOOC (Valkenburg, 2016). Daarnaast kan hergebruiken van open leermateriaal van elders innovatie binnen de instelling stimuleren. Denk bijvoorbeeld aan hergebruik van VR- en AR-content. Delen en hergebruiken van leermaterialen in vakcommunity’s verlagen de drempel om in elkaars keuken te kijken en van elkaar te leren (Baas & Schuwer, 2020b).

Afgeleide waarde

Open leermaterialen kunnen bijdragen aan antwoorden op en oplossingen voor andere vraagstukken die voor en binnen instellingen voor hoger onderwijs spelen. We schetsen een aantal van die vraagstukken.

Bijdragen aan flexibilisering. In de recente strategische agenda van het Ministerie van OCW (2019) is flexibel(er) hoger onderwijs één van de ambities. Meer flexibiliteit en maatwerk in het hoger onderwijs komt tegemoet aan een steeds meer diverse studentenpopulatie. Publiceren van open online cursussen is een vorm van realisatie van laagdrempelig tijd- en plaatsonafhankelijk aanbod voor werkenden.

Een uitwerking naar flexibele routes die een student zou kunnen doorlopen is in vier scenario’s beschreven in een publicatie van de zone Flexibilisering binnen het Versnellingsplan. Scheers & Pinchetti (2020) analyseren de impact van deze scenario’s op onderwijslogistiek. In alle routes wordt in meer of mindere mate een vrijheid in tijd en veelal ook in plaats gegeven. Beschikbaarheid van een grotere variëteit aan content door middel van open leermaterialen biedt meer mogelijkheden om dergelijke routes op te zetten. Het scenario Mijn diploma, waarin het idee van een vooraf vastgesteld opleidingsprogramma wordt losgelaten en de student zijn of haar eigen programma samenstelt kan onzes inziens nauwelijks tot niet worden gerealiseerd zonder open leermaterialen. Denk daarbij aan oriëntatie vooraf op onderwerpen of het moeten gebruiken van leermaterialen voor thema’s die niet voorkomen in een regulier programma.

Samenwerking regionaal en internationaal. Andere ambities in de strategische agenda van OCW zijn het bevorderen van regionale verankering en internationale samenwerking en een betere aansluiting op de arbeidsmarkt en de samenleving. Met de samenwerkingsambitie wordt onder andere het vraagstuk van toenemende werkdruk bij docenten en onderzoekers geadresseerd. Wat we hebben benoemd onder de generieke waarde als efficiency van open leermaterialen kan bijdragen aan de realisatie van die ambitie. In instellingsoverstijgende vakcommunity’s werken aan de ontwikkeling van open leermaterialen is een uitstekende manier om dit duurzaam te realiseren. Daarnaast biedt open pedagogy die wij benoemd hebben onder de generieke waarde als kwaliteit van open leermaterialen relatief eenvoudige mogelijkheden om de classroom te verbinden met externe partijen (werkveld en onderwijsinstellingen). Tenslotte biedt publiceren van (onderzoeks)resultaten of leermateriaal over trends in de samenleving via open online cursussen mogelijkheden om deze kennis beter toegankelijk te maken voor een breder publiek dan alleen de vakgenoten. Dat draagt bij aan een betere aansluiting op arbeidsmarkt en samenleving.

Financieel vraagstuk. De eigenschap dat open leermateriaal vrij toegankelijk is voor een lerende kan bijdragen aan minder uitgaven aan leermateriaal door studenten. Deze financiële invalshoek is de belangrijkste driver voor adoptie van open leermateriaal in de Verenigde Staten. Anekdotisch hebben we al geluiden gehoord over steeds grotere groepen studenten voor wie de financiële last van studeren te hoog is, leidend tot vertraging of uitval. Gegevens die we kregen van de Haagse Hogeschool en Saxion Hogeschool leren ons dat dit al vóór de huidige crisis speelde. De gegevens betroffen intern uitgevoerde onderzoeken onder studenten naar gebruik van digitale leermaterialen. De meeste studenten schaffen de verplicht voorgeschreven literatuur wel aan, maar vinden dit prijzig.

Om meer precies te achterhalen in hoeverre de financiële situatie bij studenten invloed heeft op hun aanschafgedrag voor leermaterialen is echter meer onderzoek nodig. Onderzoek in de VS heeft aangetoond dat besparingen voor studenten aanzienlijk kunnen zijn. Een studie uit 2018 in North Dakota leert dat in een periode van 3 jaar een initiële investering van $110K leidde tot een besparing voor studenten van meer dan $1M (Gallion, 2018). Ook diverse studies op de website van de Open Education Group geven soortgelijke resultaten.

Recent onderzoek van ResearchNed, in opdracht van het Interstedelijk Studenten Overleg (Brink, van den Broek & Ramakers, 2021) (met een response van ruim 11.000 studenten) leert dat de huidige COVID19-crisis bij 40% van de studenten in Nederland zorgt voor financiële zorgen. Hoewel niet verder uitgewerkt in dit onderzoek zou dit kunnen leiden tot een versterking van het gedrag van studenten om laat of helemaal niet leermaterialen aan te schaffen (een bevinding uit onderzoek van ResearchNed, in opdracht van het Koersteam van het Versnellingspan (Janssen & Van Casteren, 2021)

Open leermaterialen en publieke waarden

Open leermaterialen en, meer algemeen, openheid in het onderwijs zijn nauw verbonden aan waarden, die wij als samenleving zo hoog achten dat we die op het niveau van de samenleving organiseren: publieke waarden (Pijpers, Bomas, Dondorp, Ligthart, 2020; Van Dijck, Poell, & De Waal, 2016). Daartoe rekenen we de toegankelijkheid, de kwaliteit en de doelmatigheid van onderwijs, maar ook de vormende waarde van onderwijs (Bildung). Ook op institutioneel en persoonlijk niveau spelen waarden een belangrijke rol. Denk aan levensbeschouwelijke en in de context van deze blogreeks, waarde van Bildung.

Een veelgehoord argument voor adoptie van open leermaterialen is dat wat met publiek geld is betaald ook publiek beschikbaar moet komen. Deze gedachte is één van de drivers achter de beweging om resultaten van onderzoek vrij toegankelijk te maken (Open Access), maar kan onverkort ook op door docenten gecreëerd leermateriaal worden toegepast.

Er zijn echter meer waarden in het geding. Rob Farrow (2016) heeft een raamwerk gepresenteerd om over ethiek van open education na te denken. Ethiek wordt hierbij gezien als een gestructureerde reflectie op (mogelijke) impact van bepaalde keuzes of handelingen op waarden: bevorderen bepaalde keuzes of handelingen de voorgestane waarden van onderwijs, of bedreigen ze deze juist?  In een mailcommunicatie met ons gaf hij een uitbreiding van dat raamwerk aan. Volgens Farrow kunnen we de volgende invalshoeken onderscheiden:

  • Gevolgenethiek of consequentalistische ethiek. Dit zijn argumenten waarmee men op grond van de uitkomst of gevolgen van een handeling beoordeelt of iets juist is of niet. Voor open leermaterialen is het argument dat beleid dat leidt tot een toenemend gebruik van open leermaterialen goed beleid is, een voorbeeld van dit type.
  • Beginselethiek of deontologische ethiek. Dit zijn argumenten waarbij de morele juistheid van adoptie en gebruik van open leermaterialen wordt bepaald door een reeks van regels, in plaats van op de gevolgen van de actie. Het gaat er om of de keuze of handeling zelf goed is, er wordt niet naar de gevolgen van de keuze of handeling gekeken. Een voorbeeld is om uitkomsten van een door de overheid gesubsidieerd project onder een open licentie te publiceren omdat dit als voorwaarde is gesteld.
  • Zorgethiek. Hierbij wordt de juistheid van een keuze of handeling bepaald door de zorg en verantwoordelijkheid van personen voor anderen. Mensen zijn altijd en overal afhankelijk van elkaar en onderling met elkaar verbonden. Het zijn niet alleen regels en principes die de juistheid van een keuze of handeling bepalen, maar ook het sociale netwerk en de aandacht voor elkaar. Een voorbeeld van deze insteek is het zogenoemde CARE-raamwerk. Doel van dat raamwerk is “to articulate a set of shared values and a collective vision for the future of education and learning enabled by the widespread adoption and use of OER”. Het raamwerk beschrijft gedragsregels om te volgen om adoptie van OER zo breed mogelijk te maken (zoals het uitgangspunt dat OER kunnen worden gepubliceerd en gebruikt buiten de cursus en het platform waarin het is gecreëerd of initieel is gepubliceerd).
  • Dekolonisatie-ethiek. Hieronder wordt verstaan de ontmanteling van machtsverhoudingen en opvattingen over kennis die de reproductie bevorderen van raciale, gender- en geopolitieke hiërarchieën die in de moderne/koloniale wereld zijn ontstaan of nieuwe en krachtiger uitdrukkingsvormen hebben gekregen (Adam, 2020). Vanuit deze ethiek worden makers van leermaterialen gestimuleerd om niet alleen vanuit regels of zorg voor de ander open materialen te maken, maar daarin ook minder gehoorde invalshoeken in op te nemen. De principiële aanpasbaarheid van open leermaterialen maakt dit mogelijk.
  • Sociale rechtvaardigheid (social justice). Sarah Lambert (2018) geeft daarvoor de volgende omschrijving: een proces en ook een doel om te komen tot een rechtvaardiger samenleving waarbij acties worden ondernomen die worden geleid door de beginselen van herverdelende rechtvaardigheid, erkennende rechtvaardigheid of representatieve rechtvaardigheid. Herverdelende rechtvaardigheid (redistributive justice) is het oudste beginsel van sociale rechtvaardigheid en behelst de toewijzing van materiële of menselijke middelen aan degenen die door omstandigheden minder hebben (Rawls, 1971). Erkennende rechtvaardigheid (recognitive justice) impliceert erkenning van en respect voor culturele en genderverschillen, en representatieve rechtvaardigheid (representative justice) impliceert een evenwaardige vertegenwoordiging en politieke stem (Fraser, 1995). In (Hodgkinson-Williams & Trotter, 2018) worden vanuit deze opvatting de waarden van OER geformuleerd. Naast de vooral voor de Global South uitermate belangrijke economische dimensie (OER verlagen de kosten van leermateriaal en vergroten daarmee de toegankelijkheid) wijzen zij op de culturele dimensie (waarbij met name de aanpasbaarheid van open leermaterialen de mogelijkheid geeft bij hergebruik de leermaterialen aan te passen aan de culturele context van hergebruik) en de politieke dimensie (open leermaterialen zorgen voor daadwerkelijke toegang en, ondersteund door open educational practices, krijgen de minder bevoorrechte deelnemers ondersteuning)

In deze paragraaf hebben we aangegeven dat de ‘waarde’ van OER nauw verbonden is met waarden die wij als samenleving, als instellingen en als personen zo belangrijk achten, dat we van daaruit keuzes maken en acties ondernemen. Ook wordt uit deze opsomming een trend zichtbaar waarbij openheid van leermateriaal mede wordt bepaald door de inhoud ervan, waarbij onderwerpen vanuit een diversiteit van invalshoeken worden benaderd, met aandacht voor invalshoeken die weinig worden gehoord of waarmee weinig rekening wordt gehouden. Bijgaande tweet over het recent gehouden OERxDomains21 congres illustreert deze trend.

Bij beleidsbeslissingen over adoptie van OER is het goed om naast de argumenten van betaalbaarheid, efficiency, kwaliteit en toegankelijkheid de genoemde waarden en ethische invalshoeken expliciet te maken en een rol te laten spelen. Welke waarden worden door adoptie bevorderd en/of bedreigd? Een ethische reflectie op die vraag helpt om richting te geven aan het beleid voor adoptie van open leermaterialen.

Wellicht leidt die reflectie dan weer tot aanpassing, wat weer reflectie oproept. In de publicatie “Waarden wegen. Een ethisch perspectief op digitalisering in het onderwijs” hebben (Pijpers et al, 2020) een ‘sturingsmodel waardevol digitaliseren’ gepresenteerd, dat zeer nuttig kan zijn om het proces van adoptie van open leermaterialen mede te begeleiden en te sturen vanuit waarden en ethiek.

Vraagstukken rond open leermaterialen

Er is veel onderzoek gedaan naar factoren die grootschalige adoptie van open leermaterialen verhinderen. Een goed overzicht van deze factoren wordt geboden in diverse UNESCO documenten die uiteindelijk hebben geleid tot de OER Recommendation in 2019 (zie bijvoorbeeld (COL, 2017)). Onderzoeken in de context van het hoger onderwijs in Nederland komen tot dezelfde lijsten van factoren (Baas, Admiraal & Van den Berg, 2019; Schuwer & Janssen, 2018; Schophuizen et al, 2017). Diverse gesprekken die we, bijvoorbeeld in de context van het Versnellingsplan, hebben gehad met bestuurders, docenten en ondersteunende staf bevestigen dat de vraagstukken die in de literatuur worden genoemd veelal ook in Nederland worden ervaren én geven aan dat deze vraagstukken zowel op het individuele niveau van docenten en staf als op het niveau van een faculteit of instelling (bestuurders) leven. Een overzicht:

Docenten:

  • Gebrek aan tijd
  • Onduidelijkheid over de toegevoegde waarde van open leermaterialen (what’s in it for me)
  • Geen ervaren erkenning en waardering voor delen van open leermateriaal
  • Onvoldoende skills w.b. vindbaarheid van open leermaterialen, auteursrecht en gebruiksmogelijkheden
  • Onduidelijkheid over kwaliteit van zowel gevonden leermaterialen als te delen eigen leermateriaal
  • Onvoldoende ervaren ondersteuning op het gebied van educational technology, ICT en auteursrecht
  • Geen totaaloplossing. Commercieel leermateriaal gaat vaak vergezeld met testbanken, slides en ander aanvullend materiaal. Een dergelijke totaaloplossing ontbreekt veelal bij OER.

Instellingen:

  • Geen grip op borgen van kwaliteit van leermaterialen die worden gepubliceerd onder de vlag van de instelling
  • Onduidelijkheid over de toegevoegde waarde van open leermaterialen in de context van de instelling
  • Onduidelijkheid over hoe docenten te stimuleren open leermaterialen te adopteren in hun onderwijs. Ondersteuning en duidelijkheid lijken nodige maar geen voldoende voorwaarden te zijn. Hoe adresseer je sentimenten als not invented here, mijn content is king, of ik heb het gemaakt in mijn eigen tijd dus de instelling is geen eigenaar?
  • Onduidelijkheid over hoe adoptie van open leermaterialen duurzaam gemaakt kan worden (niet afhankelijk van eenmalige projectsubsidies)

Naast de constatering dat verduurzaming van een vakcommunity rond open leermaterialen nauwelijks lijkt plaats te vinden, is er nog weinig bekend over vraagstukken binnen een vakcommunity die spelen rond delen en hergebruiken van open leermaterialen. Een (nog lopend) onderzoek hiernaar bij de instellingsoverstijgende vakcommunity Bachelor Nursing leert dat die vraagstukken grotendeels overeenkomen met die zoals hiervoor genoemd bij docenten.

In de volgende blog zullen we uitwerken hoe te komen tot visie en beleid op instellingsniveau, rekening houdend met de waarde van en vraagstukken bij open leermaterialen.

Dankwoord

We willen de volgende personen danken voor de informatie die ze ons op verzoek hebben toegestuurd: Marjon Baas, Tecla ten Berge, Rob Farrow en Willem van Valkenburg.

Referenties

Adam, T. (2020). Between Social Justice and Decolonisation: Exploring South African MOOC Designers’ Conceptualisations and Approaches to Addressing Injustices. Journal of Interactive Media in Education, 2020(1), p.7. DOI: http://doi.org/10.5334/jime.557

Baas, M., Admiraal, W., & Van den Berg, E. (2019). Teachers’ Adoption of Open Educational Resources in Higher Education. Journal of Interactive Media in Education, 2019(1): 9, pp. 1-11. DOI: 10.5334/jime.510

Baas, M., & Schuwer, R. (2020a). What About Reuse? A Study on the Use of Open Educational Resources in Dutch Higher Education. Open Praxis12(4), 527-540. https://dx.doi.org/10.5944/openpraxis.12.4.1139

Baas, M., & Schuwer, R. (2020b). Het bevorderen van de adoptie van open leermaterialen door docenten. Onderzoek in de vakcommunity SAMEN hbo verpleegkunde. Fontys hogescholen, Eindhoven. Bron

Beaven, T. (2018). ‘Dark reuse’: An empirical study of teachers’ OER engagement. Open Praxis, 10(4), 377–391. https://doi.org/10.5944/openpraxis.10.4.889

Brink, M., van den Broek, A. & Ramakers, C. (2021). Ervaringen van studenten met onderwijs en toetsen op afstand tijdens corona. ResearchNed Nijmegen. Bron

COL (2017). Open Educational Resources: Global Report 2017. Burnaby: COL. Bron

Dijck, J. van, Poell, T. & De Waal, M (2016). De platformsamenleving. Strijd om publieke waarden in een online wereld. Amsterdam University Press. Bron

Farrow, R. (2016). A framework for the ethics of open education. Open Praxis, 8(2). https://doi.org/10.5944/openpraxis.8.2.291

Fraser, N. (1995). From Redistribution to Recognition? Dilemmas of Justice in a “Post-Socialist” Age. New Left Review, 1 (212). Bron

Gallion, J. (2018). Performance Audit Report North Dakota University System Open Educational Resources. Office of the State Auditor, North Dakota. Bron

Hodgkinson-Williams, C. A., & Trotter, H. (2018). A Social Justice Framework for Understanding Open Educational Resources and Practices in the Global South. Journal of Learning for Development, 5(3), 204-224.

Jacobi, R., Schuwer, R. & van der Woert, N. (2019). Thema-uitgave Open Pedagogy. Er is meer Open Pedagogy dan je denkt! SURF, Nederland.

Janssen, B. & Van Casteren, W. (2021). Digitale leermaterialen in het onderwijs. Onderzoek in opdracht van het Koersteam Versnellingsplan Onderwijsinnovatie met ICT, Utrecht (nog te verschijnen).

Lambert, S. R. (2018). Changing our (Dis)Course: A Distinctive Social Justice Aligned Definition of Open Education. Journal of Learning for Development, 5(3), 225-244. Bron

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2019). Houdbaar voor de toekomst. Strategische agenda hoger onderwijs en onderzoek. Den Haag. Bron

Orr, D., M. Rimini and D. van Damme (2015), Open Educational Resources: A Catalyst for Innovation. OECD Publishing, Paris, https://doi.org/10.1787/9789264247543-en.

Parker, P. (2012). Explaining the Paradox: Perceived Instructor Benefits and Costs of Contributing to Massachusetts Institute of Technology OpenCourseWare. Utah State University. https://digitalcommons.usu.edu/etd/1177

Pijpers, R., Bomas, E., Dondorp, L. & Ligthart, J. (2020). Waarden wegen. Een ethisch perspectief op digitalisering in het onderwijs. Kennisnet, Zoetermeer. Bron

Rawls, J. (1971). A theory of justice. Oxford: Oxford University Press.

Scheers, M. & Pinchetti, T. (2020). Impact van flexibele studentroutes op onderwijslogistiek. Versnellingsplan Onderwijsinnovatie met ICT, Utrecht. Bron

Schophuizen, M., Kreijns, K., Stoyanov, S., & Kalz, M. (2017). Eliciting the challenges and opportunities organizations face when delivering open online education: A group-concept mapping study. The Internet and Higher Education36, 1. https://doi.org/10.1016/j.iheduc.2017.08.002

Schuwer, R., & Janssen, B. (2018). Adoption of sharing and reuse of open resources by educators in higher education institutions in The Netherlands: A qualitative research of practices, motives, and conditions. The International Review of Research in Open and Distributed Learning, 19(3). https://doi.org/10.19173/irrodl.v19i3.3390

TU Delft (2020). Extension School Impact Report 2020. TU Delft Extension School. Bron

UNESCO. (2019). Recommendation on Open Educational Resources. Bron

Valkenburg, W. van (2016). The Impact of DelftX MOOCs. In: Jansen, D. & Konings, L. (eds). European Policy response on MOOC opportunities. EADTU. ISBN 978-90-79730-20-9. Bron


Deze blog is bijdrage 4 in een serie Een principieel-pragmatische visie op institutioneel OER-beleid. Eerdere bijdragen:

Nog te verschijnen:

  • De noodzaak van visie en beleid met betrekking tot open leermaterialen op instellingsniveau en op het niveau van een community of practice

Accessibility of learning materials and Schrödinger’s Cat

Quantum theory says that until a particle is measured and observed, it exist in all states it could possibly be in, simultaneously. This phenomenon is, among many other, the basis for quantum computers. To explain this weird behaviour on subatomic scale, in 1935 the Austrian physicist Erwin Schrödinger developed a thought experiment, known as Schrödinger’s Cat. In this thought experiment, a cat is locked up in a sealed box, together with a device filled with poison. Within an hour that device will break with a 50% chance, thereby killing the cat. So, after an hour, just before opening the box, the cat can be both alive and dead at the same time. Only when opening the box the actual state of the cat can be observed.

In a previous blog, we defined closed learning materials as

Closed learning materials are teaching, learning, and research resources that are unavailable for a person or a group of persons. This definition is dependent on the perspective of the stakeholder. E.g. semi-open learning resources, available for a group, appear to be closed for persons outside of that group.

Similar to Schrödinger’s Cat, before trying to access a specific learning material, it can be both closed and non-closed at the same time. Only by accessing it, the actual state can be determined.

This is just for fun. Maybe it will help explaining the different types of learning materials to others, maybe it will only add more confusion (“open, semi-open, closed ánd two states simultaneously, that is too much to comprehend”). But I liked it and therefore I share this.

In a TED-talk, Schrödinger’s Cat is explained by Josh Samani.

And in my favourite sitcom The Big Bang Theory, Sheldon Cooper uses Schrödinger’s Cat to explain to Penny whether she has to go out with Leonard or not.