Long and Winding Road to a Program for OEGlobal18

The 1st of December, notifications of acceptance and rejection were submitted to the authors. Before this was made possible, a trajectory of opening a call for proposals, waiting for the submissions, closing the call, divide the proposals among reviewers, waiting for the reviews and, finally, based on the reviews, per proposal reach a decision about acceptance or rejection has been walked.

After opening of the call in July, the 1st submission already came in on 20 July. We had set the deadline for submission on 23 October. On that day we had received 82 proposals, where we (based on previous OEGlobals) aimed at 120 proposals. We therefore decided to extend the deadline with one week to 30 October. The next graph shows you what happened in that week.

On 30 October, 66 submissions came in, with an additional 19 on 31 October. The pool of reviewers however was calculated on 120-130 submissions instead of the 202 we had received. This would mean that each reviewer had to review 13-14 proposals instead of the 6-8 I had asked them for. It was heartwarming to experience that the majority of reviewers did not bother the extra workload when I asked them. Even more heartwarming was that an extra 12 reviewers offered themselves voluntarily within 24 hours, after 1 tweet and some retweets! This showed me the value of a warm and strong open community.

With some late submissions we ended up with 207 proposals. After the reviews were submitted, the conference team discussed about the reviews, especially those proposals where the reviewers did not agree or where one or both reviewers had hesitations on acceptance or rejection. We kept in mind that the OEGlobal should reflect the Open Education Consortium: a global consortium with both experienced members and newcomers in the arena of open education, represented by policy makers, management and support staff, teachers, students, and researchers. So there should be a place for both proposals based on scientific research as for proposals about policy or practices, not per se based on scientific research.

In the end 151 proposals are accepted (73%) and 34 are rejected (16%). 22 proposals are accepted under conditions. They are asked to rework their proposal taking into account remarks by the reviewers. Depending on their reworked proposals, we can decide about their acceptance or rejection.

Here are some statistics about the 151 accepted proposals. First, the number of proposals per country of the corresponding author.

To get a better picture about globalness, the same information is displayed in a worldmap. The green areas represent the origin of accepted proposals.

Proposals are connected to specific tracks of the conference:

This picture reflects the large diversity of proposals received.

And a last statistic: authors of proposals could determine about the type of session:

What these statistics do not reflect is the high quality of many of the proposals. I am looking forward to a vibrant and interesting conference in April next year.

Ljubljana OER Action Plan 2017, een analyse en beschouwing


In 2012 werd bij het 1e OER World Congress van UNESCO de Paris Declaration on OER opgesteld en gepubliceerd. In die Declaration worden overheden wereldwijd opgeroepen om leermaterialen die met publiek geld zijn gemaakt onder een open licentie beschikbaar te stellen voor iedereen en adoptie van OER te stimuleren.

In de vijf jaar die sindsdien zijn verstreken is vastgesteld dat mainstreaming OER, nodig om daarmee beter in staat te zijn de Sustainable Development Goal 4 “Ensure inclusive and equitable quality education and promote lifelong learning opportunities for all“ te realiseren, niet heeft plaatsgevonden. Onderzoek naar oorzaken daarvan leverde vijf barrières op:

  1. Beperkte vaardigheden van gebruikers en beperkingen in tools om OER te vinden, te gebruiken, te maken en te delen;
  2. Taal en cultuur issues;
  3. Beperkingen in inclusieve en gelijke toegang tot hoge kwaliteit OER;
  4. Te weinig zicht op (business) modellen om OER duurzaam te publiceren en gebruiken;
  5. Te weinig aandacht voor adoptie van OER in beleidsondersteuning.

Om die reden is gestreefd naar publiceren van een actieplan met aanbevelingen om deze barrières te slechten. Onder het motto “OER for Inclusive and Equitable Quality Education: From Commitment to Action” werd van 18 t/m 20 september in Ljubljana (Slovenië) het 2nd OER World Congress georganiseerd. Op dat congres is een concept actieplan gefinaliseerd, vastgesteld en goedgekeurd door de aanwezigen.

In het afgelopen jaar is hiervoor het volgende proces doorlopen:

  • Opstellen 1e draft van het document. Dit document was input voor:
  • 6 regional consultations waar de draft werd bediscussieerd en waarin voorstellen voor activiteiten voor het actieplan zijn gegenereerd. Dit leidde tot een 2e versie van een draft document.
  • In de maanden voorafgaand aan het congres was er voor iedere belangstellende de mogelijkheid online te amenderen. Dit leidde tot >100 voorstellen voor amendering. Deze zijn verwerkt in een 3e versie van het draft document.
  • Op het congres zijn de laatste amenderingen op de laatste versie van het draft document besproken in panelsessies. Dit heeft geleid tot een finale versie die door het congres met algemene stemmen is vastgesteld.
  • Er was ook een ministeriële sessie, waarin 20 ministers en staatssecretarissen zich bogen over het document om uiteindelijk te komen met een Ministerial Statement. In dit statement geven ze hun goedkeuring aan het Action Plan en roepen alle stakeholders op uitvoering te geven aan het Action Plan.

>> Download verslagen van de consultatiebijeenkomsten
>> Download Ljubljana OER Action Plan 2017
>> Download de Ministerial Statement

Dit Action Plan adresseert alle onderwijssectoren:

In order for OER to reach its full transformative potential for supporting the realization of SDG 4, OER needs to be more integrally a part of educational policies and practices from early childhood education to post-secondary and higher education and lifelong learning. Mainstreaming OER-based content will depend upon a commitment to openness and access of OER educational content by learners, educators, institutions and governments, and also requires that other pre-conditions to quality education are in place.

En de aanbevelingen gelden voor een veelheid aan stakeholders:

The stakeholders addressed in this document are educators, teacher trainers, librarians, learners, parents, educational policy makers (at both the governmental and institutional level), teacher and other professional associations, student associations, teacher and student unions as well as other members of civil society, and intergovernmental organizations and funding bodies. Support of decision makers at governmental and institutional levels is essential for the realization of the Ljubljana OER Action Plan. Multiple stakeholder’s support for the actions is also crucial for the implementation of the proposed actions.

Niet alle aanbevelingen zijn voor alle stakeholders en alle sectoren even toepasbaar. Voor het hoger onderwijs in Nederland, met inachtneming van wat er al gebeurt in Nederland rond adoptie van OER, zijn de volgende aanbevelingen van belang. De toewijzing naar stakeholders is deels mijn interpretatie; een dergelijke toewijzing is niet bij iedere aanbeveling geëxpliciteerd in het Action Plan.

  • Zorg voor aanbrengen van besef van OER en vaardigheden om met OER om te gaan in lerarenopleidingen, BKO-trajecten en opleidingen voor bibliotheekfuncties. Dit omvat onder meer kennis over hoe OER te vinden, aan te passen, onderhouden en delen, kennis over copyright-gerelateerde issues en digitale geletterdheid rond issues met betrekking tot security waar het ontwikkeling en gebruik van OER betreft.
  • Dissemineer onderzoeksresultaten naar OER voor creëren van good practices rond kosteneffectiviteit, duurzaamheid en tooling voor maken en delen van OER.
  • Organiseer ondersteuning bij vinden, maken en hergebruiken van OER.
  • Ondersteun en stimuleer ontstaan van effectieve peer netwerken (zoals vakcommunities) voor het delen van OER.
  • Zorg voor een systeem waarin maken, delen en hergebruiken van OER wordt erkend en beloond.
  • Houd bij maken en delen van OER rekening met issues als taal en cultuur. Dat geldt zeker als het aannemelijk is dat de OER wereldwijd gebruikt gaan worden, maar kan ook gelden voor gebruik in de eigen instelling, waar steeds meer studenten uit het buitenland instromen en studenten uit Nederland met een niet-Nederlandse afkomst.
  • Houd bij maken en delen van OER rekening met toegankelijkheid en inclusief gebruik. Denk bijvoorbeeld aan toegankelijkheid voor personen met een handicap.
  • Zorg voor systemen voor peer-review kwaliteitscontrole bij maken en aanpassen van OER. Maak dit systeem onderdeel van de reguliere kwaliteitssystemen in een instelling. Ontwikkel op nationaal en instellingsniveau standaarden en benchmarks voor de kwaliteitsborging van OER.
  • Onderzoek de invloed van OER op processen voor maken en gebruiken van hoge kwaliteit leermaterialen.
  • Onderzoek (business)modellen voor duurzaam delen en hergebruik van OER.
  • Ontwikkel beleid op nationaal en instellingsniveau om de acties te initiëren en stimuleren. Neem uitspraken over ondersteuning van een OER aanpak op in visie en missie van overheid en instellingen.

Beschouwing

Zoals eerder gemeld is het Action Plan bedoeld voor een brede waaier aan onderwijssectoren (inclusief non-formeel leren) en stakeholders. De mate van adoptie van OER in verschillende landen is ook heel divers. Bij sommige landen moet er nog een eerste besef van de mogelijkheden ontstaan, in andere landen (zoals Nederland) is men al veel verder. In die zin zal er niet één proces van implementatie van de aanbevelingen zijn. Het Action Plan laat zich daarom ook niet uit over een dergelijke implementatiestrategie, maar richt zich vooral op het realiseren van een solide basis die nodig is om te bereiken dat OER mainstream wordt.

OER wordt gezien als een belangrijk middel om te komen tot kwalitatief goed onderwijs met gelijke toegang tot middelen voor iedere wereldburger, zonder toegangsdrempels (zoals in de UNESCO SDG 4 is geformuleerd). De voorgestelde acties richten zich daarom op dat toegangsaspect en verhogen van de kwaliteit van onderwijs. Bij dat laatste wordt vooral ingestoken op de mogelijkheden van OER om te komen tot betere docenten en wordt er nauwelijks stilgestaan bij wat die docenten dan vervolgens met OER kunnen doen. Is dat een gemiste kans? Wellicht zal een aanpak die start met het laatste (kweken van interesse bij de docent door uit te gaan van zijn of haar specifieke onderwijscontext, zodat effecten van OER direct zichtbaar zijn) en dan de skills aanbrengen om OER daadwerkelijk te kunnen inzetten (waar de acties uit het actieplan zich op richten) een goede strategie zijn. Het Action Plan sluit die strategie overigens niet uit, maar benoemt die ook niet expliciet.

Het Action Plan gebruikt ook een strikte definitie van OER: vrije toegang en recht op aanpassen en hergebruiken van de materialen onder de voorwaarden van een open licentie. Er zijn echter vele online bronnen die vrij toegankelijk zijn, maar niet aan de voorwaarden van de open licentie voldoen. Hoewel ze niet aangepast mogen worden kunnen deze bronnen zinvol zijn in bepaalde contexten (bijvoorbeeld voor een self-learner). De meeste MOOC’s vallen bijvoorbeeld onder deze categorie. Bij de implementatie van de aanbevelingen zou aandacht voor dit onderscheid in contexten zinvol kunnen zijn, zodat as-is hergebruik van dergelijke bronnen meegenomen wordt.

Het plan benoemt wel de potentie van OER voor onderwijsprocessen en de voorwaarde van een goede didactiek om OER effectief te laten zijn:

OER’s transformative potential going forward – reinforced by the expansion of ICT and broadband infrastructure – broadens horizons for knowledge sharing and collaboration among educators, institutions and countries. If used effectively and supported by sound pedagogical practices, OER allow for the possibility to dramatically increase access to education through ICT, opening up opportunities to create and share a wider array of educational resources to accommodate a greater diversity of educator and learner needs. Increased online access to OER further promotes individualized study, which, when coupled with social networking and collaborative learning, fosters opportunities for pedagogical innovation and knowledge creation.

In die opvatting is mainstreaming OER een voorwaarde om deze onderwijstoepassingen mogelijk te maken om dan pas te kunnen denken aan zaken als Open Educational Practices en Open Pedagogy. En zoals eerder opgemerkt zijn lang niet alle landen al zover dat er zelfs maar een begin van mainstreaming van OER aan de gang is.

Naast een hoofdprogramma dat zich richtte op het finaliseren van het Action Plan, was er ook een nevenprogramma in Ljubljana. In één van de sessies in dat nevenprogramma werd de publicatie Cape Town + 10 (CPT+10) gelanceerd. De “+10” verwijst naar de 10 jaar die er zijn verstreken sinds in 2007 de Cape Town Declaration for Open Education werd gepubliceerd. Deze Declaration heeft als ondertitel “Unlocking the promise of open educational resources”. De Declaration is ontstaan vanuit een bottom-up aanpak en heeft als doel OER beter en meer toepasbaar te maken om daarmee te komen tot open(er) vormen van onderwijs. Momenteel hebben een kleine 2600 individuen en ongeveer 270 organisaties de Declaration ondertekend. In CPT+10 worden tien richtingen gesuggereerd om meer open(er) onderwijs te realiseren. De scope is dus breder dan alleen OER, overlapt deels met aanbevelingen uit het Action Plan en geeft handvatten om invulling te geven aan implementatie van de aanbevelingen uit het Action Plan.

Ik heb me beperkt tot het duiden van het plan voor het hoger onderwijs. Zoals vermeld gelden de aanbevelingen in het plan voor alle vormen van onderwijs (zeg maar van de wieg tot het graf, formeel en non-formeel). Omdat iedere onderwijssector haar eigen karakteristieken heeft zal het implementeren van de aanbevelingen maatwerk zijn per sector. En wellicht dat acties voor andere sectoren nog meer nodig zijn dan voor het hoger onderwijs. Ik denk dan met name aan het beroepsgerichte onderwijs, zowel regulier als non-formeel. Recent hebben Ben Janssen en ik, in opdracht van UNESCO, een onderzoek uitgevoerd naar de stand van zaken betreffende adoptie van OER in die sector. Uit dat onderzoek blijkt dat het belang van OER voor die sector wereldwijd hoog wordt geacht, maar dat daadwerkelijke activiteiten om adoptie van OER te realiseren nauwelijks van de grond komen of zelfs maar aandacht krijgen van overheden. In Ljubljana hebben we de voorlopige resultaten gepresenteerd in het nevenprogramma.

>> Slides presentatie OER in TVET

Om een en ander effectief en efficiënt te laten verlopen zou de overheid in dezen een regierol moeten voeren, zodat lessons learned uit één sector, indien toepasbaar, ook ter beschikking komen in andere sectoren. Maar daarnaast zijn ook instellingen aan zet om werk te maken van implementatie van de aanbevelingen.

Ter afsluiting een sfeerbeeld van het congres middels een (bijna onvermijdelijke) groepsfoto.

Boegbeeldproject hbo verpleegkunde en infrastructuur

Eind vorig jaar lanceerde (inmiddels demissionair) minister Bussemaker twee boegbeeldprojecten. Het doel van deze projecten is ervaring op te doen met instellingsoverstijgend open delen van leermaterialen. In het wo houden de 4 TU’s zich bezig met leermaterialen voor het vakgebied wiskunde (gestart in april, looptijd 16 maanden). In het hbo is gekozen voor delen van leermaterialen voor het vakgebied verpleegkunde (gestart in januari, looptijd 12 maanden). Bij dat laatste project zijn 5 hbo-instellingen in januari gestart, met als projecttrekker Fontys Hogeschool Mens en Gezondheid.

>> Meer informatie over de boegbeeldprojecten

In deze blog zal ik de context van het hbo-project beschrijven en de keuzes die we, met name voor de infrastructuur, in dit project hebben gemaakt. 

Context

Alle 17 hbo-instellingen die een Bachelor Verpleegkunde aanbieden, zijn verenigd onder de vlag van het LOOV: Landelijk Overleg Opleidingen Verpleegkunde. In 2016 presenteerden ze een plan voor een gezamenlijk curriculum, Bachelor Nursing 2020 (BN2020). Dat betekent dat op kernbegrippen, thema’s en globale leerdoelen de 17 hogescholen uniform zijn. Wel kan iedere hogeschool eigen accenten aanbrengen en variëren in onderwijsvormen.

Een dergelijke context maakt potentieel instellingsoverstijgend delen van leermaterialen kansrijk. Immers, door de afspraken in BN2020 spreekt iedere opleiding dezelfde taal en kunnen leermaterialen van elders daardoor beter inzetbaar zijn op verschillende plekken. Mede daarom heeft de Vereniging Hogescholen deze opleiding naar voren geschoven voor het boegbeeldproject. Naast Fontys participeren ook Hogeschool Zuyd, Saxion, Hogeschool Rotterdam en de HAN in dit project.

Aanpak

Mede op basis van ervaringen die over Wikiwijs zijn gerapporteerd, zijn de volgende uitgangspunten geformuleerd:

  1. Om gedeelde leermaterialen daadwerkelijk hergebruikt te laten worden is vertrouwen nodig bij docenten over de kwaliteit van het leermateriaal
  2. De kwaliteit van het leermateriaal moet na publicatie zichtbaar en herkenbaar zijn
  3. Om de leermaterialen actueel te houden en te leren van ervaringen ermee is een actieve vakcommunity nodig.

Tot nu toe hebben we binnen het project vooral gewerkt aan uitgangspunten 1 en 2. Er is een kwaliteitsmodel opgesteld waarin de eisen zijn geformuleerd waar goed leermateriaal voor hen aan moet voldoen. Dit model kan ook dienen als handvat voor docenten die een beeld willen krijgen van wat door de opleiding goed leermateriaal wordt genoemd. De eisen betreffen vakinhoudelijke kwaliteit, didactische kwaliteit, beschrijvende gegevens (metadata), vormgeving, taal(gebruik) en copyright.

Momenteel worden bestaande bronnen bij ieder van de vijf hogescholen langs dit model gelegd. Wanneer de materialen voldoen worden ze beschreven en gedeeld op een gemeenschappelijk platform. Deze materialen hoeven niet per se afkomstig te zijn van hen zelf. Bijvoorbeeld Youtube bevat veel geschikte leermaterialen die alleen adequaat moeten worden beschreven om daardoor beter vindbaar te zijn. In die zin vormen de docenten een curator rol omdat ze hierdoor op basis van het kwaliteitsmodel het kaf van het koren scheiden.

Wat betreft de infrastructuur is ervoor gekozen om gebruik te maken van wat er al aan beschikbare componenten bestaat in Nederland. De onderstaande figuur geeft een totaaloverzicht (erop klikken geeft een groot formaat)

De door het project tot nu gebruikte elementen zijn:

  • Edurep Delen: voor het beschrijven van geschikte materialen die al in diverse bronnen aanwezig zijn en uploaden van nieuwe materialen in de eigen database van Wikiwijs
  • NL-LOM als standaard voor metadateren
  • Een volgens assemble-to-order procedure gecreëerde startpagina van waaruit de leermaterialen vanuit diverse filters kan worden gezocht. De snelle en deskundige hulp van Linda le Grand van Kennisnet is hierbij van onschatbare waarde.
  • Zoeken maakt gebruik van de door Edurep verzamelde metadata.

Uit de figuur is verder te lezen dat we de keurmerkfunctie van Wikiwijs willen gaan gebruiken om de leermaterialen die aan het kwaliteitsmodel voldoen zichtbaar te maken. Dat gaat gebeuren door het toevoegen van een nog te maken icoontje aan het materiaal. Wanneer een gebruiker dat materiaal in de zoekresultaten krijgt kan hij/zij op dat icoontje klikken, waarna het kwaliteitsmodel dat gebruikt wordt zichtbaar wordt. Door die transparantie hopen we te bereiken dat er vertrouwen ontstaat in de kwaliteit van het leermateriaal en daarmee hergebruik positief wordt beïnvloed. Daarnaast willen we stimuleren dat gebruikers de leermaterialen gaan beoordelen, gebruikmakend van de mogelijkheden die Wikiwijs hiervoor biedt (sterren rating en maken van een review).

Hoe verder?

In de komende weken zullen we ervaring gaan opdoen met deze infrastructuur. Er zullen leermaterialen gedeeld worden en docenten bekend gemaakt worden met deze leermaterialen. Ze zullen geactiveerd worden ook zelf te gaan delen en hergebruiken. Tevens zullen keurmerken aan de materialen worden toegevoegd. Er zal een start gemaakt worden met een vakcommunity rondom die leermaterialen, waarschijnlijk startend met de meest actieve docenten. Verder zullen vocabulaires voor de bij verpleegkunde gebruikte terminologie worden opgesteld en als standaard worden aangemeld bij Edustandaard. Vanuit SURF zijn daar al acties in ondernomen.

In de huidige infrastructuur in Nederland ontbreekt nog een ondersteunend platform voor vakcommunities. Ik zie daarin een taak voor SURF. Hopelijk zal de komende ronde van de stimuleringsregeling open en online onderwijs, pijler open leermaterialen, met een focus op vakcommunities, zorgen voor ontwikkeling van een dergelijk platform, zodat de online activiteiten van een dergelijke community adequaat kunnen worden ondersteund.

Eerste resultaten stimuleringsregeling open en online onderwijs

Bij de eerste ronde van de stimuleringsregeling open en online onderwijs in 2015 werden 11 aanvragen gehonoreerd. Deze projecten zijn afgerond. Deze week verscheen een publicatie van SURF Checklist Aan de slag met open en online onderwijs waarin 9 geleerde lessen uit die projecten zijn geformuleerd.

>> Download publicatie

In deze publicatie staan de 11 projecten benoemd, met links naar de resultaten. Een soortgelijk overzicht staat ook op de website van SURF. In dat overzicht staan details van 8 van de 11 projecten. Omdat ik wilde weten waar dat verschil in aantal door te verklaren was en ook meer wilde weten over de openheid van de projectresultaten heb ik de resultaten nader bekeken. Janina van Hees, die vanuit SURF de stimuleringsregeling begeleidt, heeft me op aanvraag extra informatie gestuurd. Dit waren mijn bevindingen.

  • De 3 projecten die ontbreken in het overzicht op de website zijn Flipping the master (Erasmus Medisch Centrum), Data Science voor Alfa en Gamma (Universiteit Tilburg) en Open leerplatform met anatomische content (LUMC). De verwachting is dat de resultaten van de eerste twee genoemde projecten binnenkort ook via dat overzicht op de website toegankelijk worden. De reden waarom dat laatstgenoemde project ontbreekt in de overzichtstabel is mij niet duidelijk geworden.
  • De meeste projecten hebben keurig voldaan aan de eis dat ontwikkeld materiaal onder een Creative Commons licentie beschikbaar worden gesteld.
  • Een aantal projecten (waar het ontwikkeling van een MOOC betrof) heeft de voor die MOOC’s ontwikkelde video’s ook beschikbaar gesteld op Youtube, zodat deze materialen ook toegankelijk zijn zonder de plicht je eerst te moeten registreren voor die MOOC. Voor publicatie zijn diverse Creative Commons licenties gebruikt.
  • Soms is de licentie bij de bronnen niet duidelijk. Bijvoorbeeld bij de video’s van de MOOC FFESx van de Wageningen University is de licentie volgens het overzicht op de website van SURF CC BY-NC-ND, maar bij de video’s in Youtube staan geen licenties vermeld (afgezien van de trailer). Bij het project Denken, delen, doen van de NHL en de Haagse Hogeschool is een reader beschikbaar gesteld. In die reader ontbreekt de Creative Commons licentie. Daardoor is onduidelijk of en onder welke voorwaarden de artikelen in die reader mogen worden hergebruikt.
  • Bij het project Responsible Innovation van de TU Delft zijn cursussen ontwikkeld die niet vrij beschikbaar zijn. Janina van Hees meldde me dat de cursusmaterialen na de eerste run van die cursussen als Open Courseware beschikbaar komen. Voor het e-book dat onderdeel is van dit project staat in de colofon “© March 2016″. Het lijkt erop dat die publicatie niet onder een Creative Commons licentie is gepubliceerd.

Wat betreft de kwaliteit van de inhoud van de cursussen voel ik me niet capabel genoeg daar een uitspraak over te doen. Echter, voor mij springt het project Basisbeginselen statistiekonderwijs van de Universiteit Utrecht er uit. Prachtig materiaal, mooie opzet en dito inhoud. Een pareltje wat mij betreft!

Geleerde lessen

De publicatie vermeldt ook negen, veelal unaniem, gedeelde ervaringen uit de projecten, geformuleerd als aanbevelingen. Zes ervan betreffen online onderwijs, drie ervan open leermaterialen. Die laatste drie aanbevelingen zijn

  1. Steek als instelling én als overheid energie in het promoten van open onderwijsmateriaal.
  2. Maak gebruik van reeds beschikbaar open leermateriaal.
  3. De bibliotheek wil je graag helpen. Maak er gebruik van.

Bij aanbeveling 2 wordt gepleit voor “een ‘meta-platform’ dat een overzicht zou kunnen bieden van open leermateriaal dat inmiddels al gemaakt is door Nederlandse hogeronderwijsinstellingen. Het platform moet meer zijn dan een verzameling links naar repository’s, maar minder dan een database met individuele leerobjecten.” Dit platform bestaat er in potentie al: Wikiwijs. In deze blog beschrijf ik in meer detail de mogelijkheden van dit platform (en meer) die in het boegbeeldproject hbo verpleegkunde worden gebruikt. Daarnaast is SURF ook bezig met ontwikkelingen aan het platform Sharekit, waardoor delen van leermaterialen via dat platform mogelijk wordt. Welke functionaliteiten daar op termijn precies zullen worden aangeboden is nog niet duidelijk.

Vervolg

Momenteel kan voor de 4e ronde van de stimuleringsregeling worden ingeschreven. Ten opzichte van de voorgaande edities zijn er flinke wijzigingen. Zo is er meer geld beschikbaar (€ 1.1M) en worden twee categorieën (pijlers) onderscheiden: open leermaterialen (met focus op vakcommunities) en online onderwijs (met focus op peer feedback en peer assessment). Uit de voorwaarden van deze regeling kan worden afgeleid dat, wanneer er geen leermaterialen worden ontwikkeld, bij de laatste pijler projecten niet per se hoeven bij te dragen aan open onderwijs om toch in aanmerking te komen voor subsidie. Persoonlijk vind ik dat jammer; de intentie van de regeling was indertijd stimuleren van openheid in onderwijs. Voor de duidelijkheid kan daarom de regeling beter worden hernoemd naar Stimuleringsregeling open en/of online onderwijs.

Call for Proposals #OEGlobal18 is open

In 2018, the yearly Global Meeting of the Open Education Consortium will be from 24-26 April in Delft, organized by Delft University of Technology. Behind the scenes, many people are already busy with the myriad of issues that comes with organizing such an event.

Today, the website for the event is launched, simultaneously with the Call for Proposals. Proposals are welcome under the theme for the 2018 conference:
Transforming Education Through Open Approaches, and should fit into one of the subthemes:

  • Open Connections
  • Open Education Research
  • Innovation through opening traditional practices
  • Policies & strategies for Open Education
  • Institutionalizing Open Education
  • Tools & Technologies for Open Education
  • Open Educational Practices/Open Pedagogy
  • Connecting Open Education to formal education
  • Student perspectives

Four session formats will be distinguished:

  • Presentation
  • Panel
  • Action Lab
  • Poster

Papers will be made available in Conference proceedings. For those interested, there is an opportunity to publish a paper in a Special Issue of Open Praxis. Both publications will be made available full Open Access (under a CC-BY license) and publishing in Open Praxis does not require an author fee.

Due date for sending in proposals is 23 October 2017.

>> Detailed information and a link for submitting

We hope to receive many interesting proposals that will contribute to a wonderful event in 2018!

OER en commercie, strange bedfellows?

Deze blog is een co-productie van Ben Janssen en mijzelf.

Inleiding

De Open Education beweging is inmiddels 15 jaar oud. Een van de onderwerpen waarover nog steeds flink wordt gediscussieerd is hoe het maken en verspreiden van Open Educational Resources (OER) voor het onderwijs rendabel zou kunnen worden.

In de VS lijkt de onderneming Lumen Learning, mede opgericht door een van de grondleggers van de OER-beweging David Wiley, een businessmodel rond Open Educational Resources te hebben ontwikkeld dat perspectiefvol is. De onderneming heeft enerzijds een investering van $ 3,75 miljoen ontvangen van zogenaamde angel investors en is anderzijds een alliantie aangegaan met Follett, een onderneming die leermiddelen voor het onderwijs distribueert. Via deze twee lijnen hoopt Lumen Learning een versnelling te bewerkstelligen in de adoptie van OER door onderwijsinstellingen in de VS. Voor meer informatie over deze samenwerking: zie het persbericht en de blogpost van David Wiley.

In een eerdere blogpost is Lumen Learning beschreven als “Het richt zich op ondersteuning van onderwijsinstellingen die stappen willen zetten met implementeren van een OER-aanpak.”. David Wiley karakteriseerde het als A Red Hat for OER: het bedrijf biedt, naast OER, ondersteunende diensten aan om onderwijsinstellingen te helpen bij de adoptie van OER (publiceren, maar vooral ook hergebruik). Ze hebben daarnaast beschikbare OER uitgebreid met resources als quizzes, die echter vaak niet als OER beschikbaar zijn.

Al vrij snel na het bekend worden van de plannen van Lumen Learning ontspon zich op internet een discussie over het nieuwe businessmodel van Lumen Learning (bijvoorbeeld Stephen Downes (hier en hier),  Phil Hill, Michael Feldstein, en een reactie van David Wiley). Die discussie richtte zich met name op de vraag of de OER hierdoor alleen beschikbaar zou komen worden voor de scholen en/of lerenden die ook de betaalde services en aanvullende materialen afnemen. Dat blijkt niet het geval te zijn, de OER blijven door hun open licenties voor iedereen vrij beschikbaar.

Vraagstelling en analyse

Een vraag die nog niet is opgeworpen en die ons inziens belangrijk is:

Is OER bruikbaar voor docenten (en instellingen) zonder dat men aanvullende diensten van een onderneming als Lumen Learning/Follett hoeft af te nemen?

Om deze vraag te kunnen beantwoorden grijpen we terug naar een artikel over OER en businessmodellen die we voor het SURF SIG OER trendrapport 2013 hebben geschreven. In dit artikel gebruiken we het Business Model Canvas van Osterwalder en Pigneur om te modelleren welke invloed publiceren en hergebruiken van OER heeft op een (publiek bekostigde) universiteit. In de volgende figuur is in rood aangegeven welke gevolgen een dergelijke verandering heeft op het businessmodel (klik op de figuur om een grotere versie te bekijken; opent in een nieuw venster)

Voor deze blogpost zijn vooral de wijzigingen onder Key Resources voor docent en ondersteuner en onder Revenue streams van belang bij hergebruik van OER:

  • Docent wordt docent +: de + is een awareness van de mogelijkheden van OER en de capaciteiten om van die mogelijkheden gebruik te maken
  • Ondersteuners wordt ondersteuners +: de + zijn de kennis en vaardigheden die direct samenhangen met de beleidsbeslissing, zoals ondersteuning bij zoeken en aanpassen
  • Revenue streams: de bijdrage van studenten voor aanvullende diensten bij OER.

Voor onze beschouwing zijn de volgende dimensies van belang:

  • De OER zijn voor een docent wel of niet beschikbaar met betaalde aanvullingen en diensten. OER zonder die aanvullingen vind je veelal bij open repositories (zoals Wikiwijs, OERCommons, Merlot). Als docent vind je daar leermaterialen in grofweg twee vormen: geordend in een leerlijn (bijvoorbeeld als open textbook) of niet geordend in een leerlijn. OER met betaalde aanvullingen geeft de situatie weer die ontstaat bij de deal tussen Lumen Learning en Follett. Bij deze situatie kun je onderscheid maken tussen de bruikbaarheid van OER voor de docent met of zonder die aanvullingen. Deze bruikbaarheid kan laag zijn wanneer bijvoorbeeld de OER alleen excerpten uit een leerlijn zijn (vergelijk Google Books, waar slechts enkele pagina’s per boek aangeboden worden).
  • Een docent heeft al dan niet tijd, kennis/kunde en middelen ter beschikking (zowel via eigen kennis en vaardigheden als via aanwezige ondersteuning) om beschikbare OER aan te passen aan zijn situatie

We nemen in onze overweging de aanname dat de OER open beschikbaar zijn voor iedere belangstellende, onafhankelijk of hij/zij betaalt voor de aanvullende diensten. Indien dit niet zo is (zoals hier het geval lijkt te zijn), mogen de aangeboden leermaterialen per definitie geen OER genoemd worden.

Beide dimensies gecombineerd geeft de volgende te onderscheiden situaties A t/m E waar het gaat om hergebruik van OER:

  OER zonder (betaalde) aanvullingen en diensten OER met (betaalde) aanvullingen en diensten
Bruikbaar zonder Niet bruikbaar zonder
Wel aanvullen door docent A. Optimaal vanuit open standpunt bezien B. Keuze-alternatief: make or buy
Niet aanvullen door docent C. Suboptimaal wanneer de OER as-is niet 100% aansluit bij de context van de docent D. Keuze-alternatief: buy or not E. Mogelijkheid, maar niet gratis

Een beschrijving van de situaties:

  1. De beschikbare OER zijn voldoende voor een docent om het (optimaal) te kunnen inzetten in zijn of haar situatie, al dan niet na aanpassing ervan. Wanneer men het heeft over publiceren en hergebruiken van OER, dan heeft men in de meeste gevallen (veelal impliciet) deze situatie voor ogen. De mogelijkheid dat extern gespecialiseerde diensten kunnen worden ingekocht, kan de adoptie van OER in een instelling wel versnellen.
  2. Een docent/instelling heeft de keuze: ofwel de aanvullingen worden door een docent zelf gemaakt, ofwel de docent/instelling besluit om de aanvullingen te kopen.
  3. Alleen wanneer de beschikbare OER een bijna 100% fit hebben met de context van gebruik is de situatie vergelijkbaar met situatie A. In de praktijk zullen echter OER moeten worden aangepast aan de eigen context voor een optimale fit. Wanneer die aanpassingen niet gedaan kunnen worden zorgt gebruik van OER voor een suboptimale onderwijssituatie.
  4. Wanneer de aanvullende materialen en diensten de beschikbare OER meer passend kunnen maken bij de gegeven context kan een docent/instelling besluiten daarvoor te betalen om zo een situatie te creëren die vergelijkbaar is met situatie A.
  5. In deze situatie is gebruik van OER financieel vergelijkbaar met gebruik van niet-open leermateriaal. Het voordeel van de OER-situatie moet dan liggen in de grotere mogelijkheden om de leermaterialen (via de aanvullingen en met aanschaf van diensten) aan te passen aan de specifieke context van gebruik, zonder dat aan de leermaterialen licentiekosten zijn verbonden.

Bij de situaties B, D en E ontstaat de vraag: wie betaalt de rekening: de instelling, de studenten, of de samenleving? Dat laatste is bijvoorbeeld het geval wanneer aanschaf van leermaterialen door de overheid gefinancierd wordt (zoals bij de Wet Gratis Schoolboeken in het VO). Wanneer de instelling betaalt, verschuift in het businessmodel de post “bijdrage lerenden/organisaties voor aanvullende diensten rond OER” naar Cost Structure.

Onze conclusie

Uiteindelijk zijn OER geen doel op zich, maar zullen zij moeten bijdragen aan verhoging van de kwaliteit van onderwijs. Ons onderzoek van vorig jaar onderschrijft dit doel, maar leerde ook dat voor adoptie van OER onder meer awareness, tijd en ondersteuning nodig is. Wanneer met dergelijke publiek/private constructies adoptie vergroot kan worden, is dat een goede zaak, mits te allen tijde de OER vrij beschikbaar zijn en de 5R rechten kunnen worden uitgeoefend. Daarmee hebben een docent en instelling een keuze: investeren in professionalisering van docenten en ondersteuners (om de “+” uit het businessmodel te realiseren) en/of inkopen van de aanvullingen en diensten.

<Update>
Willem van Valkenburg wees ons in een reactie op de beperktheid van de conclusie:

(NB: CC in zijn reactie is Community Colleges). Hij heeft gelijk: de beschreven doelstelling, en daarmee ook de conclusie, geldt in Nederland (waar ook het onderzoek waaraan we refereren is uitgevoerd). Deze beperking had wat duidelijker mogen worden vermeld, waarvan akte.
</Update>

In Nederland hanteert stichting VO-Content feitelijk een dergelijk businessmodel in het voortgezet onderwijs. VO-Content bestaat al zes jaar en haar aanpak is om OER (geordend in open beschikbare leerlijnen, meer en meer via Wikiwijs) met aanvullende diensten en materialen beschikbaar te stellen. De kosten hiervoor (€7 per leerling per jaar) betalen de scholen uit de Rijksbijdrage voor leermaterialen (€320 per leerling per jaar). Scholen zijn echter niet verplicht deze kosten te betalen als ze gebruik maken van de OER.

Tenslotte

Om te eindigen een aanrader. Deze week verscheen het langverwachte boek Made With Creative Commons van Creative Commons. In dit gratis te downloaden boek zijn 24 case study’s beschreven van open businessmodellen, uit allerlei gebieden (zoals onderwijs, kunst, muziek). Uit de Introduction:

This book shows the world how sharing can be good for business—but with a twist. (…) Those we interviewed were not typical businesses selling to consumers and seeking to maximize profits and the bottom line. Instead, they were sharing to make the world a better place, creating relationships and community around the works being shared, and generating revenue not for unlimited growth but to sustain the operation.”

Let’s Make Copy(right*3) now

Communia is een organisatie die “advocates for policies that expand the public domain and increase access to and reuse of culture and knowledge. We seek to limit the scope of exclusive copyright to sensible proportions that do not place unnecessary restrictions on access and use.

Eén van hun lopende initiatieven is een campagne “Let’s Make Copyright Right Right Now for educators” waarin verruimingen en harmonisatie van wetten op auteursrecht in de EU wordt nagestreefd, specifiek voor onderwijsdoeleinden. Op deze website staan de actiepunten voor deze campagne nader beschreven. De voorgestelde aanpassingen zullen het eenvoudiger maken aanwezige geschikte materialen in te zetten voor onderwijs. Over waarom deze campagne juist nu nodig is, is hier te lezen. Middels ondertekenen van een petitie kun je aangeven dat je deze campagne ondersteunt. Deze petitie kan vanaf alle pagina’s van de eerder aangegeven website worden bereikt.

Omdat deze aanpassingen bijdragen aan verruiming van mogelijkheden voor docenten om bronnen binnen hun onderwijs in te zetten, is te verwachten dat angst voor schenden van copyrights bij hen zal verminderen. Deze angst is één van de hindernissen voor docenten om leermaterialen open te delen en te hergebruiken.

Ik onderschrijf daarom deze campagne en roep op de petitie te ondertekenen. Dit kan nog tot 15 mei.

Open Education & Open Science: an integrated approach?

Last Friday I was present at the Open Science seminar, organized by the TU Delft as an event in the Open Education Week. The intended audience were the people at the TU Delft, but also some attendants from other institutions (among myself) were present. Through this seminar we were informed about developments in both Open Education and Open Science, in general and more specific at the TU Delft.

After an introduction by Anka Mulder about openness in general, in two presentations the fields of Open Education and Open Science were introduced. A more detailed report about these presentations and the discussions afterwards is made by Pim Bellinga.

The lively discussions between the attendants were based on several dilemmas on both open education and open science. To get an impression of these dilemmas: “If I share my education resources openly, I give away my complete education” and “If anyone can use my measurement data, then I did all the work and had the costs, and someone else might get the success” are two examples.

Afterwards, I was reflecting on the seminar. I had hoped to hear more about cross-overs, examples where approaching open education and open science simultaneously would make a difference that would not be possible when they are considered two separate fields. Obvious examples of cross-overs are Open Access papers becoming OER when used in an educational setting or using MOOCs as a means to collect research data or as a means to disseminate results of research to a wider audience. Examples of the latter two were presented at the seminar. A less obvious example comes from Javiera Atenas and Leo Havemann, using open data as OER.

But (to quote Peggy Lee) “Is that all there is?” Does that justify an integrated approach, e.g. in policy making, at an institution? Reality is still that in many institutions education and research are two separate branches with different processes and different stakeholders. And although some descriptions of Open Science includes OER (example), other do not mention them (as in this interactive example from the website of the European Union, presented at the seminar).

Discussing this with Martijn Ouwehand from the TU Delft, I realized that the dilemmas both fields are facing are similar:

  • Fear of commercial use of openly available resources
  • Fear of free riding
  • Uncertainty about copyright issues
  • Fear of harming your career when involved in openness, because of possible quality flaws. The latter can also be looked at from a broader perspective, where being involved in education is considered harmful for a scientific career. Last week in his inaugural speech, professor Jan-Willem van Groenigen (Wageningen University & Research) pronounced ambitious researchers to minimize educational activities, because these activities do not count when applying for important research grants in the Netherlands (see interview (in Dutch) in the Volkskrant)

Also, the current focus in open education is to go beyond just publishing and reuse resources and have more attention for Open Educational Practices and Open Pedagogy. One way to realize this is to have students performing research activities in projects with stakeholders outside of the institution as a means to acquire certain knowledge and skills: a perfect example of intertwining education and research in an open way. One of the attendants pointed at the phenomenon of Citizen Science, where connections with educational projects under the umbrella of Open Pedagogy seem rather straightforward.

So the cross-over is not only determined by examples like I mentioned (and I am hoping to find out about more types of examples), but also by the dilemmas and comparable challenges both fields are facing and the opportunities that intertwining education and research in an open way can bring. We can learn from each other about how to overcome those challenges and cooperate in realizing the intertwining.

For me, this is sufficient justification for an approach where policy making, creating awareness and activities to adopt openness will be integrated for both research and education, with an open eye for the differences in both fields that also exist. And, by the way, let’s not forget to learn from the field of open source software, with a much longer history than at least OER.

 

Global Meeting OEC 2017, some impressions

Image by Rob Farrow

Last week I was present at the yearly Global Meeting of the Open Education Consortium. The event took place in CapeTown, to celebrate the 10th anniversary of the Cape Town Declaration on Open Education.

To get an impression of which topics are currently in the focus of the open community at this conference, I have categorized the presentations that took place. In total there were 107 sessions (8 panel discussions, 15 action labs and 84 presentations). The distribution among the categories I distinguished was as follows:

The category “Miscellaneous” consists of sessions with a subject that was presented only once (e.g. business models). The categories are not disjunct, so for some presentations I had to judge what category was the best fit. But overall it can be seen that focus is more and more on adoption by (in Rogers’ terms) the early and late majority of teachers. Some presentations in this category also mention access for individual students (self-learners).

The overview of the program provides access to the information of each presentation and the slides that were used. At the time of writing of this post not all slides were made available yet. I expect they will be in the next coming days.

>> Overview program

I was involved in three presentations, each about activities and research I am currently involved in with a focus on the Netherlands:

Personal impressions

The ROER4D project is nearing its end and the results are increasingly becoming available. The presentation of Cheryl Hodgkinson-Williams (Principal Investigator of ROER4D) titled The adoption and impact of OEP and OER in the Global South: Theoretical, conceptual and methodological framework for the ROER4D project meta-analysis provided an impressive overview of what was accomplished in the 18 case studies that were conducted in ROER4D. Glenda Cox and Henry Trotter presented Understanding lecturer’s adoption of OER: a multi-factorial approach. They have put me on the track of an alternative way to approach the question of broad adoption of OER, where Rogers’ Innovation theory was not sufficient. Unfortunately, I missed the presentation of Catherine Cronin (Openness and praxis: Exploring the use of open educational practices for teaching in higher education) about a similar research on adoption, but a paper of her in IRRODL about her research findings is in press (preprint).

Although all three research projects started from a different perspective, the findings were more or less similar and comparable with our research in the Netherlands. It may be worthwhile to expand on this in the coming period to see how the different perspectives can be joined into one framework to approach the question of how to increase adoption of OER among the early majority of teachers. We had an inspiring discussion with Henry Trotter on this as a start.

It was also good to see that more and more the narrow view on open learning materials is expanded to a broader view on openness, including open infrastructures (with Norway and the Netherlands as two fine examples) and open pedagogy. My opinion “We should be more open about open”, quoted by Tom Caswell already in 2012, is necessary to connect to the early and late majority. The presentations from Rajiv Jhangiani (Pragmatism vs. Idealism and the Identity Crisis of OER Advocacy) and Jamison Miller (The Constraints of Policy: A Critical Discourse Analysis of Open Education Policy in Virginia) hit the nail on the head.

Indications to be more open on open came also from my research project on adoption as was mentioned earlier, and I intend to go deeper into this the next period to find out in more detail how such a connection can be made fruitful. The toolkit Martijn Ouwehand and myself have developed, may support one of the approaches (connect to the core of the teacher).

And finally, the presence and achievements of members of GO-GN was wonderful to experience. Too bad, a virus catched some of them (we call this now the OERHub-virus), so they could only be partially present at the conference. GO-GN has developed into a vibrant community, both online and offline, which was intended at the start of this.

Next year

Next year the Global Meeting will take place in beautiful Delft, 24-26 April 2018. I am honoured to be appointed the Program Chair of that Meeting. Glenda Cox, the Program Chair in Cape Town, has set the bar high with an excellent accomplishment!

Regionale consultatie Europa voor 2e World Congress OER

Ter voorbereiding op het 2e World Congress on OER werd van 23-24 februari op Malta een Regional Consultation gehouden. “Regional” in UNESCO-termen betekent hier Europa. Eerder was er al een consultatie in Azië (resultaten hier en hier) en er volgen er nog in het Midden-Oosten & Noord-Afrika, Afrika, Noord- en Zuid-Amerika en de Pacific.

Het eerste World Congress on OER in 2012, Parijs leidde tot de Paris OER Declaration, waarin overheden zich committeerden om awareness rond OER te verhogen en gebruik ervan te stimuleren. Het thema van het 2e World Congress luidt: OER for Inclusive and Equitable Quality Education: From Commitment to Action. In dat thema is de UNESCO Sustainable Development Goal 4 terug te vinden “ensure inclusive and equitable quality education and promote lifelong learning opportunities for all“. Maar ook is daaruit af te lezen dat het tijd wordt voor actie om met name brede adoptie te realiseren, wil OER echt een bijdrage kunnen leveren aan het bereiken van die doelstelling in 2030.

In Malta waren ruim 60 personen aanwezig, variërend van ministers, beleidsmedewerkers van ministeries, NGO’s, UNESCO, Commonwealth of Learning en onderwijsinstellingen, tot docenten en onderzoekers uit een diversiteit aan Europese landen en enkele daarbuiten (Canada en Korea).

Enkele resultaten

Naast enkele algemene presentaties was de hoofdmoot van de bijeenkomst gereserveerd om in vijf subgroepen aanbevelingen voor acties te genereren rond vijf actielijnen:

  1. Capacity of users to access, re-use, and share OER
  2. Language and cultural barriers
  3. Ensuring inclusive and equitable access to quality content
  4. Changing business models
  5. Development of appropriate policy solutions

De focus lag op de Europese context en daarbinnen op alle formele onderwijssectoren (van PO t/m HO) en het levenlang leren domein. Stakeholders voor deze aanbevelingen zijn onder meer de Europese Commissie, nationale overheden, onderwijsinstellingen en docent-, student-, werkgevers-, werknemers- en ouderorganisaties.

Een aantal aanbevelingen werd door meerdere subgroepen genoemd:

  • Creëer beleid op OER op zowel nationaal als instellingsniveau. Help elkaar daarbij: doe tekstvoorstellen aan overheden, maak gebruik van wat er al aanwezig is aan beleidsdocumenten en toolkits (zie bijvoorbeeld hier) en deel de beleidsplannen (al dan niet in draft) in de OER Policy Registry.
  • Creëer een nationaal platform voor delen van OER en ervaringen ermee en verbind die platformen met elkaar.
  • Zorg ervoor dat de grote meerderheid van docenten zich bewust wordt van de (on)mogelijkheden en meerwaarde van OER en ondersteun ze bij de toepassing ervan in hun dagelijkse werk. Maak OER een verplicht onderdeel van de initiële docentopleiding en Continuous Professional Development programma’s.
  • Overheden en instellingen moeten dezelfde kwaliteitseisen opleggen aan OER als aan andere leermiddelen. OER moet onderdeel worden van accreditatieprogramma’s en QA-schema’s (bijvoorbeeld ENQA voor hoger onderwijs)
  • Wees meer open over “open”: maak gebruik van de rol die MOOC’s kunnen spelen als change agent om OER-gebruik te stimuleren, verbind OER aan ontwikkelingen als Open Educational Practices en Open Pedagogy. Zoals in één groep werd geformuleerd: Open education is the goal, OER is a catalyst
  • Geef aandacht aan publiek-private samenwerking rond OER.
  • Stimuleer en ondersteun onderzoek naar evidence van effecten van OER op het onderwijs
  • Vergroot kennis van OER en hun (on)mogelijkheden bij vertegenwoordigingen van ouders, werknemers (zoals vakbonden), studenten en docenten

De subgroep waarin ik participeerde hield zich bezig met aanbevelingen voor actielijn 1: Capacity of users to access, re-use, and share OER. Enkele aanbevelingen die daarin zijn geformuleerd (naast degene die hiervoor al zijn genoemd onder deze actielijn):

  • Verbind kennis van (on)mogelijkheden van OER met agenda’s over digitale geletterdheid/21st century skills
  • Maak gebruik van tools en infrastructuren die binnen Europa al aanwezig zijn (zoals standaarden en metadata harvesters). Om dat aanbod te verhogen: verbeter transfer van resultaten uit (met name) EU-projecten naar duurzame implementatie
  • Alloceer een budget specifiek voor OER, zowel Europees (i.p.v. het onderdeel te laten zijn van programma’s als Horizon2020 en Erasmus+) als nationaal
Een overzicht van alle resultaten en opnames van de presentaties komt later beschikbaar. De gebundelde resultaten van alle regional consultations vormen de input voor het World Congress in september.

En verder

Hoewel er in de presentaties weinig aandacht aan werd geschonken, was in de wandelgangen grote bezorgdheid te horen over de recente politieke ontwikkelingen in de US, Groot Brittanië en mogelijke gevolgen van verkiezingsuitslagen in Europa. De constatering dat er een steeds grotere neiging lijkt te zijn je als land te gaan afsluiten staat haaks op wat de beweging van OER voorstaat. Grotere adoptie van OER kan voor een geluid tegen deze trend zorgen.

Hoewel er onder de deelnemers bij deze bijeenkomst enkele jongere personen aanwezig waren, signaleerden we dat de meerderheid “grijze mannen en vrouwen” waren. Om de OER beweging levend(ig) te houden is aanwas vanuit de komende generatie nodig. Bij het uitnodigen voor het World Congress in september zou bij de uitnodiging nadrukkelijk kunnen worden gestimuleerd tenminste één persoon jonger dan 30 jaar aan de delegatie toe te voegen.

De meeste subgroepen kozen ervoor om in de buitenlucht hun discussies te houden. Dat levert dan, naast inhoudelijke resultaten, een plaatje op als hieronder.

De bij deze gelegenheden traditionele groepsfoto: